Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BC9929

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
21-04-2008
Zaaknummer
70356 / HA ZA 07-2353
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

T.a.v op schending van relatiebeding gebaseerde vordering is niet voldaan aan stelplicht. Geen ambtshalve verwijzing naar sector Kanton. Oneerlijke werknemersconcurrentie. Ook afbreuk van bedrijfsdebiet indien werknemers worden benadeeld en bewogen om bij concurrent te gaan werken en daardoor de middelen van het bedrijf om omzet te creëren, welke niet eenvoudig zijn te vervangen, worden verminderd. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0289
RAR 2008, 91

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 70356 / HA ZA 07-2353

vonnis van de enkelvoudige kamer van 16 april 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ETB VOS B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres,

procureur: mr. F.A. van Kasteele,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Sliedrecht

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TES ELEKTROTECHNIEK B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagden,

procureur: mr. P.F. van den Brink.

Partijen worden hieronder aangeduid als ETB, [gedaagde 1] en TES.

1. Het procesverloop

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 december 2007 en de daarin genoemde stukken,

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 5 maart 2008.

2. De feiten

2.1. ETB en TES zijn elektrotechnische installatiebedrijven. In november 2006 is TES zich op de woningbouwmarkt gaan richten, op welke markt ETB al langere tijd werkzaam is.

2.2. [gedaagde 1] is als titulair directeur woningbouw bij ETB in dienst geweest, in welke hoedanigheid hij leiding gaf aan ongeveer 40 werknemers.

2.3. De arbeidsovereenkomst tussen ETB en [gedaagde 1] bevat geen non-concurrentiebeding. Artikel 9 van die overeenkomst (verder: het relatiebeding) – voor zover hier van belang – luidt:

“Na het einde van het dienstverband zal voor werknemer een zgn. relatiebeding gelden dat inhoudt dat het werknemer gedurende zes maanden na het einde van het dienstverband niet is toegestaan in welk vorm dan ook activiteiten te verrichten voor relaties van werkgeefster of daarbij betrokken te zijn in welke vorm dan ook. (…) Bij het einde van het dienstverband zullen partijen een lijst opmaken van relaties waar op het relatiebeding van toepassing is. In geval van overtreding van het relatiebeding is werknemer aan werkgeefster een direct opeisbare, niet voor matiging vatbare boete verschuldigd van € 50.000 per keer en € 5.000 voor elke dag dat de overtreding voortduurt. In geval partijen geen overeenstemming over de op te maken lijst van relaties van werkgeefster kunnen bereiken waarop het beding van toepassing zal zijn, zal werkgeefster zelf de lijst samenstellen en aan werknemer ter hand stellen.”

2.4. Op 25 oktober 2006 heeft [gedaagde 1] zijn dienstbetrekking bij ETB opgezegd, waarna deze met wederzijds goedvinden per 31 december 2006 is geëindigd.

2.5. Per 2 januari 2007 is [gedaagde 1] bij TES in dienst getreden als directeur van de divisie woningbouw.

2.6. Na de opzegging van [gedaagde 1] hebben ten minste twintig medewerkers van de afdeling woningbouw van ETB hun dienstbetrekking opgezegd. Van deze medewerkers zijn er ten minste tien bij TES in dienst getreden.

2.7. Bij brief van 27 januari 2007 heeft ETB [gedaagde 1] een lijst van de door hem te respecteren relaties van ETB toegezonden.

2.8. Ter verzekering van verhaal van haar vordering op [gedaagde 1] heeft ETB op 12 april 2007 conservatoir beslag doen leggen op de woning van [gedaagde 1], staande en gelegen aan de [adres] te Sliedrecht.

3. Het geschil

3.1. ETB vordert – samengevat – bij vonnis:

a) voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] en TES onrechtmatig jegens ETB hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door ETB geleden en te lijden schade;

b) [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van de in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst met ETB genoemde boete van € 50.000, te vermeerderen met wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de voldoening;

c) [gedaagde 1] en TES hoofdelijk te veroordelen – des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd – tot vergoeding van de door ETB aldus geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

d) [gedaagde 1] en TES te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten van het beslag.

Zij stelt daartoe het volgende.

3.1.1. [gedaagde 1] heeft onrechtmatig jegens ETB gehandeld door:

a. al dan niet in samenwerking met TES, tijdens zijn dienstverband met ETB en daarna stelselmatig en substantieel medewerkers van de afdeling woningbouw van ETB, welke [gedaagde 1] selecteerde op hun kwaliteiten, te benaderen en te bewegen om bij TES in dienst te treden, waardoor ETB een belangrijk deel van de know how van de afdeling woningbouw kwijtraakte, en

b. ETB mee te delen dat hij een aantal relaties op de door ETB aan hem toegezonden lijst als de zijne beschouwde en relaties van ETB te benaderen met het voorstel om, wanneer ETB niet bereid was werken voor die relaties uit te voeren, die werken door TES te laten maken, en

c. na de opzegging van zijn dienstverband met ETB onder derden negatieve, onware en denigrerende mededelingen over ETB te verspreiden.

3.1.2. Tevens heeft [gedaagde 1] daarmee in strijd gehandeld met artikel 9 van zijn arbeidsovereenkomst met ETB en de daarin opgenomen boete verbeurd.

3.1.3. TES heeft onrechtmatig jegens ETB gehandeld door gebruik te maken van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] in de wetenschap dat deze zich schuldig maakt aan onrechtmatige werknemersconcurrentie.

3.1.4. ETB heeft door voormeld onrechtmatig handelen schade geleden, bestaande uit kosten van inleenkrachten, kosten van afkoop van leaseovereenkomsten, kosten van verbetering arbeidsvoorwaarden ten einde personeelsleden te behouden, extra en onvoorziene wervingskosten en een slechtere kostendekking van de afdeling woningbouw. [gedaagde 1] en TES zijn hoofdelijk aansprakelijk voor die schade.

3.2. De conclusie van [gedaagde 1] en TES strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van ETB in de kosten van het geding. Zij voeren als verweer het volgende aan.

3.2.1. Betwist wordt dat [gedaagde 1] de gestelde onrechtmatige handelingen heeft verricht en/of het relatiebeding heeft geschonden. Voorts zijn er geen relaties van ETB door TES afgenomen, zodat geen sprake is van afbreuk van het bedrijfsdebiet, hetgeen vereist is voor onrechtmatige werknemersconcurrentie.

3.2.2. Betwist wordt dat de door ETB gestelde schadeposten voortvloeien uit het gestelde onrechtmatig handelen. De volgens ETB geschonden norm strekt ook niet tot bescherming tegen dergelijke schade. Voorts wordt de gestelde omvang van de schade betwist.

4. De beoordeling

Het relatiebeding

4.1. ETB heeft tegenover de betwisting van [gedaagde 1] haar stelling dat hij het relatiebeding heeft geschonden niet geconcretiseerd met relaties waarvoor [gedaagde 1] binnen zes maanden na het einde van het dienstverband activiteiten zou hebben verricht. Aldus heeft ETB ten aanzien van de uit hoofde van het relatiebeding gevorderde boete onvoldoende gesteld waardoor zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan, zodat deze vordering voor afwijzing gereed ligt en de situatie, dat deze zaak op grond van artikel 71 Rv juncto artikelen 93 sub c en 94 lid 2 Rv. ambtshalve naar de sector kanton zou moeten worden verwezen, zich niet voordoet. Verwijzing zou immers strijdig zijn met de strekking van art. 71 Rv. om in zaken bij de rechtbank verwijzingen, die door de daarmee gemoeide vertraging en kosten zowel voor partijen als voor de rechtspleging als zodanig zeer bezwaarlijk zijn, zoveel mogelijk te beperken en daarmee de doelmatigheid van de procesvoering te bevorderen. Dit geldt te meer nu genoemde artikelen niet van toepassing zijn op de zaak tegen TES.

Onrechtmatig handelen van [gedaagde 1]

4.2. Een ex-werknemer die niet aan een concurrentiebeding, maar wel aan een relatiebeding is gebonden, staat het in beginsel vrij om zijn ex-werkgever, met inachtneming van het relatiebeding, concurrentie aan te doen en daarbij gebruik te maken van de kennis, ervaring en persoonlijke goodwill die hij in dienst van de ex-werkgever heeft opgedaan. De wijze waarop door een ex-werknemer concurrentie wordt aangedaan kan afhankelijk van de omstandigheden van het geval echter wel onrechtmatig handelen opleveren. Onrechtmatig is het op stelselmatige en substantiële wijze afbreken van het duurzaam bedrijfsdebiet van de ex-werkgever, dat de werknemer in zijn voormalige dienstbetrekking heeft helpen opbouwen, door de relaties – waarmee de ex-werknemer tijdens dat dienstverband een relatie heeft ontwikkeld – of personeelsleden van de ex-werkgever af te nemen met behulp van speciale kennis die de ex-werknemer van of bij de ex-werkgever heeft verkregen. Daarnaast kunnen omstandigheden, zoals het reeds tijdens het dienstverband beginnen met concurrerende activiteiten of het doen van ongunstige uitlatingen over het bedrijf van de ex-werkgever, het handelen van de ex-werknemer onrechtmatig maken.

4.3. Ter zake de door [gedaagde 1] tegenover derden negatieve, onjuiste en denigrerende gedane uitlatingen over ETB, heeft ETB niet meer of anders gesteld dan dat [gedaagde 1] tijdens een procedure voor de rechtbank Utrecht tegenover de wederpartij heeft verteld dat ETB in betalingsmoeilijkheden verkeerde met als gevolg dat deze ten laste van ETB conservatoir derdenbeslag heeft doen leggen. [gedaagde 1] heeft die stelling gemotiveerd bestreden en ter weerlegging daarvan een aan de Orde van Advocaten gerichte brief van de raadsvrouwe van de betreffende wederpartij, mr. M. Vukovic, d.d. 23 april 2007 overgelegd, waarin deze te kennen geeft dat zij noch haar cliënte van [gedaagde 1] hebben vernomen dat ETB in financiële moeilijkheden verkeerde. Hier tegenover is de door ETB overgelegde correspondentie tussen haar raadsman en genoemde raadsvrouwe d.d. 30 januari 2007 en 19 februari 2007, ontoereikend om van de juistheid van ETB’s stelling te kunnen uitgegaan. Uit die correspondentie valt immers niet meer af te leiden dan dat de vorenbedoelde informatie is verkregen van een ex-werknemer van ETB en dat het vertrek van [gedaagde 1] bij ETB ook een rol heeft gespeeld. Nader bewijs voor de onderhavige stellingen is niet door ETB aangeboden, zodat deze verworpen dienen te worden.

4.4. Uit hetgeen onder 4.2 is overwogen volgt reeds dat de mededeling van [gedaagde 1] aan ETB, dat hij een aantal van de door ETB opgegeven relaties als de zijne beschouwt, en het door ETB gestelde maar door [gedaagde 1] betwiste, benaderen van relaties van ETB door [gedaagde 1] afzonderlijk noch tezamen onrechtmatig jegens ETB is. Niet gesteld is dat [gedaagde 1], al dan niet ten gunste van TES, relaties van ETB heeft afgenomen.

4.5. Van afbreuk van het debiet van een bedrijf is ook sprake indien werknemers van het bedrijf worden benaderd en bewogen om bij een concurrent te gaan werken en daardoor de middelen van het bedrijf om omzet te creëren, welke niet eenvoudig zijn te vervangen, worden verminderd. De stelling van ETB dat zij door de gestelde gedragingen een belangrijk deel van haar know how is kwijtgeraakt, dient in deze zin te worden opgevat, te meer nu, zoals ook uit de eigen verklaring van TES volgt, in de onderhavige periode sprake was van arbeidskrapte. De omstandigheid dat, zoals [gedaagde 1] heeft aangevoerd, ETB niet heeft gesteld dat TES relaties van haar heeft afgenomen, doet er derhalve niet aan af dat ETB de afbreuk van haar bedrijfsdebiet op zichzelf voldoende heeft onderbouwd. Indien ETB de afbreuk van haar bedrijfsdebiet heeft weten te herstellen zonder relaties te verliezen, neemt dat de onrechtmatigheid van vorenbedoelde gedragingen niet weg.

4.6. [gedaagde 1] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd bestreden dat hij zijn kennis over de kwaliteiten van de medewerkers van de afdeling woningbouw van ETB gedurende zijn dienstverband met ETB heeft verkregen.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] indien:

- hij tijdens en/of na zijn dienstverband met ETB stelselmatig medewerkers van de afdeling woningbouw van ETB heeft benaderd en bewogen om bij TES in dienst te treden,

- hij de betreffende medewerkers selecteerde op hun kwaliteiten, en

- daardoor middelen van ETB om omzet te creëren, welke niet eenvoudig zijn te vervangen, substantieel werden verminderd.

ETB zal dat echter dienen te bewijzen, aangezien [gedaagde 1] zulks voldoende gemotiveerd heeft betwist.

Onrechtmatig handelen TES

4.8. Indien [gedaagde 1], zoals ETB stelt, voormelde handelingen in samenwerking met TES heeft verricht, is daarmee gegeven dat TES zich bewust heeft bediend van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] jegens ETB om daar voordeel van te trekken. Dergelijk handelen van een concurrent is in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt en derhalve onrechtmatig jegens ETB. Nu de onderhavige stelling voldoende gemotiveerd door TES is bestreden, zal ETB bewijs daarvan dienen te leveren.

4.9. Andere feiten of omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat TES bewust heeft geprofiteerd van het gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] zijn niet gesteld, zodat die stelling verworpen dient te worden indien ETB er niet in slaagt te bewijzen dat [gedaagde 1] de onder 4.8 vermelde handelingen in samenwerking met TES heeft verricht.

Tot slot

4.10. Op grond van het vorenstaande ligt vordering sub b voor afwijzing gereed.

4.11. Gelet op het daartoe strekkende bewijsaanbod van ETB zal zij worden toegelaten tot de levering van het onder 4.7 en 4.8 bedoelde bewijs, zoals hierna vermeld. Indien ETB niet in dat bewijs slaagt, zullen haar resterende vorderingen eveneens afgewezen dienen te worden. Indien zij wel daarin slaagt, zijn [gedaagde 1] en TES hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die ETB door vorenbedoelde onrechtmatige gedragingen heeft geleden. Indien ETB slechts in het onder 4.8 bedoelde bewijs slaagt, zullen de vorderingen tegen TES afgewezen dienen te worden en zal alleen [gedaagde 1] voor vorenbedoelde schade aansprakelijk zijn.

4.12. ETB heeft slechts ten aanzien van de gestelde slechtere kostendekking aangevoerd dat deze niet nog kan worden begroot en wel omdat de omvang daarvan pas na afloop van het boekjaar (de rechtbank leest het boekjaar 2007) precies kan worden berekend. Nu dat boekjaar is verstreken, komt het voor dat de schade in deze procedure kan worden vastgesteld. Partijen zullen derhalve in de gelegenheid worden gesteld na de bewijsvoering zich nader over de schade en de daartegen gevoerde verweren uit te laten. ETB zal daarbij haar schade nader dienen te specificeren en bescheiden waarover zij bezit die haar schade onderbouwen in het geding dienen te brengen.

5. De beslissing

De rechtbank:

draagt ETB op te bewijzen, desgewenst door middel van getuigen, dat:

[gedaagde 1] hetzij in samenwerking met TES, hetzij alleen:

- tijdens en/of na zijn dienstverband met ETB stelselmatig medewerkers van de afdeling woningbouw van ETB heeft benaderd en bewogen om bij TES in dienst te treden, en

- de betreffende medewerkers selecteerde op hun kwaliteiten, en

- dat daardoor middelen van ETB om omzet te creëren, welke niet eenvoudig zijn te vervangen, substantieel werden verminderd.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 7 mei 2008 om ETB in de gelegenheid te stellen alsdan

bij akte bewijsstukken over te leggen

en/of

de namen en woonplaatsen van de voor te brengen getuigen op te geven en de verhinderdata van die getuigen en van beide partijen en hun raadslieden in de daaropvolgende vier maanden mede te delen;

bepaalt dat het eventuele getuigenverhoor zal worden gehouden voor mr. J.W. Langeler, die daartoe zal overgaan op een nader te bepalen datum en tijdstip in het gebouw van de rechtbank aan het Steegoversloot 36 te Dordrecht;

houdt elke nadere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Langeler en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 16 april 2008 door de rolrechter mr. J.C. Halk, die – wegens afwezigheid van mr. Langeler voornoemd – tevens dit vonnis heeft ondertekend