Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BC7567

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
11/500687-07; 11/500596-07 (ttz.gev.); 11/712580-07 (ttz.gev.); TUL : 11/710333-06 en 22/002011-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 45-jarige man tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden vanwege het bedreigen van een politieambtenaar en een medewerker van het Leger des Heils en voor het in het openbaar beledigen van de Koningin van Nederland en meerdere politieambtenaren. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de poging tot bedreiging van de Koningin van Nederland.

De rechtbank wijst voorts een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders af, omdat bij tenuitvoerlegging van die maatregel de feitelijke situatie van de onverenigbare combinatie van straf naast de maatregel als bedoeld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht zal ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 105

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummers : 11/500687-07; 11/500596-07 (ttz.gev.); 11/712580-07 (ttz.gev.);

Parketnummers TUL : 11/710333-06 en 22/002011-07

Zittingsdatum : 11 maart 2008

Uitspraak : 25 maart 2008

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1963,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie De Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat

Onder parketnummer 11/500687-07:

1.

hij op of omstreeks 18 december 2007 te Dordrecht [slachtoffer 1] (brigadier van politie Zuid-Holland-Zuid), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met enig misdrijf waardoor

gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen ontstaat, immers heeft verdachte opzettelijk met zijn handen in een zogenaamde bokshouding voor voornoemde [slachtoffer 1] gestaan en/of (daarbij) deze dreigend de

woorden toegevoegd :"Wie gaat mij aanhouden, kom maar op, ik maak je kapot, ik maak je dood, je weet niet met wie je te maken hebt" en/of "Ik pak je, ik laat je in elkaar slaan door mijn vrienden, wacht maar tot ik morgen weer vrij ben

dan pak ik je, je weet niet met wie je te maken hebt, ik pak je pistool" en/of dat hij eerst de kinderen en vervolgens de vrouw van voornoemde[slachtoffer 1] zou vermoorden en als laatste zou hij voornoemde[slachtoffer 1] vermoorden en/of dat hij

de auto van voornoemde[slachtoffer 1] zou vernielen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 03 december 2007 te Dordrecht [slachtoffer 2] (groepsmedewerker van het Leger des Heils) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, wijzende naar voornoemde [slachtoffer 2], snijbewegingen met zijn hand langs zijn keel gemaakt en/of schietbewegingen met zijn (beide) hand(en) naar voornoemde [slachtoffer 2] gemaakt en/of (daarbij)

deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je kapot maken, kom naar buiten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

onder parketnummer 11/500596-07:

1.

hij op of omstreeks 7 november 2007 te Dordrecht, ter uitvoering van zijn voornemen en het misdrijf om de Koningin van Nederland te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, opzettelijk dreigend op de openbare weg, de Sisarijs of Sarisgang heeft geroepen: dat hij de Koningin van Nederland een kogel door heer kankerkop zou schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 7 november 2007 te Dordrecht opzettelijk de koningin in het openbaar mondeling heeft beledigd, door op de openbare weg, de Sisarijs of Sarisgang te roepen dat de Koningin van Nederland een kankerhoer was, althans

woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 07 november 2007 te Dordrecht opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5], agent(en) van politie Zuid-Holland Zuid, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, namelijk tijdens algemene surveillance in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Jullie zijn kankerhoeren", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

onder parketnummer 11/ 712580-07

hij op of omstreeks 30 oktober 2007 te Dordrecht opzettelijk beledigend (een) ambtenaar, te weten [slachtoffer 4], agent van politie Zuid-Holland Zuid, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, namelijk tijdens de surveillancedienst in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Daar! Die vuile vieze kankergek!" en/of "Vuile kankerschorem", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaardingen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen aan alle wettelijke eisen voldoen en dus geldig zijn.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 van parketnummer 11/500596-07 vrijspraak gevorderd en ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten –die zij bewezen acht – gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer ten aanzien van feit 1 van parketnummer 11/500596-07 gevoerd en daarnaast een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen dat aan de verdachte onder feit 1 van parketnummer 11/500596-07 is ten laste gelegd.

Verdachte heeft naar eigen zeggen onder invloed van alcohol zijn frustratie geuit naar enkele politieagenten en daarbij geroepen dat hij “de Koningin van Nederland een kogel door haar kankerkop zou schieten”. Het proces-verbaal van bevindingen (kenmerk PL 1810/07-126715) d.d. 8 november 2007 vermeldt dat verdachte verkeerde in kennelijke staat van dronkenschap. De rechtbank acht op grond van deze omstandigheden niet bewezen dat bij de Koningin of enig ander weldenkend mens de vrees zou kunnen ontstaan voor een min of meer ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, indien en voorzover de woorden van verdachte betrokkene hadden bereikt.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat feit.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

onder parketnummer 11/500687-07:

1.

op 18 december 2007 te Dordrecht [slachtoffer 1] (brigadier van politie Zuid-Holland-Zuid), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk met zijn handen in een zogenaamde bokshouding voor voornoemde [slachtoffer 1] gestaan en deze dreigend de woorden toegevoegd :"Wie gaat mij aanhouden, kom maar op, ik maak je kapot, ik maak je dood, je weet niet met wie je te maken hebt" en "Ik pak je, ik laat je in elkaar slaan door mijn vrienden, wacht maar tot ik morgen weer vrij ben dan pak ik je, je weet niet met wie je te maken hebt, ik pak je pistool;

2.

op 03 december 2007 te Dordrecht [slachtoffer 2] (groepsmedewerker van het Leger des Heils) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, wijzende naar voornoemde [slachtoffer 2],

snijbewegingen met zijn hand langs zijn keel gemaakt enschietbewegingen met zijn beide handen naar voornoemde [slachtoffer 2] gemaakt en deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je kapot maken, kom naar buiten",

onder parketnummer 11/500596-07

2.

op 7 november 2007 te Dordrecht opzettelijk de koningin in het openbaar mondeling heeft beledigd, door op de openbare weg, de Sisarijs of Sarisgang te roepen dat de Koningin van Nederland een kankerhoer was

3.

op 07 november 2007 te Dordrecht opzettelijk beledigend ambtenaar, te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5], agenten van

politie Zuid-Holland Zuid, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, namelijk tijdens algemene surveillance in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “Jullie zijn kankerhoeren”

onder parketnummer 11/ 712580-07

op 30 oktober 2007 te Dordrecht opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4], agent van politie Zuid-Holland Zuid, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, namelijk tijdens de surveillancedienst in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Daar! Die vuile vieze kankergek!" en "Vuile kankerschorem"

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 Nadere bewijsoverweging

Verdachte heeft op 18 december 2007 bedreigende woorden aan het adres van brigadier[slachtoffer 1] geuit tegen deze [slachtoffer 1] en tegen de verbalisanten [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7].

Tegen laatstgenoemden zei hij dat hij eerst de kinderen en vervolgens de vrouw van voornoemde[slachtoffer 1] zou vermoorden en dat hij [slachtoffer 1] zou vermoorden en diens auto vernielen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat verdachte deze dreigende woorden aan die [slachtoffer 1]heeft toegevoegd zoals in de tenlastelegging is opgenomen zodat verdachte in zoverre dient te worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

onder parketnummer 11/500687-07

1.

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT;

2.

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT;

onder parketnummer 11/500596-07

2.

OPZETTELIJKE BELEDIGING VAN DE KONING;

3.

EENVOUDIGE BELEDIGING, TERWIJL DE BELEDIGING WORDT AANGEDAAN AAN EEN AMBTENAAR GEDURENDE DE RECHTMATIGE UITOEFENING VAN ZIJN BEDIENING, MEERMALEN GEPLEEGD;

onder parketnummer 11/712580-07

EENVOUDIGE BELEDIGING, TERWIJL DE BELEDIGING WORDT AANGEDAAN AAN EEN AMBTENAAR GEDURENDE DE RECHTMATIGE UITOEFENING VAN ZIJN BEDIENING.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich onder invloed van alcoholhoudende drank schuldig gemaakt aan bedreigingen tegen het leven gericht van een politieambtenaar en een groepsmedewerker van het Leger des Heils. Voorts heeft hij de Koningin van Nederland en meerdere politieambtenaren in het openbaar beledigd.

De rechtbank rekent de verdachte met name de door hem geuite bedreigingen met de dood zwaar aan. Deze zijn door de slachtoffers als serieus en angstaanjagend ervaren. Dergelijke bedreigingen kunnen bijdragen aan de binnen de betreffende beroepsgroepen levende gevoelens van het lopen van daadwerkelijke risico's ten tijde van het uitvoeren van hun taken.

Ten aanzien van de bedreiging van de groepswerker van het Leger des Heils heeft de verdachte aangegeven dat hij in een voor hem wanhopige situatie verkeerde, omdat hij geen postadres en daardoor geen uitkering had. Dit neemt niet weg dat het afdwingen van hulp door middel van dreigende taal en dreigend gedrag binnen de maatschappij niet getolereerd kan worden.

Door de Koningin te beledigen heeft verdachte op platvloerse wijze een inbreuk gemaakt op haar waardigheid en het staatsbelang waarmee haar positie is verbonden.

Voorts vormen de door verdachte gepleegde beledigingen en bedreiging aan het adres van de betrokken politieambtenaren een ernstige inbreuk op en ondermijning van het respect dat ten aanzien van ambtenaren die hun publieke taken verrichten, dient te worden opgebracht.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte vele malen eerder veroordeeld is terzake van delicten waarbij geweld een rol speelde en dat hij binnen de regio Zuid-Holland-Zuid de status van veelpleger heeft. Uit de stukken blijkt dat verdachte onder invloed van alcohol de maatschappij veel overlast bezorgt.

Voorts rekent de rechtbank verdachte aan dat hij de feiten heeft gepleegd kort nadat hij een langdurige detentiestraf had uitgezeten en terwijl hij nog in de proeftijd liep van twee eerdere veroordelingen.

De rechtbank is van oordeel dat met name vanwege de documentatie van verdachte op deze feiten gereageerd dient te worden met een gevangenisstraf van langere duur dan gebruikelijkerwijs voor dit soort feiten wordt opgelegd.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

8. De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Verdachte is door de politierechter in de rechtbank Dordrecht bij onherroepelijk geworden vonnis van 31 mei 2006 onder parketnummer 11/710333-06 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, waarvan vier weken voorwaardelijk met bepaling dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde voor het einde van een op twee jaar gestelde proeftijd zich aan een strafbaar feit schuldig maakt of de gestelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk oplegde straf gevorderd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, heeft veroordeelde de algemene voorwaarde niet nageleefd.

De rechtbank ziet daarin -gelet op de aard en de ernst van deze feiten- aanleiding om de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke veroordeling te gelasten.

Verdachte is daarnaast door het gerechtshof te ’s-Gravenhage bij onherroepelijk geworden arrest van 28 september 2007 onder parketnummer 22/002011-07 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van éénentwintig maanden en de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren, met bepaling, dat deze maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de gestelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

De officier van justitie heeft tevens de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk oplegde maatregel gevorderd.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

De rechtbank is echter van oordeel dat er gelet op wetsgeschiedenis en de uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2006 (LJN AV1161) geen rechtsgrond aanwezig is de voorwaardelijk opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders ten uitvoer te doen leggen, nu door het gerechtshof ’s-Gravenhage tevens een gevangenisstraf is opgelegd.

Uit de uitspraak van de Hoge Raad blijkt ondubbelzinnig dat deze maatregel niet kan worden opgelegd in combinatie met een straf. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen ingeval de maatregel onvoorwaardelijk wordt opgelegd, maar evenzeer voor het geval de maatregel voorwaardelijk wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat bij tenuitvoerlegging van die maatregel de feitelijke situatie van de onverenigbare combinatie van straf naast de maatregel als bedoeld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht zal ontstaan.

Reden waarom de rechtbank de vordering van de officier van justitie zal afwijzen.

9. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 57, 111, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 11/500596-07 onder 1. ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VIER (4) MAANDEN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuit¬voerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst toe de vordering van de officier van justitie te Dordrecht d.d. 7 januari 2008, strekkende tot gehele tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Dordrecht d.d. 31 mei 2006, parketnummer 11/710333-06, voorwaardelijk opgelegde straf en gelast een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VIER (4) WEKEN;

wijst af de vordering van de officier van justitie te Dordrecht d.d. 5 februari 2008,

strekkende tot gehele tenuitvoerlegging van de bij het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage d.d. 28 september 2007, parketnummer 22/002011-07, voorwaardelijk opgelegde maatregel.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.R. Roukema, voorzitter,

mr. G.A.J.M. van Vugt en mr. E. van Schouten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Berke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 maart 2008.

(Mr. G.A.J.M. van Vugt is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.)