Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD2162

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
15-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
74772 / KG ZA 08-63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen zijn buren. Gedaagde exploiteert een melkrundveehouderij naast de woning van eiser. De panden zijn van elkaar gescheiden door een gemeenschappelijke stoep. Eiser stelt dat gedaagde door zijn bedrijfsvoering inbreuk maakt op het eigendomsrecht van eiser en dat er sprake is van onrechtmatige hinder. Belangenafweging. Vordering gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 74772 / KG ZA 08-63

Vonnis in kort geding van 15 mei 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te Streefkerk, gemeente Liesveld,

eiser,

procureur mr. J.A. Visser,

advocaat mr. J. van Groningen te Middelharnis,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Streefkerk, gemeente Liesveld,

2. [gedaagde 2],

wonende te Streefkerk, gemeente Liesveld,

gedaagden,

procureur mr. S. Visser,

advocaat mr. J.J. Slump te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] (gedaagden gezamenlijk) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [gedaagden]

- de door [eiser] ter terechtzitting op de laptop getoonde beelden

- de door beide partijen overgelegde producties.

1.2. De zaak is pro forma aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een regeling in der minne te treffen. Uit een op 22 april 2008 ter griffie ingekomen faxbericht van mr. Van Groningen, voornoemd, is gebleken dat partijen hierin niet zijn geslaagd. Daarom is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] bewoont sinds 1993 de woning aan [adres] te Streefkerk. Direct grenzend aan deze woning exploiteert [gedaagden] sinds 1994 een melkrundveehouderij. Voor 1994 werd dit bedrijf geëxploiteerd door de vader van gedaagde sub 2.

2.2. De toegang tot het bedrijf van [gedaagden] wordt gevormd door een gezamenlijke stoep die zich tussen de woning van [eiser] en één van de bedrijfsgebouwen met daarin de woning van [gedaagden] bevindt. Deze stoep loopt schuin omhoog naar de dijk ([adres]). Aan de achterzijde van het perceel van [gedaagden] bevindt zich een onverharde ontsluiting naar de [adres 2], die alleen door tractoren gebruikt mag worden. Op de [adres 2] zijn auto’s en motoren niet toegestaan.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] te gebieden om binnen één dag na betekening van het vonnis

a) het gebruik van de stoep te beperken, in die zin dat over de stoep geen tractoren meer mogen rijden, behoudens voor het naar de [adres] brengen van kadavers;

b) het vrachtverkeer, dat van de stoep gebruik maakt, niet meer zal bedragen dan:

1) drie keer per week een melkwagen, één keer per twee weken een voerwagen

2) drie keer per jaar een vrachtwagen met kunstmest en

3) één keer per maand een veewagen;

c) aan de, vanaf de [adres] gezien, rechterzijde van de stoep een verkeersbord te plaatsen dat voldoet aan het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, waarop staat aangegeven dat ter plaatse voor al het verkeer dat van de stoep en het terrein van melkrundveebedrijf gebruik maakt een maximale snelheid van 10 km/uur geldt;

d) aan iedere chauffeur die met zijn vrachtwagen het terrein van het melkrundveebedrijf betreedt een schriftelijke instructie te verstrekken die in de vrachtwagen aanwezig moet zijn;

e) de wegverharding van de stoep zodanig te onderhouden dat deze altijd glad is;

f) het verplaatsen van kadavers uitsluitend op een achter een tractor bevestigde kar te laten plaatsvinden;

g) het manoeuvreren met tractoren en ander materieel uitsluitend te laten plaatsvinden wanneer dit functioneel is aan het bedrijf en op een normaal gebruikelijke wijze, zodat niet wordt weggereden met vol gas en er abrupt wordt geremd;

h) het opslaan van vaste mest en het stallen van vee in de open wagenberging te beëindigen en beëindigd te houden;

i) deuren en ramen van de stallen gesloten te houden,

een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.500,--, danwel een in goede justitie te bepalen bedrag, per overtreding en met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding. [eiser] stelt daartoe het volgende.

3.1.1. Volgens [eiser] is de wijze waarop [gedaagden] zijn melkrundveebedrijf exploiteert, jegens hem en zijn gezin onrechtmatig. Volgens [eiser] bevinden de gebouwen die onderdeel uitmaken van het bedrijf van [gedaagden] zich heel dicht bij de woning van [eiser]. [eiser] ondervindt hinder van het afhalen van hooi van de hooizolder op nog geen meter afstand van de woning van [eiser]. Voorts maakt te veel vrachtverkeer gebruik van de stoep, hetgeen trilling, geluid- en stankoverlast en schade aan de stoep veroorzaakt. Bovendien rijdt dit verkeer volgens [eiser] veel te hard, waardoor zeer gevaarlijke situaties ontstaan en waardoor de gevel van zijn woning scheurvorming vertoont. Er wordt onnodig gemanoeuvreerd met tractoren en er wordt met vol gas weggereden. Ook wordt regelmatig met meerdere tractoren tegelijk gereden. Doordat [gedaagden] gebruik maakt van een open wagenberging en doordat de deuren en ramen van de stallen open zijn, ondervindt [eiser] overlast door het loeien van koeien en door stank. Dood vee wordt door [gedaagden] met hoge snelheid achter een tractor naar de [adres] gesleept, waardoor bloed- en huidresten op de stoep achterblijven. Voor het stapelen van mest rijdt [gedaagden] langdurig met hoge snelheid in de mestvaalt, hetgeen leidt tot onaanvaardbare geluidsoverlast. Ook het schoonspuiten van materieel op het buitenterrein brengt geluidsoverlast met zich mee. [gedaagden] maakt door dit handelen een inbreuk op het recht van [eiser] op het ongestoorde genot van zijn woning aan [adres] en het daarbij behorende erf en de overige grond. Hij dient zich met zijn bedrijfsvoering te onthouden van overlast en dient zodanige maatregelen te treffen dat hij geen onaanvaardbare hinder veroorzaakt.

3.1.2. Door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is bij uitspraak van 5 maart 2008 bij wijze van voorlopige maatregelen aan [gedaagden] een aantal beperkingen opgelegd, mede ingegeven door de omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Liesveld ter voorkoming en beperking van klachten over geluid- en trillinghinder voornemens is nadere eisen te stellen. De opgelegde beperkingen zijn: “(1) De wegverharding op de stoep naar de [adres] dient glad en zonder beschadigingen te zijn; (2) Bovenaan de stoep aan de [adres] moet een bord worden geplaatst, waarop is aangegeven dat de snelheid op de stoep maximaal 10 kilometer per uur mag bedragen; (3) Tractoren van en naar de inrichting mogen uitsluitend gebruik maken van de ontsluiting via de [adres 2], met uitzondering van het brengen van kadavers naar de [adres].”. [gedaagden] weigert deze beperkingen na te leven, zodat [eiser] belang heeft bij toewijzing van zijn vorderingen in kort geding.

3.2. [gedaagden] voert verweer. Op deze verweren wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat op onrechtmatige wijze inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op het ongestoorde genot van de hem in eigendom toebehorende woning. Het spoedeisend belang bij het gevorderde is daarmee gegeven.

4.2. Aanvankelijk heeft [gedaagden] aangevoerd dat de beelden op de door [eiser] overgelegde CD-rom buiten beschouwing dienen te blijven, aangezien deze een stelselmatige inbreuk op de privacy van [gedaagden] vormen en daarom in strijd met het Wetboek van Strafrecht zijn gemaakt. Ter terechtzitting heeft [gedaagden] er evenwel mee ingestemd dat de beelden door [eiser] op een laptop getoond werden, waarna beide partijen de gelegenheid hebben gekregen om hun standpunten met betrekking tot de getoonde beelden kenbaar te maken. Onder die omstandigheden gaat de voorzieningenrechter er van uit dat [gedaagden] zijn verweer op dit punt niet langer handhaaft. De ter terechtzitting getoonde beelden zullen daarom in de oordeelsvorming worden betrokken.

4.3. [eiser] onderbouwt zijn vorderingen deels door te verwijzen naar de procedure die hij bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft gevoerd en de besluiten die in dat verband zijn genomen. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat – nu partijen in het onderhavige geding als buren tegenover elkaar staan en [eiser] aan zijn vorderingen een onrechtmatige daad ten grondslag heeft gelegd – het bestuursrechtelijk kader voor de beoordeling van de vorderingen van [eiser] in kort geding niet relevant is, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

4.4. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij zodanige hinder en schade ondervindt door de wijze van bedrijfsvoering van [gedaagden], dat er sprake is van een onrechtmatige daad. De voorzieningenrechter in kort geding is bevoegd van deze burgerlijke vorderingen kennis te nemen. Het verweer van [gedaagden] dat [eiser] zijn vorderingen had moeten instellen bij de bestuursrechter wordt dan ook verworpen.

4.5. Volgens vaste jurisprudentie hangt het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder af van de aard, ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Verder moet onder meer rekening worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid – mede gelet op de daaraan verbonden kosten – en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen.

4.6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen in hun relatie als buren rekening dienen te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Dit brengt in het onderhavige geval met zich mee dat [eiser] er rekening mee dient te houden dat hij in een agrarische omgeving woont. Eventuele stankoverlast en geluidsoverlast van koeien zijn naar voorlopig oordeel onlosmakelijk verbonden met het agrarisch bedrijf en [eiser] zal deze vormen van overlast dan ook voorshands moeten gedogen. De vorderingen onder h) en i), die strekken tot voorkoming van stank- en geluidsoverlast, worden reeds hierom afgewezen, nog daargelaten dat [gedaagden] ter terechtzitting genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat toewijzing van deze vorderingen zijn bedrijfsvoering op een onredelijke wijze zou schaden.

4.7. Ook [gedaagden] dient rekening te houden met de belangen van [eiser], die in ieder geval bestaan uit het recht op een veilige leefomgeving. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagden] er in het kader van zijn bedrijfsvoering belang bij heeft dat vrachtwagens en tractoren zijn bedrijf kunnen bereiken. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of [gedaagden] hiertoe op onrechtmatige wijze gebruik maakt van de stoep. Uit het verhandelde ter terechtzitting en uit de vertoonde beelden is gebleken dat de stoep bovenaan de dijk ongeveer vier meter breed is en onderaan (bij het erf) iets breder. Vrachtwagens en tractoren kunnen niet anders over de stoep rijden dan zeer dicht langs de woning van [eiser]. Dat hierdoor schade is ontstaan in de vorm van scheurvorming in de gevel, dat hierdoor de stoep wordt stukgereden en dat hierdoor kuilvorming in de stoep optreedt, acht de voorzieningenrechter voorshands aannemelijk. Het verweer van [gedaagden] dat de scheuren ook ontstaan kunnen zijn doordat de woning 70 of 80 jaar oud is en dat ook in de gevel van de woning van [gedaagden] scheuren zijn ontstaan doet daaraan niet af. De stoep is naar voorlopig oordeel feitelijk niet geschikt voor gebruik door zwaar vrachtverkeer en tractoren en al helemaal niet wanneer daarmee hard wordt gereden, omdat genoegzaam aannemelijk is dat daardoor zeer gevaarlijke situaties ontstaan. Uit het voorgaande blijkt naar voorlopig oordeel dat [eiser] door de bedrijfsvoering door [gedaagden] hinder ondervindt in de vorm van schade aan zijn eigendommen en dat hierdoor inbreuk wordt gemaakt op de rechten van [eiser]. In het navolgende zal worden bezien of de vorderingen van [eiser] – met uitzondering van de vorderingen onder h) en i) waarover hiervoor reeds is beslist – voor toewijzing vatbaar zijn.

a) gebruik stoep beperken

4.8. Ter terechtzitting is gebleken dat voor tractoren de mogelijkheid bestaat om het erf van [gedaagden] te bereiken langs de achterzijde via de onverharde ontsluiting naar de [adres 2]. Toewijzing van deze vordering schaadt [gedaagden] dan ook niet in zijn bedrijfsvoering. De omstandigheid dat het voor tractoren op deze wijze wellicht minder eenvoudig is om het bedrijf van [gedaagden] te bereiken, maakt dit niet anders. Deze vordering wordt dan ook toegewezen. Hieraan doet niet af dat [gedaagden] ter terechtzitting heeft verklaard dat er sinds 1 april 2008 geen tractoren meer over de stoep rijden – hetgeen [eiser] overigens heeft betwist – aangezien voorshands voldoende aannemelijk is dat [eiser] ook voor de toekomst belang heeft bij toewijzing van zijn vordering.

b) beperking vrachtverkeer

4.9. [eiser] heeft gevorderd [gedaagden] te gebieden het vrachtverkeer over de stoep te beperken. Nog daargelaten dat deze vordering bij toewijzing niet te handhaven is, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [gedaagden] door toewijzing onevenredig in zijn bedrijfsvoering zou worden geschaad. In het kader van dit kort geding kan immers niet op verantwoorde wijze worden vastgesteld hoeveel vrachtverkeer noodzakelijk is om het melkrundveebedrijf op deugdelijke wijze te kunnen exploiteren. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

c) plaatsen verkeersbord

4.10. Ter terechtzitting heeft [gedaagden] naar voren gebracht dat op 23 maart 2008 een verkeersbord is geplaatst, waaruit blijkt dat de maximaal toegestane snelheid op de stoep 10 kilometer per uur bedraagt. [eiser] heeft dit niet weersproken, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat het bord dat er nu staat te klein is, zodat hij nog belang heeft bij toewijzing van zijn vordering. Nu voorshands onvoldoende is gebleken dat het plaatsen van een groter verkeersbord tot meer effect zal leiden dan het huidige verkeersbord, wordt deze vordering afgewezen.

d) schriftelijke instructie chauffeurs

4.11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorshands niet gebleken dat het vooraf geven van schriftelijke instructies aan de chauffeurs die het bedrijf van [gedaagden] bezoeken – in aanvulling op het reeds geplaatste verkeersbord – zal bijdragen aan een verlaging van de snelheid waarmee de chauffeurs over de stoep zullen rijden. Deze vordering wordt dan ook bij gebreke van voldoende belang afgewezen, nog daargelaten dat de vordering te onbepaald is om voor toewijzing in aanmerking te komen.

e) onderhoud wegverharding stoep

4.12. Deze vordering is voor toewijzing vatbaar. Weliswaar heeft [gedaagden] hiertegen aangevoerd dat de stoep inmiddels is hersteld, doch dit neemt niet weg dat de stoep ook in de toekomst glad en zonder beschadigingen dient te zijn. [eiser] heeft dan ook belang bij toewijzing van de vordering.

f) verplaatsen kadavers

4.13. Naar voorlopig oordeel is deze vordering evenzeer voor toewijzing vatbaar. Het verplaatsen van kadavers behoort tot de normale bedrijfsvoering van [gedaagden], maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat in redelijkheid van hem gevergd kan worden dat hij deze kadavers op de meest zorgvuldige wijze verplaatst, zonder dat bloed- en huidresten op de stoep achterblijven. Het verslepen op een kar achter een tractor is hiervoor voorshands een redelijke methode. Het verweer van [gedaagden] dat hij bij het verplaatsen van kadavers al rekening houdt met de belangen van [eiser] doet aan het voorgaande niet af.

g) functioneel gebruik voertuigen

4.14. Naar voorlopig oordeel is onvoldoende gebleken dat [gedaagden] onnodig manoeuvreert met tractoren en andere voertuigen, noch dat vol gas wordt gegeven of dat abrupt wordt geremd wanneer dat niet nodig is. Onder die omstandigheden is deze vordering dan ook niet toewijsbaar.

Dwangsommen

4.15. [eiser] heeft gevorderd te bepalen dat [gedaagden] een dwangsom verbeurt van € 1.500,-- per overtreding. [gedaagden] heeft zich verzet tegen toewijzing van de dwangsom, danwel heeft gevorderd de dwangsom te matigen en hieraan een maximum te verbinden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [eiser] gevorderde dwangsom onder de gegeven omstandigheden niet onredelijk is. Weliswaar is een dermate hoge dwangsom bezwaarlijk voor [gedaagden], maar gelet op de omstandigheid dat ter terechtzitting een relatief eenvoudige oplossing is besproken, waarbij ieder van partijen op zijn eigen terrein een uitweg naar de dijk zou maken, zodat het zakelijke verkeer van [gedaagden] geen gebruik meer zou hoeven maken van de stoep, acht de voorzieningenrechter een dergelijke dwangsom niet onaanvaardbaar.

4.16. Gelet op het voorgaande worden de vordering van [eiser] toegewezen zoals hierna vermeld.

4.17. Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren zoals hierna wordt vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. gebiedt [gedaagden] om binnen één dag na betekening van dit vonnis

1) het gebruik van de stoep te beperken, in die zin dat over de stoep geen tractoren meer mogen rijden, behoudens voor het naar de [adres] brengen van kadavers;

2) de wegverharding van de stoep zodanig te onderhouden dat deze altijd glad is;

3) het verplaatsen van kadavers uitsluitend op een achter een tractor bevestigde kar te laten plaatsvinden;

5.2. bepaalt dat [gedaagden] een dwangsom zal verbeuren van € 1.500,-- voor iedere overtreding van één van de hiervoor vermelde geboden;

5.3. compenseert de proceskosten zo dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2008.?