Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BC2958

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
66764 / HA ZA 06-2654
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil spitst zich toe op de vraag of de overeenkomst tussen partijen moet worden opgevat als onvoorwaardelijk, zoals door eisers is gesteld en door gedaagde is betwist, of onder opschortende voorwaarde, zoals gedaagde betoogt. Voor wat betreft de uitleg van een overeenkomst dient niet alleen gelet te worden op de bewoordingen van de overeenkomst, maar komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (Haviltex).

Op grond van genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een overeenkomst onder opschortende voorwaarde is gesloten. De opschortende voorwaarde is niet vervuld, zodat geen nakoming van de overeenkomst kan worden gevorderd. Waar geen overeenkomst is, kan van ontbinding wegens wanprestatie geen sprake zijn. Vorderingen in conventie afgewezen.

Reconventie: omvang schade door beslag bewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 66764 / HA ZA 06-2654

Vonnis van 23 januari 2008

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres1],

gevestigd te Teteringen (gemeente Breda),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres2],

gevestigd te Schiedam,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

procureur mr. J.A. Visser,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. J.H. Silfhout.

Partijen zullen hierna [eiseres1] en [eiseres2] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 29 november 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast, en de daarin genoemde stukken

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 2 maart 2007, en de daarin genoemde stukken

- de conclusie van repliek in conventie tevens houdende vermeerdering en wijziging van eis

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens houdende akte van wijziging van reconventionele eis

- de conclusie van dupliek in reconventie

- de door partijen bij gelegenheid van het pleidooi overgelegde pleitnotities

- de akte houdende wijziging van eis in reconventie

- de antwoordakte eiswijziging reconventie

- de overgelegde bescheiden

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is een 100 % dochter van Touax S.A., een Franse onderneming (hierna: Touax). [bestuurder eiseres2] (hierna: [bestuurder eiseres2]) is bestuurder van [eiseres2], [bestuurder eiseres1] (hierna: [bestuurder eiseres1]) is bestuurder van [eiseres1] [eiseres1] en [eiseres2] houden samen met [gedaagde] en de heer Verhorst alle aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Interfeeder Ducotra B.V. (hierna: ID), een containertransportbedrijf.

De aandelenverhouding is als volgt:

[gedaagde] 77,136 %

Verhorst 4,955 %

[eiseres1] 11,96 %

[eiseres2] 5,949 %

2.2. Vanaf medio 2005 was [gedaagde] voornemens haar aandelen in ID te verkopen. Ook [eiseres1] en [eiseres2] wensten onder bepaalde voorwaarden hun aandelen te verkopen. In dat kader is in 2005 en 2006 onderhandeld met Rhenus GmbH & Co.Kg (hierna: Rhenus), een Duitse vennootschap die zich richt op riviertransporten. Uitgangspunt daarbij was dat Rhenus 95,05 % van de aandelen ID (i.e. alle aandelen minus die van de heer Verhorst) van één verkoper, te weten [gedaagde], zou kopen. Bij de onderhandelingen heeft A.P. Adelmund, managing director van Cayla Consulting Group (hierna: Adelmund) partijen geadviseerd.

2.3. In een emailwisseling van 21 april 2005 (productie 8 bij conclusie van dupliek in conventie) tussen [bestuurder eiseres2] en Chr. Michel (CFO van Touax) betreffende de betrokkenheid van Cayla Consulting Group bij de onderhandelingen met Rhenus, deelt Chr. Michel aan [bestuurder eiseres2] – onder meer – het volgende mede:

‘Luuk,

Find attached proposal amended by Adelmond.

Did you get the ok from Andre and Peter regarding you as representant of minority shareholders?

(…)’

[bestuurder eiseres2] reageert als volgt:

‘(…) My first reaction is that I find it very strange that Interfeeder has to pay for the consultant of Rhenus, the counterpart.

Succesfee is okay as long as it will not be deducted from the shareprice but the retainer is for me unacceptable. He should get his retainerfee from Rhenus. What is my remuneration for the time that will be spend during the negociations? (…)’

Chr. Michel mailt vervolgens aan [bestuurder eiseres2]:

‘(…)

I try to decrease the minimum fees as well as the retainer. (…)

The work to be done is not for the management of IFD but in the interest of each shareholder, I do not think it is normal to pay someone to defend his own interest but yes it would be normal that PV and André pays you something to represent them but that has nothing to do with IFD. (…)’

waarop [bestuurder eiseres2] als volgt reageert:

‘Although he [Adelmund, toevoeging rechtbank] is not getting any money from Rhenus, his relation with Rhenus is for him worth something (…)

Second point is that the minimum means that the moment we sell for less than € 4.352.900,- he will get more than agreed according the scale. (…)

Third point is as folows: in case (…) will be our advisor what is the roll of yourslef and me being the advisors to the shareholders. Are we involved or are we sitting at home watching their acts and saying YesNoYesNoYes. (…) but be sure that we are all positive to sell on this level (€ 7M), with or without fees and representated by whoever. (…)’

2.4. Bij brief van 13 januari 2006, gericht aan mr. Rutkowsky van Rhenus, c.c. aan – onder meer – [bestuurder eiseres2] en [bestuurder eiseres1] (productie 2 van [eiseres1] en [eiseres2] bij comparitie van partijen), stuurt Adelmund als bijlage een (gecorrigeerde versie van een) ‘Compromise’ betreffende ‘the acquisition of Interfeeder-Ducotra B.V. from Touax SCA’.

2.5. Bij brief van 17 januari 2006 (productie 3 van [eiseres1] en [eiseres2] bij comparitie van partijen) delen de (vertegenwoordigers van de) minderheidsaandeelhouders [bestuurder eiseres1], [bestuurder eiseres2] en Verhorst – voor zover hier van belang - het volgende aan Touax (Chr. Michel) mede:

‘(…)

This is to confirm that de minor shareholders of Interfeeder (…) do not agree with the proposal for the sale of their shares, as mentioned in the letter of Mr. Adelmund (…) dated January 13th, 2006 (…)’

2.6. Een emailbericht van Adelmund, d.d. 25 januari 2006 (productie 4 van [eiseres1] en [eiseres2] bij comparitie van partijen), gericht aan Chr. Michel, Verhorst, [bestuurder eiseres2] en [bestuurder eiseres1], vermeldt – onder meer – het volgende:

‘(…)

Please be aware that Rhenus has been willing to wait quite long (…) but will however expect the minority shareholders to find an agreement with the majority shareholder before the end of the week (…)’

2.7. Een emailbericht van [bestuurder eiseres1], d.d. 26 januari 2006 (productie 5 van [eiseres1] en [eiseres2] bij comparitie van partijen), gericht aan R. Walewski (bestuurder van Interfeeder en tevens lid van de raad van bestuur van Touax) en c.c. aan [bestuurder eiseres2] en P. Verhorst, vermeldt – onder meer - het volgende:

‘(…)

I would like to express the minority shareholders vieuw:

• It is Touax’ desire to sell their shares in Interfeeder at the conditions mentioned in the compromise, made up by Mr. Adelmund;

• In the last shareholders-meeting I personally expressed that I had no intention to sell under cost-price.

• (…)

• The minority shareholders have suggested, in order to help Touax, to try to find a solution.

• (…)

We expected a reasonable offer for our shares in order to make Touax able to sell 100% of the Interfeeder shares.

(…)’

2.8. Adelmund deelt in een emailbericht van 2 februari 2006 (productie 2 van [eiseres1] en [eiseres2] bij comparitie van partijen) aan Chr. Michel (c.c. aan [bestuurder eiseres2] en [bestuurder eiseres1]) onder meer het volgende mede (PV/LR/AP wil zeggen: P. Verhorst, [bestuurder eiseres2] en [bestuurder eiseres1], toevoeging rechtbank):

‘(…) PV/LR/AP showed me some of the issues (…) and explained for us some of the hesitance of LR/AP to offer their shares to Touax/Rhenus. (…)’

Na enige mailwisseling reageert [bestuurder eiseres2] die dag als volgt:

‘(…)

About the shareholders-loans there are the following two options:

1. (…)

2. Rhenus adds the total Eur 776.544,- to the Eur 2.7 milj. The moment we get payed for our shares we pay to ID our shareholders debts. This will mean that Rhenus gets ID plus the Eur. 776.544,- in cash. This option is a clear deal with no risks but it will not add to the loss carry forward of ID. (…)’

2.9. Een emailbericht van Christopher Michel, d.d. 9 februari 2006, 10:40 AM, aan [bestuurder eiseres2] (productie 2 bij dagvaarding) vermeldt – voor zover hier van belang - het volgende:

‘(…)

Here is the proposal to you and Andre,

Touax will buy the 17,91 % shares for a price of 485000.

A. [bestuurder eiseres1] = 324 000

L.[bestuurder eiseres2] = 161000

(…)

On top of this: From that price Touax should normally deduct the shareholders debt to Interfeeder (106 393 for A. [bestuurder eiseres1] and 47 908 for L. [bestuurder eiseres2]). Touax will also assume this debt too. In order for You and Luuk to receive a full amount of 485 000.

We think that is a very fair price, we really hope that you will be please with that offer. Let me know asap your answer.

The other alternative to these is of course not to sell and to make a capital increase in order to clean the cash situation of Interfeeder.

(…)

Op bovenstaand bericht reageert [bestuurder eiseres2] op 9 februari 2006, 1:50 PM, als volgt:

‘(…)

With much regret and pain Andre and myself accept Touax’ offer to buy our shares with a full and final payment of Euro 324000 and Euro 161000,-. Touax will also take over in full the shareholdersloans from Andre and myself of Euro 106 393,- and Euro 47.908,-.

(…)’

2.10. In de notulen van de op 14 februari 2006 gehouden aandeelhoudersvergadering van ID (productie 3 bij dagvaarding) staat – onder meer – het volgende vermeld:

‘(…)

4. Position minority shareholers.

LR and AP insist on the execution of the agreed sale (as per E-mail of February 9th 2006) (…). Later on and after Touax’ proposal to LR and AP it became apparent that a misunderstanding happened between LR and Cayla regarding this ‘creative solution’, and mainly the € 800.000,- asked by LR and the cash position within Interfeeder. LR reminds Touax that the offer was made without any condition and/or provision. AP reminds Touax that once a deal is made parties have to fulfill its obligations. RW reminds that it has always been clear between all parties that the discussion and proposal to minority shareholders were based on Rhenus’ proposal in a transparent transaction. Minority shareholders mentioned that negotiations/discussions with other parties were not always transparent.

(…)

It is agreed that Touax will make a new proposal to Rhenus, as follows, on the basis of all shares, with the exception of the shares of PV. Touax will buy the shares of LR and AP first (on the basis of their E-mail of February 9th.)

(…)’

2.11. [bestuurder eiseres2] bericht op 13 april 2006 – onder meer – het volgende aan Dorine Mestry/R. Walewski en c.c. aan P. Verhorst, [bestuurder eiseres1] en Chr. Michel (productie 11 bij conclusie van dupliek in conventie):

‘Dear Raphael,

after our acceptance of your offer to buy our shares, we received via Peter V. your conditions for a selling of Touax’ ([gedaagde]’s) shares in ID to us, the minority shareholders.

Apart from these conditions of which we have a couple of questions, we did communicate to you in earlier moments that although the intention for such a transaction is still there, the financing of the shareprice is still a problem for us.

So in case Touax is willing to help us with the financing we are willing to start negotiations with you about the selling of your shares in ID. (…)’

Op 20 april 2006 reageert Chr. Michel hier per email als volgt op:

‘(…)

Today I would like to confirm that Touax is willing to sell his shares to the minority shareholders and that we are willing to negotiate financing of the shares.’

[bestuurder eiseres2] mailt op 25 april 2006 aan Chr. Michel onder meer:

‘(…)

In case you (Touax) are willing to negotiate the (partly) help with the financing we still have the drive and intention to buy these shares. (…)

In case you can agree with this option and we start negotiations with you, Touax has to stop every other sale effort of ID and [gedaagde]. (…)’

2.12. Op 18 mei 2006 deelt Chr. Michel per email het volgende aan [bestuurder eiseres2] en [bestuurder eiseres1] mede (productie 12 bij conclusie van dupliek in conventie):

‘(…)

Further to our yesterday meeting, we would like to confirm you that Touax is willing to organise the selling of its interfeeder shares to the minority shareholders (…)’

[bestuurder eiseres2] reageert dezelfde dag als volgt op dit bericht:

‘(...) we will give you our reaction soonest. (…)’

2.13. Bij email van 27 juni 2006 gericht aan R. Walewski (productie 4 bij dagvaarding) eist [bestuurder eiseres1] dat uitvoering wordt gegeven aan de overeenkomst van 9 februari 2006.

2.14. Krachtens verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank d.d. 5 september 2006 hebben [eiseres1] en [eiseres2] op 6 september 2006 conservatoir beslag gelegd op de aandelen van [gedaagde] in ID, alsmede op een duwbak van [gedaagde], de EURO-TAF 705 (hierna: de duwbak). In een kort geding heeft [gedaagde] – onder meer - opheffing van deze beslagen gevorderd, welke vordering op 7 november 2006 is toegewezen.

2.15. ID heeft begin oktober 2006 haar onderneming verkocht en overgedragen aan Contargo B.V., een (indirecte) 100 % dochter van Rhenus.

3. De vordering in conventie

3.1. [eiseres1] en [eiseres2] vorderen – na wijziging van eis - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van de overeenkomsten van 9 februari 2006 tussen haar en [eiseres1] en [eiseres2] gesloten, in zoverre dat zij binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis meewerkt aan de levering aan haar van de aandelen Interfeeder van [eiseres1] en [eiseres2], en tot voldoening van de overeengekomen koopsommen als volgt:

- voldoening van het bedrag van € 430.393,=, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juli 2006 tot en met de dag der algehele voldoening aan [eiseres1] primair deels middels betaling van

€ 324.000,= aan [eiseres1], deels middels overname van de schuld van

€ 106.393,= van [eiseres1] aan Interfeeder, secundair tot betaling van het gehele bedrag aan [eiseres1], indien en voor zover Interfeeder niet schriftelijk en binnen 2 weken na schriftelijk verzoek daartoe met schuldoverneming instemt;

- voldoening van het bedrag van € 208.908,=, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juli 2006 tot en met de dag der algehele voldoening aan [eiseres2] primair deels middels betaling van

€ 161.000,= aan [eiseres2], deels middels overname van de schuld van

€ 49.908,= van [eiseres2] aan Interfeeder, secundair tot betaling van het gehele bedrag aan [eiseres2], indien en voor zover Interfeeder niet schriftelijk en binnen 2 weken na schriftelijk verzoek daartoe met schuldoverneming instemt;

b. voorts, indien [gedaagde] niet binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis hetgeen onder a. wordt gevorderd nakomt, de overeenkomsten te ontbinden op grond van wanprestatie aan de zijde van [gedaagde] en haar te veroordelen tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiseres1] van het bedrag van € 430.393,= en tot betaling aan [eiseres2] van het bedrag van € 208.908,=, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee weken na het in deze te wijzen vonnis;

c. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding;

d. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres1] en [eiseres2] van de nakosten, zoals bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv, welke nakosten door [eiseres1] en [eiseres2] worden begroot op het forfaitaire bedrag van € 205,=, indien [gedaagde] pas na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot nakoming van de overeenkomst overgaat en worden begroot op € 131,=, indien [gedaagde] zonder dat het in deze te wijzen vonnis aan haar wordt betekend tot nakoming van de overeenkomst overgaat.

3.2. Aan deze vordering leggen [eiseres1] en [eiseres2] ten grondslag dat op 9 februari 2006 een overeenkomst tot stand is gekomen tussen partijen, nu zij het aanbod per email van genoemde datum onvoorwaardelijk hebben aanvaard.

4. Het verweer in conventie

4.1. [gedaagde] hebben ten verwere aangevoerd dat er op 9 februari 2006 geen onvoorwaardelijke overeenkomst, maar een overeenkomst onder opschortende voorwaarde tot stand is gekomen. Het aanbod is gedaan onder de opschortende voorwaarde dat de transactie met Rhenus zou slagen. Omdat de transactie met Rhenus niet tot stand is gekomen, is er tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand gekomen, aldus [gedaagde]. Voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat wel een onvoorwaardelijke overeenkomst tot stand is gekomen, geldt dat er sprake is van een zodanige discrepantie tussen aanbod en aanvaarding dat in casu geen overeenkomst tot stand is gekomen. Ter adstructie van die stelling heeft [gedaagde] aangevoerd dat uit de relevante feiten en omstandigheden blijkt dat het aanbod aan [eiseres1] en [eiseres2] in nauw verband staat met de op handen zijnde transactie met Rhenus en daar niet los van kan worden gezien. Zij betoogt voorts dat [eiseres1] en [eiseres2] hiervan op de hoogte waren en derhalve, nu de onderhandelingen met Rhenus zijn mislukt, in redelijkheid geen nakoming van de overeenkomst kunnen verlangen. [gedaagde] heeft, ter onderbouwing van haar betoog, de tussen partijen gevoerde (email)correspondentie in het geding gebracht.

5. De vordering in reconventie

5.1. [gedaagde] vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis:

a. zal verklaren voor recht dat de door [eiseres1] en [eiseres2] gelegde beslagen onrechtmatig zijn en zij mitsdien hoofdelijk jegens [gedaagde] aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan door [gedaagde] geleden schade;

b. zal verklaren voor recht dat de kosten van rechtsbijstand ter zake van het kort geding aan de zijde van [gedaagde] niet zijn afgedaan door de compensering van de proceskosten krachtens het kort geding vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank te ’s-Gravenhage;

c. [eiseres1] en [eiseres2] hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 82.799,98 (zijnde € 48.631,53 vermeerderd met € 34.168,45), althans zal toewijzen een in goede justitie door de rechtbank vast te stellen bedrag, ten titel van vergoeding van als gevolg van de onrechtmatig ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen en de opheffing daarvan door [gedaagde] geleden schade, althans [eiseres1] en [eiseres2] zal veroordelen tot het vergoeden van de schade van [gedaagde], nader op te maken bij staat;

met veroordeling van [eiseres1] en [eiseres2] in de kosten van dit geding in conventie en in reconventie, hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad.

5.2. Aan deze vordering legt [gedaagde] ten grondslag dat zij door het beslag op de duwbak schade heeft geleden, aangezien zij de duwbak gedurende de periode dat het beslag heeft geduurd niet heeft kunnen gebruiken. Voorts vordert [gedaagde] de door haar gedragen advocaatkosten in het kort geding.

6. Het verweer in reconventie

6.1. [eiseres1] en [eiseres2] betwisten dat de beslaglegging onrechtmatig zou zijn. De vorderingen waarvoor beslag werd gelegd hadden en hebben wel degelijk een deugdelijke grondslag. [gedaagde] had de schade moeten beperken door het stellen van een bankgarantie.

Voorts ontkennen [eiseres1] en [eiseres2] dat [gedaagde] ten gevolge van het gelegde beslag schade heeft geleden, laat staan in de omvang en tot de bedragen als door [gedaagde] gesteld. Met betrekking tot de gevorderde proceskosten in kort geding is [gedaagde] van mening dat deze niet toewijsbaar zijn, nu reeds op de voet van artikel 237 Rv omtrent de kostenveroordeling een beslissing is gegeven.

7. De beoordeling

in conventie

7.1. Als onbetwist staat vast dat op 9 februari 2006 tussen [gedaagde] enerzijds en [eiseres1] en [eiseres2] anderzijds per email een overeenkomst tot stand is gekomen. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of deze overeenkomst moet worden opgevat als onvoorwaardelijk, zoals door [eiseres1] en [eiseres2] is gesteld en door [gedaagde] is betwist, of onder opschortende voorwaarde, zoals [gedaagde] betoogt. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

7.2. Vast staat dat in het aanbod van [gedaagde] per email van 9 februari 2006 geen enkel voorbehoud te vinden is. Ingevolge HR 13 maart 1981 NJ 1981,635 (Haviltex) dient echter voor wat betreft de uitleg van een overeenkomst niet alleen gelet te worden op de bewoordingen van de overeenkomst, maar komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In het onderhavige geval dient daarbij gekeken te worden naar hetgeen zich heeft voorgedaan zowel vóór als na de aanvaarding van het aanbod door [eiseres1] en [eiseres2], alsmede naar de positie van partijen en de over en weer kenbare belangen.

7.3. Uit de in het geding gebracht (email)correspondentie tussen partijen en de overige stukken kan het volgende worden geconcludeerd:

Vanaf medio 2005 werd door de aandeelhouders van ID onderhandeld met Rhenus. De in r.o. 2.3 in het kort weergegeven emailwisseling van 21 april 2005 tussen [bestuurder eiseres2] en [gedaagde]/Touax – waarin het voorstel van (en de kosten voor) adviseur Adelmund worden besproken – toont aan dat [bestuurder eiseres2], als vertegenwoordiger van de minderheidsaandeelhouders, reeds vanaf het begin op de hoogte was van en betrokken was bij de onderhandelingen met Rhenus. Uit de brief van 17 januari 2006 (r.o. 2.5) en de emailberichten van 25 januari 2006 (r.o. 2.6) en 26 januari 2006 (r.o. 2.7) kan worden afgeleid dat het welslagen van de onderhandelingen met Rhenus afhing van het bereiken van overeenstemming tussen [gedaagde] en de minderheidsaandeelhouders. Dat [eiseres1] en [eiseres2] zich hiervan terdege bewust waren, blijkt uit genoemde correspondentie tussen partijen.

De betrokkenheid van de minderheidsaandeelhouders wordt nog eens geïllustreerd door de emailwisseling van 2 februari 2006 (r.o. 2.8), waarin [bestuurder eiseres2] met betrekking tot de aflossing/kwijtschelding van de rekening-courantschulden van [eiseres1] en [eiseres2] een (fiscaal aantrekkelijke) constructie voorstelt, in welke constructie Rhenus expliciet wordt betrokken. De door Adelmund in zijn email van 2 februari 2006 gebruikte bewoordingen zijn in dit opzicht duidelijk (‘….the hesitance of LR/AP to offer their shares to Touax/Rhenus’) en wijzen erop dat alle bij de onderhandelingen betrokken partijen ervan op de hoogte waren dat sprake zou zijn van een zogenaamde “ABC-constructie”.

7.4. Het voorgaande wijst erop dat [eiseres1] en [eiseres2] wisten dat het aanbod van 9 februari 2006 (r.o. 2.9) door [gedaagde] in de context van een “ABC-constructie” is gedaan. Tekenend daarbij is dat de door [bestuurder eiseres2] voorgestelde wijziging van de ‘Compromise’ van Cayla/Adelmund (r.o. 2.4) grotendeels is verdisconteerd in het aanbod van 9 februari 2006. Daarbij geldt dat deze wetenschap aan zowel [eiseres1] als aan [eiseres2] toegerekend kan worden, nu uit de in 2.3 genoemde emailwisseling tussen [bestuurder eiseres2] en Chr. Michel blijkt dat [bestuurder eiseres2] optrad als vertegenwoordiger van de minderheidsaandeelhouders. Gesteld noch gebleken is dat [bestuurder eiseres1] bezwaar had tegen deze vertegenwoordiging door [bestuurder eiseres2].

7.5. Dat [eiseres1] en [eiseres2] de overeenkomst net zo min als [gedaagde] als losstaand van de onderhandelingen met Rhenus hebben gezien blijkt bovendien uit het feit dat zij na de aandeelhoudersvergadering van 14 februari 2006 – waar is besloten tot verdere onderhandelingen met Rhenus – niet meer de nakoming van deze overeenkomst hebben geëist. In het voorjaar van 2006 zijn zij met [gedaagde]/Touax in onderhandeling getreden omtrent de verkoop van de ID-aandelen van [gedaagde] aan de minderheidsaandeelhouders. Pas eind juni – na het kennelijk niet doorgaan van die transactie - eist [bestuurder eiseres1] dat de overeenkomst van 9 februari 2006 wordt nagekomen.

7.6. Overigens dient te worden opgemerkt dat, indien er sprake zou zijn van een eenzijdige en onvoorwaardelijke overeenkomst tussen de minderheidsaandeelhouders en [gedaagde], deze partijen er geen enkel belang bij zouden hebben de in dit kader gedane voorstellen aan Rhenus voor te leggen, zoals in casu wel is gebeurd.

7.7. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [eiseres1] en [eiseres2] onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet hadden mogen aannemen dat [gedaagde] hen een onvoorwaardelijk en op zichzelf staand aanbod tot koop van hun ID-aandelen deed. Dat een en ander in de email van 9 februari 2006 niet expliciet onder woorden is gebracht, doet daaraan niet af, evenmin als de omstandigheid dat het initiatief met betrekking tot de verkoop van de ID-aandelen van [gedaagde] zou zijn uitgegaan.

7.8. Op grond van al deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat op 9 februari 2006 tussen [gedaagde] enerzijds en [eiseres1] en [eiseres2] anderzijds een overeenkomst onder opschortende voorwaarde is gesloten. Nu de transactie met Rhenus geen doorgang heeft gevonden, is de opschortende voorwaarde niet vervuld, zodat geen nakoming van de overeenkomst kan worden gevorderd. Waar er geen overeenkomst is, kan van ontbinding wegens wanprestatie geen sprake zijn. Dit brengt met zich mee dat de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen.

7.9. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [eiseres1] en [eiseres2] worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten in conventie aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht € 4.667,00

- salaris procureur € 12.900,00 (5 punten × tarief VII € 2.580,00)

Totaal € 17.567,00

in reconventie

de onder a. en b. gevorderde verklaringen voor recht

7.10. Uit het in conventie overwogene volgt dat het beslag ten onrechte is gelegd. Dit leidt tot aansprakelijkheid van [eiseres1] en [eiseres2] jegens [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad. De door [gedaagde] onder a. gevorderde verklaring voor recht ligt derhalve voor toewijzing gereed.

7.11. De onder b. gevorderde verklaring voor recht zal echter worden afgewezen, nu omtrent de proceskosten in kort geding reeds een beslissing is genomen. Verdere vergoeding van proceskosten vindt geen steun in ons recht. Hierbij dient te worden opgemerkt dat [gedaagde] in het kort geding, naast de opheffing van het beslag, vergoeding van de door het beslag geleden schade heeft gevorderd, welk onderdeel van de vordering is afgewezen. Partijen zijn derhalve beide deels in het ongelijk gesteld, om welke reden de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd.

In het verlengde van het voorgaande zal ook worden afgewezen de vordering sub c voor zover die betreft de toewijzing van genoemde proceskosten ad € 34.168,45.

de schade door het beslag op de duwbak

7.12. De rechtbank acht aannemelijk dat [gedaagde] door het niet kunnen inzetten van de duwbak schade heeft geleden. Het standpunt van [eiseres1] en [eiseres2] dat [gedaagde] geen aanspraak kan maken op schadevergoeding vanwege een tekortschieten in de schadebeperkingsplicht, volgt de rechtbank niet, nu het niet op de weg van [gedaagde] – als beslagene – lag om zekerheid te stellen door middel van een bankgarantie.

7.13. Het bij conclusie van antwoord in reconventie door [eiseres1] en [eiseres2] ingenomen standpunt dat de duwbak niet inzetbaar was, omdat deze op het moment van de beslaglegging ter reparatie bij de werf lag, hebben [eiseres1] en [eiseres2] na betwisting ervan door [gedaagde] niet herhaald. De rechtbank zal aan dit verweer derhalve voorbijgaan.

7.14. Nu inmiddels duidelijk zal zijn waar de schade door het beslag op de duwbak uit bestaat, bestaat er geen reden tot verwijzing naar de schadestaatprocedure. De schade zal derhalve worden begroot aan de hand van door [gedaagde] geleverde of te leveren gegevens.

7.15. [gedaagde] heeft haar beweerdelijk geleden schade als gevolg van het onrechtmatig gelegde beslag in het navolgende overzicht uiteengezet:

A. duwboot Atlantis – 7 uren x € 115,- € 805,00

duwboot Gepke – 1,5 uren x € 115,- € 172,50

B. inhuur duwbakken Corina 7 en Ruyttrans 4 € 29.909,03

C. duwboot Njord – 11 uren x € 125,- € 1.375,00

D. gederfde omzet euro-taf 705 – 26 dagen x € 850,- € 22.100,00

Totaal € 48.361,53

7.16. Dit overzicht van schadeposten en de uitleg van [gedaagde] is, gelet ook op de betwisting ervan door [eiseres1] en [eiseres2], onvoldoende duidelijk om inzicht te verschaffen in de geleden schade. Daarbij zijn de onderliggende facturen en overige bescheiden deels onleesbaar en voor het overige niet, althans onvoldoende inzichtelijk. Het is de rechtbank bijvoorbeeld niet duidelijk om welke reden niet één, maar twee duwbakken zijn gehuurd ter vervanging van de duwbak (overzicht onder B). Verder kan nergens uit worden afgeleid om welke reden er, ter vervanging van de beslagen duwbak, niet kon worden volstaan met de inzet van de gehuurde duwbak(ken). Gelet hierop acht de rechtbank de onder A, C en D in voornoemd overzicht opgevoerde kosten onbegrijpelijk. Met name kan niet zonder meer worden ingezien dat [gedaagde] omzet heeft gederfd waar zij zelf stelt dat andere duwbakken – in plaats van de beslagen duwbak – zijn ingezet.

7.17. [gedaagde] zal derhalve in de gelegenheid worden gesteld de omvang van de door het beslag op de duwbak geleden schade nader te bewijzen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient zij daartoe in ieder geval een opgave te verstrekken van de gemiddelde huurprijs van een met de EURO-TAF 705 vergelijkbare duwbak.

7.18. De zaak zal gelet op het vorenstaande naar de rol worden verwezen.

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

I. wijst de vorderingen af;

II. veroordeelt [eiseres1] en [eiseres2] hoofdelijk in de kosten van het geding in conventie, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 4.667,00 aan vast recht en op € 12.900,00 aan salaris van de procureur;

III. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

IV. draagt [gedaagde] op te bewijzen, desgewenst door middel van getuigen, hetgeen hiervoor onder 7.17 is aangegeven;

V. verwijst de zaak naar de rolzitting van 5 maart 2008 om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen alsdan bij akte bewijsstukken over te leggen en/of de namen en woonplaatsen van de voor te brengen getuigen op te geven en de verhinderdata van die getuigen en van beide partijen en hun raadslieden in de daaropvolgende vier maanden mede te delen;

VI. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk, mr. I. Bouter en mr. A.J. Japenga en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2008.?