Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BC3658

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
08/6, 08/7
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing vordering onttrekking aan het verkeer ex artikel 552f Sv.

Geen sprekende gelijkenis met voor ontploffing bestemd voorwerp, mede in acht genomen plaats en wijze waarop het samenstel was tentoongesteld. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat – onder de gegeven omstandigheden – sprake was van geschiktheid voor bedreiging of afdreiging. Daarmee valt het samenstel strikt genomen niet onder de wapens als bedoeld in categorie I onder 7º van de Wet Wapens en Munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Registratienummer: 08/6 en 08/7

Beschikking van de meervoudige raadkamer van de rechtbank te Dordrecht op de vordering ex artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering van de officier van justitie in dit arrondissement in de zaak tegen:

belanghebbende 1,

geboren in 1954,

wonende te [adres], [woonplaats],

en

belanghebbende 2,

geboren in 1969,

wonende te [adres], [woonplaats],

hierna te noemen: belanghebbenden.

De procedure

De raadkamer heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft het klaagschrift op 23 januari 2008 in het openbaar behandeld, ter gelegenheid waarvan belanghebbenden en de officier van justitie zijn gehoord.

De officier van justitie heeft de vordering ter zitting schriftelijk gewijzigd en mondeling van een nadere onderbouwing voorzien.

De officier van justitie vordert de onttrekking aan het verkeer van op 2 september 2007 in beslag genomen voorwerpen, omschreven als:

- 11 stuks mijnen/groen

- 1 ontstekingsmiddel/groen

- 1 haspel/groen

- 1 rugzak/groen

- 30 elektra kabels/rood

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de vordering uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Belanghebbenden hebben op verzoek van het museum in Gorinchem op 31 augustus 2007 in het kader van een kunstproject op en aan het museum aldaar een – deel van hun – kunstwerk geplaatst.

Het kunstwerk bestond uit – onder meer – afgezaagde en geverfde bloempotten met opschrift DAAR 2007. Deze bevonden zich nabij de ramen van het museum tussen de 1e en 2e verdieping.

Op het dak van het museum is door belanghebbenden een rugzak en een verrekijker geplaatst. In die omgeving is ook een kastje met hendel neergezet en waren er elektrische draden aangebracht.

In verband met een feest in Gorinchem is een deel van het pand waar ook het museum is gevestigd, voor het publiek opengesteld.

In de nacht van 1 september 2007 was er sprake van een inbraakmelding in het museum. Bij naar aanleiding daarvan door de politie ingesteld onderzoek zijn op het dak en vervolgens aan de gevel van het museum door de politie de hiervoor beschreven voorwerpen aangetroffen.

Gezien de samenstelling en het uiterlijk van de voorwerpen kreeg de betrokken politiefunctionaris de indruk dat het om een explosief ging. Naar aanleiding van die bevindingen is de omgeving ontruimd en zijn de voorwerpen in beslag genomen. Alle goederen die in beslag zijn genomen behoren tot het door belanghebbenden gemaakte kunstwerk.

De materiedeskundige van de politie Zuid-Holland-Zuid heeft het samenstel van in beslag genomen voorwerpen onderzocht en heeft gerapporteerd dat het geheel van voorwerpen en met name de afgezaagde plastic bloempotten, mede gelet op de wijze waarop deze “voor het publiek zichtbaar” waren opgehangen, voorwerpen waren die wat betreft vorm en afmetingen kennelijk een sprekende gelijkenis vertoonden met voor ontploffing bestemde voorwerpen, namelijk landmijnen.

De belanghebbenden hebben geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt – zakelijk weergegeven – dat door onderzoek van de politie is komen vast te staan dat het samenstel van goederen een wapen betreft van de categorie I in de zin van de Wet Wapens en Munitie. Daarmee zijn het goederen waarvan het voorhanden hebben, het vervaardigen en het ongecontroleerde bezit strijdig is met de wet.

Gezien het uiterlijk van het samenstel van voorwerpen kan gesteld worden dat daarmee het publiek ten onrechte kan geloven dat daardoor een ontploffing teweeg gebracht kan worden. Onder omstandigheden kan daarmee het feit gepleegd worden zoals strafbaar gesteld in artikel 142a van het Wetboek van Strafrecht.

De officier wijst daarbij op de enorme commotie die is ontstaan na de ontdekking van deze goederen. Het risico op herhaling met alle daarmee samenhangende onrust in de samenleving is bij teruggave van de voorwerpen aan belanghebbenden groot en dat is in strijd met het algemeen belang.

Standpunt van belanghebbenden

Belanghebbenden stellen – zakelijk weergegeven – dat er in deze sprake is van kunstwerken. Zij willen van hun kunstwerken geen afstand doen. Zij hebben er alles aan gedaan om deze binnen de context van het museum op een verantwoorde wijze ten toon te stellen. De inbeslagname en het niet terug geven van de voorwerpen leveren een niet te rechtvaardigen inbreuk op de vrijheid van kunst / meningsuiting op.

Bevoegdheid

De rechtbank is bevoegd tot het geven van een beslissing als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4° van het Wetboek van Strafrecht, aangezien de zaak voor deze rechtbank had kunnen worden vervolgd.

Ontvankelijkheid

Uit het verhandelde ter zitting en de processtukken is genoegzaam gebleken dat de officier van justitie de zaak tegen de belanghebbenden heeft geseponeerd.

De officier van justitie is daarom ontvankelijk in haar vordering.

Verdere beoordeling van de vordering

Van essentieel belang bij de beoordeling van deze zaak is dat de voorwerpen te Gorinchem zijn aangetroffen op het terrein van het museum en dat het hier gaat om een kunstzinnige expressie. Feitelijk bestaan de in beslag genomen voorwerpen ook niet daadwerkelijk uit mijnen en ontstekingsmiddelen, maar uit afgezaagde en geverfde bloempotten, die door hun uiterlijk binnen de context van het kunstproject in het museum de illusie van wapens moesten geven.

Aannemelijk is geworden dat de onrust met name is ontstaan en werd aangewakkerd toen de politie na het ontdekken van deze kunstvoorwerpen zich onvoldoende heeft vergewist van wat er op dat moment behoorde tot de op het terrein van het museum tentoongestelde kunstuitingen en op basis van wat men meende te zien groot alarm sloeg.

Weliswaar kan worden aangenomen dat het onderhavige samenstel van voorwerpen enige gelijkenis vertoont met voor ontploffing bestemde voorwerpen. Mede gelet op de plaats en de wijze waarop het samenstel is tentoongesteld is er echter onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake is van een “sprekende gelijkenis” als bedoeld in artikel 3 van de Regeling wapens en munitie. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat – onder normale omstandigheden – sprake was van geschiktheid voor bedreiging of afdreiging. Daarmee valt het samenstel strikt genomen niet onder de wapens als bedoeld in categorie I onder 7º van de Wet Wapens en Munitie. De rechtbank wijkt hiermee dus af van hetgeen door de materiedeskundige van de politie is gerapporteerd, omdat zij van oordeel is dat diens rapport op dit punt – door middel van het woord “kennelijk” – onvoldoende is onderbouwd.

Tenslotte, maar dit gezien het vorenstaande ten overvloede, is de rechtbank ervan overtuigd dat het niet de bedoeling van belanghebbenden is geweest en ook in de toekomst niet zal zijn om met deze kunstvoorwerpen ook daadwerkelijk te bedreigen of af te dreigen. Dat de kunstenaars in het bezit zijn van deze voorwerpen en/of deze tentoonstellen acht de rechtbank dan ook niet in strijd met het algemeen belang.

De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie afwijzen.

BESLISSING:

De rechtbank:

- wijst de vordering van de officier van justitie af.

Deze beschikking is gegeven door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

mr. M.M. Moolenburgh en mr. J.A.M. van den Berk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier R. van Andel,

en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2008.