Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BC6667

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
11-500594-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 36-jarige man veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van mishandeling van zijn vrouw en zoon. Uit het dossier blijkt van die laatste feiten onvoldoende om tot bewijs te komen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij in zijn huis op dreigende wijze met een schaar vlak voor zijn vrouw en zoon is gaan staan en gezegd heeft dat hij zijn schoonouders zou afmaken. De rechtbank houdt bij de strafmaat rekening met het ontbreken van een strafblad en met de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een werkstraf niet aangewezen, waarbij zij in aanmerking neemt dat verdachte van twee feiten wordt vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 11/500594-07

Zittingsdatum : 28 februari 2008

Uitspraak : 13 maart 2008

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1971,

wonende te [adres en woonplaats

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 05 november 2007 te Nieuw-Lekkerland [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- een schaar getoond aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

- die schaar in de lucht heeft gehouden en/of met die schaar een beweging heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

- (daarbij) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga naar je ouders toe en maak ze af." en/of "Ik maak je af.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2001 tot en met 5 november 2007 te Nieuw-Lekkerland en/of elders in Nederland, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1], zijnde zijn, verdachtes, echtgenote, meermalen, althans eenmaal, (tegen haar gezicht) heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omsteeks de periode van 01 november 1999 tot en met 5 november 2007 te Nieuw-Lekkerland en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2], zijnde zijn, verdachtes kind, meermalen, althans eenmaal, (tegen zijn lichaam) heeft geslagen en/of gestompt en/of bij zijn keel heeft gepakt en/of tegen de muur geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 158 dagen voorwaardelijk, met aftrek, met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering en daarnaast tot onvoorwaardelijke werkstraf voor 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

4. De bewijsbeslissingen

4.1De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte onder 2. en 3. ten laste is gelegd.

Met betrekking tot beide feiten overweegt de rechtbank, dat deze mishandelingen volgens de tenlastelegging in een lange periode (respectievelijk 1 december 2001 tot en met 5 november 2007, en 1 november 1999 tot en met 5 november 2007) meermalen dan wel een maal zouden zijn gepleegd. De rechtbank heeft uit de processen-verbaal, noch uit het verhandelde ter terechtzitting de overtuiging gekregen dat de aard van de interactie tijdens de onenigheden tussen verdachte en respectievelijk diens vrouw en zoon dusdanig was dat deze mishandeling in de zin van artikel 300 Wetboek van Strafrecht opleverde. Wat zich precies aan onenigheden heeft voorgedaan is onvoldoende komen vast te staan op grond van de inhoud van het strafdossier en de behandeling ter terechtzitting.

Ten overvloede overweegt de rechtbank ten aanzien van feit 2., dat verdachte dit feit bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft ontkend en zich daarover tegenover de politie slechts zeer vaag heeft uitgelaten. De vrouw van verdachte heeft verklaard in een periode van ongeveer zes jaar misschien acht tot tien maal in totaal te zijn geslagen door verdachte, maar zij heeft ook verklaard dat zij zelf verdachte wel heeft teruggeslagen. Het dossier bevat geen specifieke informatie omtrent de momenten van de vermeende mishandelingen. Naast de verklaring van de vrouw van de verdachte en de verklaring van verdachte dat er wel eens over en weer klappen vielen, is er in het dossier geen enkel bewijsmiddel te vinden om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De verklaringen van de zoon kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet tot het bewijs bijdragen; deze hebben niet betrekking op een feit dat hij zelf kan hebben waargenomen.

De rechtbank overweegt ten overvloede met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde het volgende. Verdachte heeft ter terechtzitting en ook bij de politie verklaard dat hij wel eens te ruig met zijn zoon heeft gespeeld in de aangegeven periode (zo zou hij hem wel eens bij dat spelen bij de keel hebben gepakt en tegen de muur hebben gedrukt, om een filmsituatie na te bootsen) maar dat het nooit zijn intentie is geweest zijn zoon pijn te doen. Van enig letsel bij de zoon is ook niet gebleken; in het proces-verbaal waarbij gewag wordt gemaakt van een gesprek tussen de zoon en diens klassedocente staat expliciet dat door de school nooit enige blauwe plekken zijn geconstateerd. De vrouw van verdachte heeft verklaard dat zij verdachte zijn zoon over de gehele periode van acht jaar misschien vier keer heeft zien slaan, maar ook zij had enige twijfels hierover en bracht dit ook wel in verband met ruw spelen. Het studioverhoor bij de politie van de zoon op 12 november 2007 tenslotte betreft overigens alleen het onder 2. ten laste gelegde feit; nergens is ingegaan op de mishandeling van de zoon door verdachte. Enige verklaring van de zoon zelf hierover ontbreekt dus in het dossier.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van die feiten.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 05 november 2007 te Nieuw-Lekkerland [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- een schaar getoond aan die [slachtoffer1] en [slachtoffer 2]

en

- die schaar in de lucht heeft gehouden en

- die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga naar je ouders toe en maak ze af

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4. Nadere bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit, omdat zijns inziens geen sprake is van bedreiging in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht. De vrouw van verdachte heeft verklaard, niet geschrokken te zijn door de schaar, en aan de verklaringen van de zoon van verdachte over de situatie in de keuken op 5 november 2007, toen verdachte een schaar in de hand heeft gehad, kan geen doorslaggevend belang worden toegekend, nu verdachte en diens vrouw hebben aangegeven dat hun zoon werkelijkheid en fictie wel eens door elkaar haalt.

De rechtbank overweegt omtrent feit 1 het volgende. Op basis van de jurisprudentie over artikel 285 Wetboek van Strafrecht kan worden geconcludeerd, dat het niet doorslaggevend is, of bij degene tegen wie de bedreigende handeling of taal gericht is, daadwerkelijk de vrees voor aantasting van de persoonlijke vrijheid is opgewekt. Voldoende is dat de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden is geschied dat zij in het algemeen geschikt is de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. In het onderhavige geval heeft de vrouw van de verdachte weliswaar verklaard zich niet door de schaar bedreigd te hebben gevoeld, maar de rechtbank komt tot de conclusie dat de bedreiging met de schaar, gecombineerd met een aantal andere factoren, waaronder de dreigende woorden, in dit geval wel degelijk bedreiging in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht oplevert. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verdachte erg boos de keuken is binnengelopen, waar zijn vrouw en zoon zich bevonden. Verdachte had een schaar in zijn handen en had op dat moment of kort daarna naar eigen zeggen beide armen boven zijn hoofd geheven. Volgens zijn eigen verklaring heeft hij de schaar pas daarna weggeworpen. Verdachte heeft tijdens het omhoog houden van de schaar of kort na het wegwerpen daarvan, terwijl verdachte op zo’n twee meter van zijn zoon stond en zijn vrouw nog tussen beiden in, geroepen dat hij naar de ouders van zijn vrouw zou gaan om ze af te maken. Al met al acht de rechtbank verdachtes gedrag, in de context van die korte tijdspanne en die zich samen voordoende omstandigheden, dusdanig dat zij oordeelt dat dit gedrag ook in zijn algemeenheid gesproken als bedreigend in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht zal worden ervaren. Overigens heeft de rechtbank in dit geval vastgesteld dat verdachtes gedrag ook op zijn vrouw en zoon een bedreigende indruk heeft gemaakt. De verbale bedreiging met de dood van haar ouders heeft, zo heeft verdachtes vrouw verklaard, het meeste indruk op haar gemaakt, maar zij was eerder ook tussen verdachte en diens zoon gesprongen toen verdachte de keuken binnenstoof. Ook de zoon heeft in zijn verklaring bij de politie laten blijken dat hij de situatie als dreigend heeft ervaren, hetgeen mede blijkt uit zijn wegvluchten kort na het incident naar de buren. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de zoon op dit punt.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT, MEERMALEN GEPLEEGD.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1. Het rapport van de deskundige

Over verdachte is dd. 18 februari 2008 een psychologisch rapport opgemaakt door de heer drs. C. Moerland. Uit dit rapport komt onder meer naar voren –zakelijk weergegeven-:

Het is aannemelijk dat betrokkene als gevolg van de combinatie van een enigszins verhoogde psychische kwetsbaarheid en een opkroppen van innerlijke spanningen, op het betreffende moment niet volledig in staat was zijn wil en gedrag in vrijheid te bepalen en impulsief heeft gehandeld/gereageerd, ondanks dat hij zich bewust was van het wederrechtelijke van zijn gedrag. Daarom wordt geadviseerd hem enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor de tenlastegelegde bedreiging.

6.2. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennis genomen van de conclusies van voornoemde deskundige met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en kan zich daarmee, gezien de onderbouwing ervan, verenigen, zodat de rechtbank deze conclusies overneemt. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende vast is komen te staan dat het bewezenverklaarde feit in enigszins verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 5 november 2007 in grote woede de keuken van zijn huis binnengestormd, waar verdachtes vrouw en hun 11-jarige zoon zich bevonden. Verdachte was naar eigen zeggen gefrustreerd door de spanningen tussen hem en zijn zoon en de invloed die zijn schoonouders zijns inziens op de zoon hadden. Deze spanningen kwamen tot ontlading op het moment dat de zoon verdachte verwijten maakte over de manier waarop hij de drie maanden oude baby uit de box had gehaald. Verdachte had een schaar in zijn hand toen hij uit de huiskamer de keuken in kwam en heeft in die keuken met de schaar in zijn hand, terwijl zijn beide handen in de lucht geheven waren en hij op circa twee meter van zijn zoon stond, zijn woede geuit. Verdachtes vrouw is er tussen gesprongen. Verdachte heeft daarbij gezegd naar de schoonouders van zijn vrouw toe te zullen gaan om hen af te maken.

De rechtbank stelt vast dat bedreigingen als deze, in een huiselijke context waarin mensen zich veilig moeten kunnen voelen, niet door de beugel kunnen. Verdachte heeft zijn eigen woede en frustratie geuit in de richting van zijn vrouw en zoon. Daarbij heeft hij op dreigende wijze met een schaar vlak voor zijn vrouw en zoon gestaan en gezegd dat hij zijn schoonouders zou “afmaken”. Al eerder had verdachte woedeaanvallen gehad, hetgeen ook heeft bijgedragen tot de dreiging in de situatie op 5 november 2007. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij anderen op deze manier heeft meegesleept in zijn eigen woede en op het bewuste moment een situatie in het leven heeft geroepen waarin die anderen op een beklemmende manier zijn bedreigd in de kleine ruimte van de keuken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Reclassering Nederland van 13 december 2007 waarin de omstandigheden van verdachte worden belicht. Daarin worden de financiële problemen van het gezin genoemd en de relationele problemen die verdachte heeft, alsmede zijn grote moeite om met emoties en frustraties om te gaan. Het rapport beveelt begeleiding aan in de vorm van intensief reclasseringstoezicht met het accent op therapie tegen huiselijk geweld bij de forensisch psychiatrische polikliniek “Het Dok” in Rotterdam. Ook zou verdachte in dat kader toegeleid kunnen worden naar een traject voor schuldhulpverlening.

Het onder 6.1 van dit vonnis genoemde rapport van de deskundige drs. C. Moerland stelt omtrent de recidivekans dat deze op korte termijn beperkt lijkt, maar dat het aanbeveling verdient -ten behoeve van de langere termijn- dat verdachte in een behandeling leert hoe hij escalaties van woede en agressie kan voorkomen, door bijvoorbeeld tijdig een opbouw van spanningen te signaleren en daar iets mee te doen. Ook bij de verwerking van gebeurtenissen in zijn verleden zou verdachte hulp kunnen gebruiken. De voorgestelde behandeling zou op ambulante basis kunnen plaatsvinden bij een forensisch pyschiatrische instelling als Het Dok of De Waag in Rotterdam. Betrokkene zou kunnen deelnemen aan een behandelmodule huiselijk geweld.

De rechtbank heeft kennis genomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 november 2007, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder terzake van geweldsdelicten is veroordeeld.

Gelet hierop en op de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde strafbare feit, de in de genoemde adviezen en op de terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden van verdachte en de op die zitting gebleken bereidwilligheid van verdachte om aan behandeling mee te werken, komt de rechtbank tot een deels voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf, waaraan zij de bijzondere voorwaarde zal verbinden dat verdachte wordt begeleid door de reclassering, ook als die begeleiding inhoudt een behandeling bij Het Dok of een andere soortgelijke instelling.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een werkstraf niet aangewezen, waarbij zij in aanmerking neemt dat zij verdachte vrijspreekt van de onder 2. en 3. ten laste gelegde feiten.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2. en 3. ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van NEGENTIG DAGEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten ZEVENENZESTIG DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt daarbij als BIJZONDERE VOORWAARDE dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, regio Rotterdam-Dordrecht, Westzeedijk 399, 3024 EK Rotterdam, ook als deze inhouden dat veroordeelde zich onder behandeling zal stellen bij Het Dok, één en ander volgens het plan van aanpak zoals opgenomen in het voorlichtingsrapport van de reclassering, voor zover en zolang de reclassering zulks (binnen de grenzen van de proeftijd) noodzakelijk acht;

verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis, dat bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. M.R.J. Schönfeld en mr. E. van Schouten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Herlaar, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 maart 2008.

Mr. M.R.J. Schönfeld voornoemd is wegens afwezigheid niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.