Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BC2722

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
65638 / HA ZA 06-2475
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zaak over schilders/stucadoorswerkzaamheden. Geen wanprestatie; gemotiveerd betwist dat sprake zou zijn van tekortkomingen en in dat licht bezien onvoldoende gesteld zodat aan (verdere) bewijslevering niet wordt toegekomen. (tegen)bewijsopdracht in het kader van gemaakte BTW afspraak. Tenslotte nog wat overwegingen over ingebrekestelling en verzuim in het kader van de ingangsdatum van de wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 65638 / HA ZA 06-2475

Vonnis van 16 januari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats], [land]

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. J.A. Visser,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STAAT SCHILDERS B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. A.A. Schobben.

Partijen zullen hierna [eiser] en Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- dagvaarding van 22 mei 2006,

- conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie,

- het tussenvonnis van 13 september 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 20 februari 2007 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar van een (exclusieve) woning aan de Henri de Winterlei 37 te [woonplaats], [land].

2.2. Op 15 augustus 2002 heeft Staat een offerte met bijbehorende calculatiestaat uitgebracht voor o.a. binnen- en buitenschilderswerkzaamheden aan de woning van [eiser] voor een bedrag van € 57.602,00, exclusief BTW. Staat heeft haar werkzaamheden aan de woning in de periode januari tot en met juli 2003 verricht. Het bedrag van € 57.602, 00 is door [eiser] aan Staat Schilders B.V. betaald.

2.3. Aan meerwerk terzake van de woning van [eiser] heeft Staat een bedrag van € 49.899,29 exclusief BTW aan [eiser] in rekening gebracht. Daarvan heeft [eiser] een bedrag van € 20.000,00 aan Staat Schilders B.V. betaald.

3. De vordering in conventie

3.1. [eiser] vordert dat het de rechtbank behage, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat gedaagde in de nakoming van de overeenkomst tot het verrichten van schilderswerkzaamheden en stucwerkzaamheden jegens eiser in ernstige mate toerekenbaar is tekortgeschoten, en dat gedaagde aansprakelijk is voor de schade die eiser ten gevolge van deze tekortkoming heeft geleden;

2. gedaagde te veroordelen aan eiser te betalen een bedrag van € 150.000,00 ter vergoeding van de door eiser geleden schade, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten incassokosten conform rapport voorwerk II;

3. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Hij stelt daartoe het volgende.

3.2. [eiser] heeft de offerte van Staat van 15 augustus 2002 aanvaard waarbij volgens van Erp een BTW percentage van 6% is overeengekomen. Dat is door [eiser] zelf op de offerte van Staat geschreven welke offerte [eiser] kort na 15 augustus 2002 aan Staat heeft verstuurd. Van dat BTW percentage uitgaande heeft Staat nog een restantvordering van € 27.467,50 op [eiser]. Het niveau van het door Staat geleverde werk diende van een hoge kwaliteit te zijn. De kwaliteit van het door Staat geleverde werk voldeed echter niet aan hetgeen [eiser] redelijkerwijs daarvan mocht verwachten. Staat heeft uit hoofde van meerwerk een nieuwe stuclaag op de buitenmuren aangebracht hetgeen volgens haar tot een beter resultaat zou leiden. Desondanks voldeed het door Staat verrichte stuc- en schilderwerk niet aan hetgeen [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Dat blijkt ook uit een in opdracht van [eiser] vervaardigd opnamerapport van 19 oktober 2005 van DHV Bouw en Industrie B.V, opgesteld door de heer Looijen.

3.3. Staat had alvorens haar schilderswerkzaamheden aan de woning te verrichten zich ervan moeten vergewissen of er mogelijk nog vocht in de constructie aanwezig was omdat zij een dampvrije verflaag aan ging brengen. Dat heeft zij nagelaten. Staat heeft [eiser] niet gewaarschuwd voor vochtproblemen die zouden kunnen ontstaan. Staat had een andere verf moeten gebruiken en niet met een dampdichte verflaag moeten verven. Bovendien had zij [eiser] moeten waarschuwen voor de consequenties van het verven met een dampdichte verflaag.

3.4. Het schilderwerk hecht niet goed doordat in onvoldoende mate voorstrijk is aangebracht danwel de ondergrond onvoldoende is gereinigd door Staat.

Het door Staat aangebrachte stucwerk op de betonbalken en de aansluiting van de gevels aan de betonnen dakrand is niet goed uitgevoerd; de hoeken en randen zijn niet in een rechte lijn afgewerkt en het stucwerk laat op verschillende plaatsen door onvoldoende aanhechting los. Noch het schilderwerk noch het stucwerk voldeed aan hetgeen [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Staat is daarmee in ernstige mate tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen voortvloeiende uit haar overeenkomst met [eiser]. Als gevolg daarvan heeft [eiser] schade geleden welke hij begroot op een bedrag van € 150.000,00. [eiser] beroept zich op verrekening van de door hem geleden schade met de nog openstaande facturen voor het door Staat verrichte meerwerk en de nog door [eiser] te betalen BTW. Ook beroept [eiser] zich op opschorting van de op hem rustende betalingsverplichting jegens Staat. Ter zake van het door Staat gevorderde meerwerk betwist [eiser] een post ten bedrage van € 4.400,00 voor de reparatie van het beton en het plamuren van de kozijnen omdat die werkzaamheden al deel uitmaken van de offerte van 15 augustus 2002 en waarvoor [eiser] derhalve al heeft betaald. [eiser] is geen wettelijke rente verschuldigd omdat hij nimmer in gebreke is gesteld door Staat. [eiser] vordert buitengerechtelijke kosten en begroot die op een bedrag van € 2.915,99 conform rapport Voorwerk II.

4. Het verweer in conventie

4.1. De conclusie van Staat strekt tot niet-ontvankelijk verklaring althans ontzegging van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. Zij voert als verweer het volgende aan.

4.2. De offerte van Staat van 15 augustus 2002 was gebaseerd op een advies van Sigma. De keuze van de verf is door [eiser] en diens opzichter de heer Stravers goedgekeurd. Staat is een gecertificeerd bedrijf en werkt volgens vaste processen en conform technische adviezen. Staat heeft al haar werkzaamheden naar behoren uitgevoerd. Over kwaliteitsmaatstaven is nooit tussen partijen gesproken. Staat heeft hoofdzakelijk geschilderd en heeft geen stucwerk aangebracht op de buitenmuren. Staat heeft een zeer geringe hoeveelheid stucwerk laten verrichten aan 1 a 2 betonnen pilaren, hetgeen door Staat is uitbesteed aan stukadoorsbedrijf Kock. De hoeken en randen van de betonbalken zijn niet door Staat gestuct. Voor het schilderen heeft Staat steevast vochtmetingen verricht en die metingen werden door Stravers goedgekeurd alvorens Staat ging schilderen. De vochtmetingen waren goed. Ter zake van de betonnen pilaren heeft Staat halverwege haar werkzaamheden tegen [eiser] en Stravers gezegd dat er mogelijk vochtproblemen zouden kunnen ontstaan maar Staat diende volgens [eiser] en Stravers gewoon door te gaan met haar werkzaamheden. Het aanbrengen van voorstrijk is een standaardproces bij Staat en wordt door Staat altijd gebruikt en de bewering dat zulks niet of in onvoldoende mate is gebeurd blijkt nergens uit. Gelet op het feit dat Staat op nieuwe muren moest schilderen en het stucwerk kort voor haar (schilder)werkzaamheden was opgeleverd en derhalve nog schoon was, is de bewering van onvoldoende reiniging door Staat onzinnig.

4.3. In de door [eiser] in het geding gebrachte rapportage van DHV Bouw en Industrie B.V. wordt niet aangetoond dat de kwaliteit van het werk van Staat ondeugdelijk zou zijn en dat zulks te wijten zou zijn aan Staat. De gebreken die zijn geconstateerd vinden hun oorzaak in (stucadoors)werkzaamheden door derden. Ook uit een door Staat overgelegd door het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud vervaardigd rapport van 10 juni 2005 blijkt niet dat zich aan het schilderwerk van Staat gebreken voordoen. Staat is derhalve niet tekortgeschoten in de uitvoering van haar werkzaamheden. Tussen partijen is nooit een percentage van 6% BTW overeengekomen. Op enig moment na aanvang van haar werkzaamheden heeft [eiser] daarom verzocht en Staat heeft zich onverplicht ingespannen om dat te realiseren, hetgeen niet gelukt is vanwege de Belgische regelgeving. Voor [eiser] bestaat er derhalve geen beroep op verrekening of opschorting. De door [eiser] gevorderde schade is geschat en op geen enkele wijze onderbouwd. Staat betwist de gehoudenheid tot vergoeding en de omvang van de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten.

5. De vordering in reconventie

5.1. Staat vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen:

1. tot betaling van een bedrag van € 29.899,22, zijnde het restant van de meerwerksom;

2. tot betaling van een bedrag van € 22.652,74, zijnde de BTW (21%) over de aanneemsom en de meerwerksom;

3. tot betaling van de wettelijke rente over een bedrag van € 29.899,29 vanaf 21 augustus 2003, althans 10 juli 2003 tot aan de dag der algehele voldoening en over een bedrag van € 22.652,74 vanaf 10 juli 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

4. tot betaling van een bijdrage in de buitengerechtelijke kosten ad € 1.835,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 augustus 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

5. in de kosten van het geding.

Zij stelt daartoe het volgende.

5.2. Voor wat de omvang van de meerwerkvordering betreft heeft [eiser] met zijn pretense beroep op verrekening en opschorting de omvang van de meerwerkzaamheden erkend. [eiser] betwist slechts een bedrag van € 4.400,00 terzake reparatie van het beton en het plamuren van kozijnen dat dubbel zou zijn gevorderd door Staat. Dat meerwerk betrof evenwel uitgevoerde stucadoorswerkzaamheden door Kock voor het stucen van twee pilaren voor een bedrag van € 4.477,00.

5.3. Op basis van de overgelegde correspondentie is danwel had [eiser] op de hoogte moeten zijn van het BTW percentage van 21%, welk percentage Staat wettelijk verplicht is af te dragen aan de Belgische fiscus en wat zij ook heeft afgedragen. Er is geen BTW percentage van 6% tussen partijen overeengekomen.

5.4. De door Staat aan [eiser] verzonden facturen kennen een betalingstermijn van 30 dagen na factuurdatum zodat na het verstrijken van die termijn [eiser] sowieso in verzuim is indien hij de facturen niet heeft betaald. Wettelijke rente wordt gevorderd vanaf 30 dagen na ingebrekestelling, de gebruikelijke betalingstermijn van Staat. Verder en ten overvloede is [eiser] door Staat in gebreke gesteld bij brieven van 10 juni 2004, 27 juni 2005 en 23 november 2005. Staat vordert buitengerechtelijke kosten conform het rapport Voorwerk II ten bedrage van € 1.835,00.

6. Het verweer in reconventie

6.1. Hoewel [eiser] geen conclusie van antwoord in reconventie heeft genomen heeft hij in conventie (bij dagvaarding) en bij monde van zijn advocaat ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen het volgende als verweer aangevoerd.

6.2. Ter zake van het door Staat gevorderde meerwerk betwist [eiser] een post van € 4.400,00 voor de reparatie van het beton en het plamuren van de kozijnen omdat die werkzaamheden al deel uitmaken van de offerte van 15 augustus 2002 en waarvoor [eiser] reeds heeft betaald. Op de mededeling van Staat ter comparitie dat het daarbij zou gaan om uitgevoerde stucadoorswerkzaamheden door Kock ten bedrage van € 4.477,00, kan niet adequaat worden gereageerd omdat die mededeling de advocaat van [eiser] overvalt.

6.3. Volgens [eiser] is een BTW percentage van 6% tussen partijen overeengekomen. Dat is door [eiser] zelf op de offerte van Staat van 15 augustus 2002geschreven welke offerte (met de met de hand geschreven opmerking van 6% BTW) kort na 15 augustus 2002 door [eiser] aan Staat is verstuurd. Op voorhand zou [eiser] al tegen Staat hebben gezegd dat hij alleen akkoord zou gaan met de offerte als er 6% BTW berekend zou worden.

6.4. [eiser] is geen wettelijke rente verschuldigd omdat hij nimmer door Staat in gebreke is gesteld.

7. De beoordeling

in conventie

7.1. Als onweersproken staat vast dat partijen ter zake van hun geschil voor toepassing van Nederlands recht hebben gekozen.

7.2. Niet (voldoende ) is gebleken dat partijen concreet een (zeer hoge) kwaliteitsmaatstaf hebben afgesproken zodat van Staat - zoals gebruikelijk in dit soort zaken – de kwaliteit van een redelijk handelend en redelijk bekwaam schilder c.q stucadoor mocht worden verwacht. In dat verband gaat de rechtbank ervan uit - als onvoldoende gemotiveerd gesteld door [eiser] en voldoende gemotiveerd betwist door Staat - dat Staat hoofdzakelijk schilderswerkzaamheden heeft verricht en dat Staat in het kader van meerwerk behalve schilderswerkzaamheden uitsluitend 2 betonnen pilaren heeft laten stucen ( en niet een geheel nieuwe stuclaag op de buitenmuren heeft aangebracht zoals [eiser] heeft gesteld). Nu Staat niet verantwoordelijk is voor het overgrote deel van het stucwerk (omdat dat is aangebracht door derden) valt haar voor eventuele daaraan geconstateerde gebreken geen verwijt te maken. Het door [eiser] overgelegde rapport van DHV Bouw en Industrie B.V. kan hem in dat opzicht dan ook niet baten. Staat kan voor (gebreken aan) dat stucwerk niet aansprakelijk worden gesteld. Dat geldt derhalve voor de door [eiser] aan Staat gemaakte verwijten dat het stucwerk op de betonbalken en de aansluiting van de gevels aan de betonnen dakrand niet goed is uitgevoerd en dat het stucwerk op verschillende plaatsen (op de buitenmuren) door onvoldoende aanhechting loslaat. Daarvoor kan [eiser] - meer in het bijzonder zonder nadere toelichting die ontbreekt - Staat niet aansprakelijk stellen. Ter zake van de wel door Staat gestucte 2 betonnen pilaren heeft [eiser] niet danwel onvoldoende gesteld dat daaraan gebreken (van het stucwerk) kleefden. Voor het door Staat verrichte stucwerk (aan de 2 betonnen pilaren) treft haar derhalve geen verwijt.

7.3. Ter zake van het schilderwerk verwijt [eiser] aan Staat 1) dat zij zich niet danwel onvoldoende ervan heeft vergewist dat er nog vocht in de constructie aanwezig was, 2) dat zij [eiser] niet heeft gewaarschuwd voor eventuele vochtproblemen en het verven met een dampdichte verf(laag), 3) dat zij een andere verf had moeten gebruiken, 4) dat zij onvoldoende voorstrijk heeft aangebracht danwel 5) dat zij de ondergrond onvoldoende heeft gereinigd.

7.4. Van de zijde van Staat is daartegen gemotiveerd aangevoerd dat de keuze van de verf op advies van Sigma heeft plaatsgevonden en dat die keuze is goedgekeurd door [eiser] en door diens opzichter Stravers.Verder heeft Staat aangevoerd dat zij een gecertificeerd bedrijf is dat werkt volgens vaste processen en overeenkomstig technische adviezen en dat zij steevast voor het schilderen vochtmetingen heeft verricht welke door Stravers werden goedgekeurd en dat de vochtmetingen altijd goed waren. Daarnaast stelt Staat dat zij [eiser] heeft gewaarschuwd voor mogelijke vochtproblemen (ter zake van de betonnen pilaren) en dat zij desalniettemin van [eiser] en Stravers door moest gaan met haar werkzaamheden. Tenslotte voert Staat aan dat het aanbrengen van voorstrijk een standaardproces is en dat dat altijd is gebeurd en dat de ondergrond schoon was omdat het ging om nieuwe muren die pas gestuct waren.

7.5. In het licht van de gemotiveerde betwistingen dienaangaande door Staat heeft [eiser] zijn stellingen niet nader geconcretiseerd en onderbouwd en ook het door [eiser] overgelegde rapport is daartoe onvoldoende omdat daarin slechts melding wordt gemaakt van “waarschijnlijke” oorzaken die door Staat gemotiveerd zijn bestreden. [eiser] heeft derhalve onvoldoende gespecificeerd gesteld zodat aan verdere bewijslevering in het kader van (de kwaliteit van) de schilderswerkzaamheden niet wordt toegekomen.

7.6. Anders dan [eiser] is de rechtbank derhalve van oordeel dat Staat niet is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende (schilders/stucadoors)verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Ook een beroep op opschorting en verrekening komt [eiser] in dat licht niet toe. Dit betekent dat de vorderingen [eiser] (tot de verzochte verklaring voor recht, schadevergoeding, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente) zullen worden afgewezen. De door [eiser] nog betwiste meerwerkpost ten bedrage van € 4.400,00 en de door hem aangekaarte BTW kwestie zullen om proceseconomische redenen worden behandeld bij de reconventionele vordering van Staat.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de proceskosten.

In reconventie

7.7. Ter zake van de meerwerkvordering van Staat ten bedrage van € 29.899,22 wordt door [eiser] een bedrag van € 4.400 betwist omdat dat dubbel zou zijn gevorderd en al betaald zou zijn door [eiser]. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen is van de zijde van Staat genoegzaam aangetoond dat het daarbij gaat om een bedrag van € 4.477,00 voor door Kock uitgevoerde stucadoorswerkzaamheden. Deze uitleg acht de rechtbank ook aannemelijk. Dat van de zijde van [eiser] toen is medegedeeld dat daarop niet adequaat kon worden gereageerd komt voor zijn eigen rekening en risico, eens temeer nu van de zijde van Staat reeds in haar conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie (in nr. 93) al gewag wordt gemaakt van die stucadoorswerkzaamheden en kosten. Als onvoldoende met redenen omkleed wordt derhalve de betwisting van [eiser] verworpen. In conventie is verder al uitgemaakt dat geen sprake is geweest van toerekenbare tekortkomingen door Staat bij de door haar uitgevoerde werkzaamheden uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Aldus ligt de door Staat gevorderde meerwerkvordering voor een bedrag van € 29.899,22 voor toewijzing gereed.

7.8. Het overeengekomen BTW percentage houdt partijen verdeeld. Op basis van de offerte van Staat van 15 augustus 2002 waarin een BTW percentage 19 % is vermeld en de zonder enig voorbehoud in dat opzicht verstuurde schriftelijke bevestiging (van die offerte) van 3 juni 2003 door [eiser] (prod. 3 bij CVA) acht de rechtbank voorshands aannemelijk dat dat percentage is afgesproken, behoudens tegenbewijs door [eiser] van zijn stelling dat partijen een BTW percentage van 6% zouden hebben afgesproken. Nu [eiser] zich beroept op een andersluidende afspraak tussen partijen en de rechtbank voorshands behoudens tegenbewijs uitgaat van de stelling van Staat en een overeengekomen BTW percentage van 19 %, zal [eiser] worden toegelaten tot het leveren van het bewijs dat tussen partijen een BTW percentage van 6 % is overeengekomen. In haar (BTW)vordering stelt Staat evenwel dat zij aanspraak maakt op een BTW percentage van 21% (zijnde het Belgische tarief). Nu ook dat door [eiser] gemotiveerd wordt betwist rust de bewijslast van die stelling op Staat en zij zal tot het leveren van dat bewijs worden toegelaten en wel mede uit proces-economische overwegingen ter gelegenheid van de contra-enquête in het kader van de hiervoor aan [eiser] gegeven bewijsopdracht.

7.9. Partijen verschillen verder van mening over de vraag of [eiser] wel deugdelijk in gebreke is gesteld. Anders dan Staat aanvoert vormen de in haar facturen genoemde betalingstermijnen (van 30 dagen na factuurdatum) geen fatale termijn in de zin van artikel 6:83 sub a B.W. omdat die termijn niet eenzijdig door Staat aan [eiser] kan worden opgelegd en niet is gebleken en aangevoerd door Staat dat partijen uitdrukkelijk bij overeenkomst en/of toepasselijke algemene voorwaarden een fatale termijn zijn overeengekomen. De brieven van Staat aan [eiser] van 10 juni 2004 en 27 juni 2005 vormen evenmin ingebrekstellingen omdat daarin niet is voldaan aan de vereisten van een ingebrekestelling zoals voortvloeit uit artikel 6:82 B.W.; die brieven bevatten namelijk geen (duidelijke) aanmaning, termijnstelling en aansprakelijkstelling. De brief van de zijde van Staat aan [eiser] van 23 november 2005 voldoet wel aan die vereisten zodat op basis van die brief het verzuim van [eiser] is ingetreden op 3 december 2005 en wettelijke rente vanaf die datum door [eiser] verschuldigd is.

7.10. Uit de stellingen van Staat blijkt onvoldoende dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, laat staan dat deze zijn gespecificeerd, zodat haar vordering ter zake van buitengerechtelijke kosten, die door de rechtbank ambtshalve wordt getoetst aan het rapport Voorwerk II, zal worden afgewezen.

In conventie en in reconventie

Mede uit proces-economische overwegingen zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

8. De beslissing

De rechtbank:

draagt [eiser] op te bewijzen in het kader van tegenbewijs tegen de voorshands aannemelijk geachte stelling dat tussen partijen een percentage van 19 % BTW is overeengekomen - desgewenst door middel van getuigen - dat tussen partijen een percentage van 6% BTW is afgesproken;

draagt Staat op te bewijzen - desgewenst door middel van getuigen - dat tussen partijen een BTW percentage van 21 % is afgesproken;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 13 februari 2008 om [eiser] in de gelegenheid te stellen alsdan bij akte bewijsstukken over te leggen en/of de namen en woonplaatsen van de voor te brengen getuigen op te geven en de verhinderdata van die getuigen en van beide partijen en hun raadslieden in de daaropvolgende vier maanden mede te delen;

houdt elke nadere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Visser en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2008.?