Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD0513

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
24-04-2008
Zaaknummer
51310 HAZA 03-2713
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vergoeding van schade die het gevolg is van overlijden van 3-jarig kind tegen ziekenhuizen en bij de behandeling van het kind betrokken artsen. Medische fout(en)?

Deskundigenbericht.

Mogelijk sprake van een medische fout op enig moment gedurende de behandeling. Door ontbreken van obductie is causaal verband tussen de mogelijke medische fout en het overlijden van het kind onmogelijk vast te stellen. Afwijzing van de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 51310 / HA ZA 03-2713

Vonnis van 23 april 2008

in de zaak van

[eisers],

wonende te Almere,

eisers,

procureur mr. H.W.F. Klarenaar,

tegen

1. de stichting ALBERT SCHWEITZER ZIEKENHUIS,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

procureur mr. V.J. Groot,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

ERASMUS UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. J.A. Visser,

3. LEOPOLD ISAAC HERTZBERGER,

wonende te Dordrecht,

gedaagde,

procureur mr. V.J. Groot,

4. VEERLE MARGARETA HENDRIK NANNINGA – VAN DEN NESTE,

wonende te Puttershoek,

gedaagde,

procureur mr. V.J. Groot,

5. FELIX PIETER JACOB DIKKEN,

wonende te Dordrecht,

gedaagde,

procureur mr. V.J. Groot,

6. YEN NI YAP,

wonende te Dordrecht,

gedaagde,

procureur mr. V.J. Groot,

7. JOHANNES FRANCISCUS MARIA MERKUS,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. J.A. Visser.

Eisers zullen hierna [eisers] genoemd worden. Gedaagde sub 1 en gedaagden sub 3 tot en met 6 zullen hierna gezamenlijk ook de Stichting worden genoemd en gedaagden sub 2 en 7 gezamenlijk ook Erasmus. Gedaagden sub 3, 4, 5, 6 en 7 zullen hierna respectievelijk ook Hertzberger, Nanninga, Dikken, Yap en Merkus worden genoemd.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 juli 2006,

- de akte van depot van het (concept) deskundigenbericht op 13 oktober 2006,

- de akte uitlating concept-deskundigenbericht van de Stichting,

- het rolbericht van de procureur van [eisers] met de aan de deskundigen verzonden opmerkingen naar aanleiding van het concept-deskundigenbericht,

- de akte van depot van het deskundigenbericht met reacties van de deskundigen op de ontvangen opmerkingen op 8 maart 2007,

- de conclusie na deskundigenbericht van [eisers],

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van Erasmus,

- de conclusie na deskundigenbericht van de Stichting.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere omschrijving van het geschil

2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is een deskundigenbericht gelast ter beantwoording van de navolgende vragen:

1. Zijn door gedaagden medische fouten als vermeld in het tussenvonnis van 3 augustus 2005 onder 10 A, 11 B, 12 C en 13 D gemaakt?

2. Zo ja, in hoeverre is het aannemelijk dat Simone ten gevolge van die fouten is overleden?

3. Indien voor de beantwoording van vraag 1 bepaalde betwiste feiten (zoals de door [eisers] gestelde en door de Stichting betwiste slechtere conditie van Simone in de periode van 12 december tot in de ochtend van 15 december 1999) doorslaggevend zijn, om welke betwiste feiten gaat het dan?

2.2. De in vorenbedoelde in het tussenvonnis van 3 augustus 2005 vermelde gestelde medische fouten en het ten aanzien daarvan door de deskundigen op vraag 1 gegeven antwoord – voor zover hier van belang – luiden:

2.2.1. Gestelde medische fout 10 A: Terugplaatsing van Simone op 11 december 1999 naar het Albert Schweitzer Ziekenhuis was niet noodzakelijk en onverantwoord.

Antwoord deskundigen:

“Wij zijn van mening dat er geen medische fouten zijn gemaakt. De gang van zaken is conform de gebruikelijke procedure.”

2.2.2. Gestelde medische fout 11 B: Het medisch dossier m.b.t. Simone is niet opgevraagd bij het Sophia Kinderziekenhuis en de artsen Catsman, Blom en Wolffenbuttel die Simone eerder in het Sophia Kinderziekenhuis hadden behandeld, zijn niet geraadpleegd.

Antwoord deskundigen:

“Wij zijn van mening dat nadere kennis van de medische voorgeschiedenis van patiënte (zoals te raadplegen was geweest uit haar medisch dossier) niet noodzakelijk was voor de beoordeling van het EEG en evenmin invloed zou hebben gehad op de behandeling van patiënte voor de betreffende ziekteperiode (beginnende op 11 december 1999). Zoals blijkt uit de statusvoering en uit de medische correspondentie tussen beide ziekenhuizen naar aanleiding van de overplaatsingen van patiënte was de relevante voorgeschiedenis bekend.”

2.2.3. Gestelde medische fout 12 C: De beslissing om Simone terug te sturen naar het Sophia Kinderziekenhuis had eerder moeten worden genomen.

Antwoord deskundigen:

“Terugplaatsing in de nacht van 11 december 1999 was volgens ons niet noodzakelijk. Reden van overplaatsing eerder die dag naar het SKZ was dreigende respiratoire insufficiëntie volgend op medicamenteus couperen van de aanvallen. In de nacht van 11 op 12 december 1999 wordt wel melding gemaakt van toenemende zuurstofbehoefte, maar daarmee wordt uiteindelijk een adequate zuurstofsaturatie bereikt.

De uitslagen van de CT-scan op 12 december 1999, de lumbaalpunctie op 13 december 1999 en het EEG op 13 december 1999 hadden volgens onze mening niet ieder afzonderlijk tot terugplaatsing van Simone naar het Sophia kinderziekenhuis moeten leiden. Het is ons uit de verslaglegging duidelijk geworden dat de neurologische conditie van het kind in de dagen 12 tot en met 14 december duidelijk "schommelde": hiermee wordt bedoeld dat patiënte momenten had van bewustzijnverlaging doch ook momenten had waarop zij naar omstandigheden goed functioneerde (zelfstandig eten en slikken, op schoot zitten, woorden zeggen).

De deskundigen zijn echter wel van mening dat de sterk afwijkende bevinding bij lumbale punctie (liquordruk 40 cm water) bij ontbreken van een oorzaak had moeten leiden tot overleg met een kinderneurologische c.q. kindeneurochirurgische afdeling in de regio. In het dossier wordt een differentiaal diagnose vermeld (decursus 14-12 uit productie 8); nadien worden in het dossier geen mededelingen gedaan omtrent een verdere gedachtevorming over de oorzaak en de consequenties van de sterk verhoogde liquordruk.

Onverlet onze opmerking aangaande intercollegiaal overleg blijven wij van mening dat Simone in de periode van 12 tot en met 14 december 's avonds 21.30 niet teruggeplaatst had moeten worden.

Anders oordelen wij echter over de avond voor de dag van overlijden van patiënte. Uit de stukken hebben wij opgemaakt dat patiënte op 14 december 1999 om 21.30 uur een aanval heeft gehad met hypertonie en spreiding van de armen en een verlaagd bewustzijn. Daarna zou zij "acuut verslapt en slaperig" zijn geweest. Daarvoor zou zij hebben gesmakt. Overleg met de neuroloog gaf als uitslag dat de neuroloog een recidief insult aannemelijk achtte. Door de kinderarts is later hieraan toegevoegd dat er om 22.00 uur met de neuroloog de Waal zou zijn overlegd (om 21.30 zou dit met de neuroloog Kleiweg zijn geweest). Het is de deskundigen niet duidelijk wie nu uiteindelijk geraadpleegd is. Het overleg met de neuroloog de Waal had als uitslag dat deze geen duidelijke aanwijzingen voor "neurologisch braken" aanwezig achtte (bijvoorbeeld op basis van een verhoogde intracraniële druk) en dit ook vanwege de "goede/verbeterende klinische ontwikkeling". Hij zag geen indicaties voor oogspiegelen en adviseerde af te wachten. Vervolgens hebben de deskundigen uit het dossier begrepen dat om 02.30 uur (15 december 1999) het kind weer heeft gebraakt en lag te kreunen/mompelen. Voorts zou zij ritmisch bewegen met de rechter arm. Wanneer er een poging wordt gedaan haar wakker te maken "reageert/kalmeert" zij. Er werd daarop Primperan voorgeschreven. Vervolgens worden in de ochtend van 15 december 1999 hypertone krampen van de extremiteiten waargenomen die werden afgewisseld met periode van ontspanning. Er werd aangenomen dat dit kon berusten op een status epilepticus en er werd met een Dormicum-infuus begonnen. Hierop ontstond een respiratoire insufficiëntie waarop zij werd geintubeerd en werd overgebracht naar het Sophia-kinderziekenhuis te Rotterdam. Aldaar werd een inklemming vastgesteld. Uiteindelijk is patiënte hieraan overleden.

De deskundigen zijn van mening dat de ontwikkeling in de klinische toestand op de avond van 14 december 1999 c.q. de nacht van 14 op 15 december 1999 verkeerd is ingeschat. Bij de behandelende artsen bestond de indruk dat het hier ging om intermitterende paroxysmale activiteit in het kader van epilepsie. De deskundigen zijn van mening dat bij de interpretatie van de opeenvolgende gebeurtenissen (die zeer goed kunnen passen bij inklemming op basis van een verhoogde intracraniële druk), de reeds eerder gevonden verhoogde liquordruk en de afwijkende CT-scan een belangrijke rol hadden moeten spelen. De deskundigen zijn zich ervan bewust dat hierbij het ontbreken van een obductie als zeer ongelukkig moet worden beschouwd.”

2.2.4. Gestelde medische fout 13 D: Er is geen sprake geweest van een adequate behandeling en er is niet adequaat gereageerd.

Antwoord deskundigen:

“(…) zie boven

(…) de deskundigen zijn van mening dat het onderscheid tussen koortsconvulsie en epilepsie op basis van de anamnese van het incident op 11 december niet mogelijk is. Er kan zeer wel sprake zijn van een atypische koortsconvulsie.

(…) de deskundigen zijn van mening dat het resultaat van de lumbaal punctie, de CT-scan en het EEG niet voldoende informatie boden om direct een diagnose te stellen. De deskundigen maakten hieromtrent reeds een opmerking in het bovenstaande: het uitblijven van een diagnose had moeten leiden tot nader overleg.”

2.3. De deskundigen hebben vraag 2 als volgt beantwoord:

“Het is onmogelijk vast te stellen of patiënte te redden zou zijn geweest indien zij op de avond van 14 december 1999 in aansluiting op de eerste verschijnselen (21.30 uur) direct zou zijn overgeplaatst naar het Sophia-kinderziekenhuis te Rotterdam. Het is immers zeer wel denkbaar dat de cascade van gebeurtenissen irreversibel zou zijn geweest en dat zij uiteindelijk toch zou zijn overleden. Dit is echter niet met zekerheid te stellen zeker ook omdat de obductie ontbreekt. Het is de deskundigen niet duidelijk geworden uit het dossier om welke "praktische redenen" de obductie geen plaats heeft kunnen vinden.”

2.4. De deskundigen hebben vraag 3 als volgt beantwoord:

“Het is de deskundigen onmogelijk gebleken om uit de hen ter beschikking gestelde documenten met zekerheid vast te stellen dat de conditie van het kind slechter zou zijn geweest dan uit de documenten is gebleken.”

2.5. De hiervoor weergegeven antwoorden zijn door de deskundigen gegeven in hun deskundigenbericht van 9 oktober 2006. Bij de door de deskundigen in hun deskundigenbericht van 6 maart 2007 (kennelijk abusievelijk gedateerd op 6 maart 2006) gegeven reacties op de ontvangen vragen en opmerkingen van partijen, is geen wijziging op die antwoorden aangebracht, maar zijn die wel nader gemotiveerd. Die motivering zal voor zover nodig hierna worden weergegeven.

2.6. [eisers] stellen nader:

Uit de deskundigenberichten blijkt dat de Stichting en/of (één van) haar artsen niet zodanige zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mag worden verwacht. Het valt aan de Stichting te wijten dat de obductie niet heeft plaatsgevonden.

Met uitzondering van de derde en vierde alinea onder ten aanzien van 12 C en bij de eerste en derde gedachtestreep onder ten aanzien van 13 D en de twee laatste zinnen van punt 2, worden de opmerkingen van de deskundigen bij gebrek aan wetenschap betwist. [eisers] behouden zich het recht voor om met betrekking tot die opmerkingen tegenonderzoek te verzoeken.

Het oordeel van de deskundigen dat Erasmus en/of Merkus geen medische fouten hebben gemaakt wordt bestreden. Indien Simone in het Sophia Kinderziekenhuis zou zijn gebleven zou wel adequaat zijn opgetreden, immers was naar aanleiding van de lumbaalpunctie op 13 december 1999 overleg met een kinderneuroloog of kinderneurochirurg aangewezen. Dr. Catsman, bij wie Simone in behandeling was geweest, is kinderneurochirurg en bovendien bekend met de medische voorgeschiedenis van Simone. Dat geen obductie heeft plaatsgevonden valt aan Erasmus te wijten.

[eisers] hebben naar aanleiding van hetgeen is gebeurd psychisch letsel opgelopen dat niet valt onder rouwverwerking dan wel verder gaat dan rouwverwerking. [eisers] kunnen alleen aan de hand van een deskundigenbericht aantonen dat dit psychisch letsel te kwalificeren valt als shockschade en verzoeken een psychiater tot deskundige te benoemen en wanneer komt vast te staan dat sprake is van shockschade een deskundige te benoemen die de daardoor door [eisers] geleden materiële schade kan berekenen.

[eisers] vorderen een bedrag van € 100.000,-- als immateriële schadevergoeding, een bedrag van € 1.921,78 ter zake van kosten van de crematie van Simone en een bedrag van € 9.878,44 ter zake van buitengerechtelijke kosten.

2.7. Erasmus stelt nader:

Uit de deskundigenberichten blijkt dat de gang van zaken in het Sophia Kinderziekenhuis conform de gebruikelijke procedure is geweest, welke gebruikelijke procedure de deskundigen nader hebben omschreven in hun bericht van 6 maart 2007, en dat de deskundigen van mening zijn dat in het Sophia Kinderziekenhuis geen medische fouten zijn gemaakt. De door [eisers] naar aanleiding daarvan gemaakte opmerkingen doen daar niet aan af.

Om organisatorische redenen kon de obductie niet eerder plaatsvinden dan na twee dagen na het overlijden van Simone. [eisers] zelf hebben uiteindelijk afgezien van de obductie toen deze niet kon plaatsvinden binnen de door hen gewenste termijn.

2.8. de Stichting stelt nader:

Bestreden wordt dat de toestand van Simone op de avond van 14 december 1999 niet goed zou zijn ingeschat. De deskundigen hebben onvoldoende inzicht gekregen in de wijze waarop Yap tot haar bevindingen is gekomen. Voorts was het voornemen om overleg te plegen met een kinderneuroloog c.q. kinderneurochirurg c.q. Simone over te plaatsen naar een academisch kinderneurologische afdeling op de avond van 14 december 1999 aanwezig.

Uit de kritische opmerkingen in de deskundigenberichten kan niet de conclusie worden getrokken dat de betrokken artsen of één van hen, niet zouden hebben gehandeld met inachtneming van de zorgvuldigheid die van redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoten mocht worden verwacht. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat het handelen van (een van de betrokken) artsen of enig nalaten aan hun zijde tot een onomkeerbaar proces heeft geleid dat het overlijden van Simone tot het gevolg heeft gehad. Subsidiair geldt dat de mate van aansprakelijkheid niet meer kan bedragen dan de door het tekortschieten van de behandelend artsen ontnomen kans op een beter behandelresultaat, welke kans verwaarloosbaar klein moet worden ingeschat. Voor vergoeding van shockschade is geen plaats.

De declaraties die ter staving van de buitengerechtelijke kosten zijn overgelegd, zijn niet gespecificeerd, zodat niet kan worden beoordeeld of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets.

3. De verdere beoordeling

3.1. ten aanzien van Erasmus

3.1.1. In verband met de beantwoording van vraag 1 ten aanzien van de gestelde medische fout 10 A hebben de deskundigen – voor zover hier van belang – in hun bericht van 6 maart 2007 nog opgemerkt:

De gebruikelijke procedure bestaat hieruit dat door de intensivist wordt beoordeeld in hoeverre de aanwezigheid van het kind op de Intensive Care afdeling noodzakelijk is vanwege een verstoring van de vitale functies. Indien de vitale functies stabiel zijn en er zich geen tekenen voordoen dat deze op afzienbare tijd alsnog zullen deterioreren (de rechtbank leest: verslechteren), kan het kind naar een verpleegafdeling worden teruggeplaatst, hetzij in hetzelfde ziekenhuis hetzij in het verwijzend ziekenhuis. Het opvragen van het medisch dossier bij opname op een Intensive Care afdeling behoort in de acute fase niet tot de gebruikelijke procedure. (…) Bij verwijzing van het kind naar de Intensive Care wordt de relevante voorgeschiedenis in de verwijsbrief meegegeven. Op grond van die informatie kan verdere besluitvorming over al dan niet terugplaatsen geschieden.

3.1.2. Nu [eisers] de voormelde zienswijze van de deskundigen niet gemotiveerd hebben bestreden, Erasmus zich met die zienswijze verenigt en er niet gebleken is van een reden om aan de juistheid van die zienswijze te twijfelen, volgt de rechtbank de deskundigen daarin. Dit betekent dat de stelling van [eisers] dat Erasmus er voor had moeten zorgen dat Simone in het Sophia Kinderziekenhuis had kunnen blijven, als ongegrond verworpen dient te worden. Tevens dient het aanbod van [eisers] om te bewijzen dat ten tijde van de terugplaatsing voor Simone plaats was in het Sophia Kinderziekenhuis als niet relevant te worden gepasseerd, nu de deskundigen op dat punt geen voorbehoud hebben gemaakt. Voorts volgt uit de voormelde zienswijze dat de overige door [eisers] aangevoerde omstandigheden, zoals in het tussenvonnis van 3 augustus 2005 onder 10A vermeld, niet de stelling kunnen dragen dat bij de terugplaatsing van Simone naar het Albert Schweitzer Ziekenhuis op 11 december 1999 door Erasmus niet de zorgvuldigheid is betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mag worden verwacht. De ontwikkelingen na 11 december 1999 kunnen daaraan niet af doen, nu gesteld noch gebleken is dat op 11 december 1999 daarmee rekening gehouden kon en diende te worden.

3.1.3. Op grond van het vorenstaande volgt de rechtbank de deskundigen in hun oordeel dat bij de terugplaatsing van Simone naar het Albert Schweitzer Ziekenhuis op 11 december 1999 door Erasmus geen medische fouten zijn gemaakt. Niet gesteld is dat aan de zijde van Erasmus voorafgaand aan het overlijden van Simone andere medische fouten zijn begaan. De gestelde aansprakelijkheid van Erasmus voor dat overlijden en de schade die [eisers] daardoor lijden dient derhalve als ongegrond te worden verworpen. Dit is niet anders indien het aan Erasmus valt te wijten dat na het overlijden van Simone geen obductie heeft plaatsgevonden, omdat daaruit geen aansprakelijkheid voor haar overlijden en de daardoor geleden schade kan voortvloeien. Er behoeft dan ook niet te worden ingegaan op de vraag of het uitblijven van die obductie Erasmus valt toe te rekenen.

3.2. ten aanzien van de Stichting

3.2.1. De rechtbank volgt de deskundigen in hun zienswijze die is vervat in het hiervoor onder 2.2.2 vermelde antwoord, nu die zienswijze door [eisers] niet gemotiveerd is bestreden, de Stichting zich met die zienswijze verenigt en niet gebleken is van een reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Op grond daarvan kan uit het niet opvragen van het medisch dossier van Simone bij het Sophia Kinderziekenhuis niet worden afgeleid dat niet de zorgvuldigheid is betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mag worden verwacht.

3.2.2. Het antwoord van de deskundigen op vraag 1 ten aanzien van de gestelde medische fout 12 C houdt in dat zij van mening zijn dat Simone in de periode van 12 december 1999 tot 14 december 1999 21.30 uur niet teruggeplaatst had moeten worden, maar dat zij vanaf dat tijdstip daarover anders oordelen. Voorts zijn de deskundigen van mening dat in de periode van 12 tot en met 14 december de klinische toestand van Simone niet – zoals door de Stichting is aangevoerd – vooruit is gegaan, maar dat haar neurologische conditie duidelijk schommelde en dat de ontwikkeling in de klinische toestand van Simone op de avond van 14 december 1999 c.q. in de nacht van 14 op 15 december 1999 verkeerd is ingeschat.

3.2.3. Van [eisers] mag worden verwacht dat zij zich, al dan niet met behulp van derden, een oordeel vormen over de opmerkingen van de deskundigen en een betwisting van die opmerkingen motiveren. Aan hun betwisting bij gebrek aan wetenschap van de opmerkingen van de deskundigen die de periode voor 14 december 1999 21.30 uur betreffen, dient derhalve te worden voorbijgegaan. De Stichting heeft zich verenigd met de mening van de deskundigen dat Simone in de periode van 12 december 1999 tot 14 december 1999 21.30 uur niet teruggeplaatst had moeten worden. Ook op dit punt bestaat geen reden om aan de juistheid van de zienswijze van de deskundige te twijfelen, zodat de rechtbank de deskundigen daarin zal volgen.

3.2.4. Aan het overleg met een kinderneurologische c.q. kinderneurochirurgische afdeling in de regio dat de deskundigen bij de afwijkende bevindingen bij de lumbaalpunctie en het ontbreken van een oorzaak daarvoor aangewezen achten, is door de deskundigen geen termijn gebonden. Dat dit overleg vóór 14 december 1999 21.30 uur had dienen plaats te vinden, is ook niet door [eisers] met redenen omkleed, terwijl de deskundigen desondanks van mening blijven dat Simone in de periode van 12 tot en met 14 december 1999 ’s avonds 21.30 uur niet teruggeplaatst had moeten worden. Derhalve kan aan het feit alleen dat dit overleg op 14 december 1999 om 21.30 uur nog niet had plaatsgevonden niet de conclusie worden verbonden dat niet de zorgvuldigheid is betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mag worden verwacht.

3.2.5. [eisers] verenigen zich met de zienswijze van de deskundigen dat Simone op 14 december 1999 na 21.30 uur teruggeplaatst had dienen te worden naar het Sophia Kinderziekenhuis en dat de ontwikkeling in de klinische toestand van Simone op die avond c.q. in de nacht van 14 op 15 december 1999 verkeerd is ingeschat. De Stichting heeft onder overlegging van diverse producties die zienswijze bestreden. Om na te melden redenen blijft de inhoud van die producties buiten beschouwing.

3.2.6. Indien de voormelde zienswijze van de deskundigen juist is en vast komt te staan dat niet de zorgvuldigheid is betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mocht worden verwacht toen Simone op 14 december 1999 direct na 21.30 uur niet werd teruggeplaatst naar het Sophia Kinderziekenhuis, leidt dat niet zonder meer tot aansprakelijkheid van de Stichting, of één of meer van de aan de zijde van de Stichting betrokken artsen, voor het overlijden van Simone en de schade die [eisers] daardoor lijden. Die aansprakelijkheid bestaat slechts wanneer komt vast te staan dat Simone door dat nalaten is overleden. Dit betekent dat vastgesteld zal moeten worden dat Simone niet zou zijn overleden indien zij op 14 december 1999 direct na 21.30 uur zou zijn teruggeplaatst naar het Sophia Kinderziekenhuis.

3.2.7. Uit hun antwoord op vraag 2, zoals weergegeven in 2.3, blijkt dat de deskundigen van mening zijn dat het onmogelijk is om vast te stellen of Simone niet zou zijn overleden indien zij op 14 december 1999 21.30 uur direct zou zijn overgeplaatst naar het Sophia Kinderziekenhuis. De rechtbank volgt de deskundigen in deze zienswijze nu [eisers] noch de Stichting die zienswijze hebben bestreden en geen reden bestaat om aan de juistheid daarvan te twijfelen.

3.2.8. Als reden voor het niet plaatsvinden van de obductie hebben [eisers] aangevoerd dat hun door het Sophia Kinderziekenhuis is meegedeeld dat het minstens twee dagen zou duren voordat een obductie kon worden uitgevoerd. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan niet worden ingezien dat die omstandigheid de Stichting, of één of meer aan de zijde van de Stichting betrokken artsen kan worden toegerekend. De betwiste stelling van [eisers] dat het niet plaatsvinden van de obductie aan de Stichting valt te wijten, dient derhalve als onvoldoende gemotiveerd te worden verworpen.

3.2.9. Op grond van het vorenstaande kan, ook in het geval dat komt vast te staan dat niet de zorgvuldigheid is betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mag worden verwacht toen werd nagelaten Simone op 14 december 1999 na 21.30 uur terug te plaatsen naar het Sophia Kinderziekenhuis, geen aansprakelijkheid van de Stichting, of één of meer aan de zijde van de Stichting betrokken artsen, voor het overlijden van Simone en schade die [eisers] daardoor lijden aangenomen worden.

3.2.10. Aan het leveren van bewijs van de door [eisers] gestelde en door de Stichting betwiste slechtere conditie van Simone wordt niet toegekomen, nu de deskundigen zijn uitgegaan van een slechtere conditie van Simone dan door de Stichting is erkend en door [eisers] niet is gesteld dat de conditie van Simone slechter was dan de deskundigen bij hun beoordeling tot uitgangspunt hebben genomen.

ten aanzien van Erasmus en de Stichting

3.3. Onder de voormelde omstandigheden is het antwoord van de deskundigen op vraag 3 niet ter zake dienend en behoeft daarop niet te worden ingegaan.

3.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eisers] afgewezen dienen te worden. Dit oordeel is niet gebaseerd op de door de Stichting bij conclusie na deskundigenbericht overgelegde producties, zodat de afwijzing van de vorderingen kan plaatsvinden zonder dat [eisers] in de gelegenheid is gesteld zich over die producties uit te laten.

3.5. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Stichting en Erasmus worden voor elk begroot op:

- vast recht € 205,00

- salaris procureur 1.356,00 (3,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.561,00

Overeenkomstig de daartoe strekkende vordering van Erasmus zal de veroordeling in haar proceskosten uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de Stichting en Erasmus tot op heden voor elk vastgesteld op € 1.561,00;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordeling in de proceskosten van Erasmus uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W. van Baal, mr. I. Bouter en mr. J. Visser en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2008.?