Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BC1747

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
60535 HA ZA 05-2542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aannemer niet aansprakelijk voor ondeugdelijke bouwconstructie, nu bewezen is dat de opdrachtgever de rekeningen & berekeningen zou verzorgen, dosch deze, ondanks aandringen, niet heeft verwerkt, terwijl wel doorgebouwd moest worden. Enige kleine postjes wel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 60535 / HA ZA 05-2542

vonnis van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te Gorinchem,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur: mr. J.A. Visser,

tegen

[gedaagde], h.o.d.n. B.V.L. Bouwbedrijf,

wonende te Dordrecht,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur: mr. A.F. Ammerlaan.

Partijen worden hieronder aangeduid als [eiser] en [gedaagde].

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- tussenvonnis van 20 december 2006 en de daarin genoemde stukken

- proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 maart 2007 (enquête)

- proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 mei 2007 (contra-enquête)

- conclusie na enquête

- antwoordconclusie na enquête

- de overgelegde producties.

2. De nadere beoordeling in conventie

2.1. Van de productie die [eiser] heeft overgelegd bij antwoordconclusie na enquête neemt de rechtbank geen kennis nu [gedaagde] daar niet op heeft kunnen reageren.

2.2. Aan [gedaagde] is bij tussenvonnis van 20 december 2006 het bewijs opgedragen dat hij “[eiser] tijdig heeft gewaarschuwd voor het ontbreken van detailconstructietekeningen en -berekeningen en de gevolgen daarvan, alsmede [eiser] heeft gewaarschuwd voor de (te) zware dakconstructie/opbouw en dat [eiser] hem desondanks heeft opgedragen door te bouwen;”

2.3. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] geslaagd is in het leveren van voormeld bewijs, gelet op de verklaringen van de vijf getuigen die [gedaagde] heeft voorgebracht. Deze vijf verklaringen luiden samengevat als volgt.

2.3.1. Getuige [get. 1 g[get. 1 gedaagde], die destijds enige maanden werkzaam was voor [gedaagde], verklaart:

-dat hij in het pand werkte;

-dat hij [gedaagde] na afloop van een bespreking met [eiser] hoorde zeggen dat de dakconstructie te zwaar was en dat de detailconstructietekeningen ontbraken, maar dat er toch doorgebouwd moest worden omdat dat moest van [eiser], die zei dat alles was doorberekend.

2.3.2. Getuige [get. 2 gedaa[get. 2 gedaagde], zelfstandig metselaar, verklaart:

-dat hij in opdracht van [gedaagde] metselwerk heeft verricht aan het pand;

-dat hij (ook) zelf om de detailconstructietekeningen heeft gevraagd aan [gedaagde];

-dat [gedaagde] toen heeft gezegd dat zulks geregeld zou worden, maar dat hij, [get. 2 gedaagde], ze nooit heeft mogen ontvangen;

-dat hij ook [gedaagde] aan [eiser] om de bestektekeningen heeft horen vragen, dat [get. 2 gedaagde] toen weliswaar niet het antwoord van [eiser] kon verstaan maar dat [get. 2 gedaagde] vervolgens [gedaagde] heeft horen zeggen dat de detailconstructietekeningen er volgens [eiser] aan zaten te komen.

2.3.3. Getuige [get. 3 gedaa[get. 3 gedaagde], die destijds als werknemer van [gedaagde] werkzaamheden verrichtte aan het pand, verklaart:

-dat [gedaagde] wel vijftien of twintig keer naar de detailconstructietekeningen heeft gevraagd;

-dat [gedaagde] al voor de aanvang van de bouw aan [eiser] heeft voorgehouden dat de dakconstructie te zwaar was;

-dat [eiser] heeft geantwoord “het is allemaal berekend, ga gewoon door”;

-dat [eiser] steeds zei dat de detailconstructietekeningen er aan kwamen;

-dat [eiser] zijn oude woning al had opgezegd en graag snel het pand wilde betrekken;

-dat hij aanwezig was toen [gedaagde] de constructeur opbelde die de berekeningen had moeten verzorgen ([constructeur]), en dat hij uit dat gesprek afleidde dat de constructeur de berekeningen niet had (af-) gemaakt omdat hij niet door [eiser] was betaald.

2.3.4. Getuige [get. 4 gedaagde], die als zelfstandig projectontwikkelaar in opdracht van [eiser] de onderhavige bouwvergunning heeft aangevraagd, verklaart:

-dat een gemeente een bouwvergunning pleegt te verlenen op voorwaarde dat voor aanvang van de bouw de detailconstructieberekeningen aanwezig zijn, zij het dat soms een gemeente wat coulanter kan zijn;

-dat hij in dit geval geen gedetailleerde constructieberekeningen heeft gezien;

-dat [gedaagde] hem tijdens de bouw heeft opgebeld met de vraag wat het telefoonnummer was van de constructeur, omdat [gedaagde] zich zorgen maakte of de constructie niet te zwaar was.

2.3.5. Partijgetuige [gedaagde] verklaart in gelijke zin als de getuigen [get. 1 gedaagde], [get. 2 gedaagde] en [get. 3 gedaagde].

2.3.6. De rechtbank twijfelt niet aan de juistheid van de -gedetailleerde en overeenstemmende- verklaringen van de getuigen die [gedaagde] heeft voorgebracht.

2.4. In het leveren van tegenbewijs is [eiser] niet geslaagd, op grond van het volgende.

2.4.1. [eiser] heeft twee getuigen voorgebracht, zich zelf en [get. 1 eiser], een door hem zelfstandig bouwkundige.

2.4.2. [eiser] verklaart dat er wél detailconstructietekeningen en -berekeningen voorhanden waren. De rechtbank gaat aan deze verklaring voorbij, gelet op de vele

-gedetailleerde- andersluidende verklaringen van de getuigen aan de zijde van [gedaagde]. Zo wordt van de zijde van [eiser] gesteld dat op 3 januari 2002 (datum van aanvraag bouwvergunning) alle vereiste tekeningen en berekeningen aanwezig waren (zie nrs. 6 en 9 conclusie van repliek) terwijl getuige [get. 4 gedaagde] (die de bouwaanvraag voor [eiser] heeft ingediend) uitdrukkelijk heeft verklaard dat bij de bouwaanvraag geen gedetailleerde constructietekeningen en -berekeningen zaten en dat hij ([get. 4 gedaagde]) die ook nooit heeft gezien. Daarbij komt dat [eiser] in zijn getuigenverklaring stelt zich wel te kunnen voorstellen dat [get. 4 gedaagde] niet bekend was met de berekeningen van (constructeur, toevoeging rechtbank) [constructeur] terwijl hij in zijn conclusie van repliek (nr. 19) aangeeft pas in januari 2003 voor het eerst contact te hebben gehad met [constructeur] en dat hij [constructeur] in september 2002 niet eens kende. Aldus zijn de verklaringen/ stellingen van [eiser] niet goed (met elkaar) te rijmen. [eiser] staat volledig alleen in zijn verklaringen.

2.4.3. [get. 1 eiser] verklaart dat hij niets weet over het probandum. [get. 1 eiser] verklaart (wel):

-dat het spant uit slechts één deel behoort te bestaan en dat dit ook op de tekening stond;

-dat na de bouw door [gedaagde] het spant uit twee delen bestond, hetgeen spatkrachten oplevert die het wegschieten van het spantbeen kan veroorzaken;

-dat [get. 1 eiser] dit aan [gedaagde] heeft voorgehouden;

-dat [gedaagde] toen heeft gezegd het werk met trekstangen verricht te hebben, hetgeen [gedaagde] genoegzaam achtte;

-dat [get. 1 eiser] hierbij ernstige twijfels heeft en dat het rekentechnisch aangetoond moet worden;

-dat je als aannemer over gedetailleerde tekeningen en berekeningen moet beschikken om te kunnen bouwen.

2.4.4. De rechtbank gaat ook aan de verklaring van [get. 1 eiser] voorbij. Als [eiser] met deze verklaring beoogt te stellen dat de problemen met het pand veroorzaakt worden doordat [gedaagde] ten onrechte een spant in twee delen heeft gerealiseerd, dan faalt dit. De rechtbank kan uit de verklaring van [get. 1 eiser], voor zover juist, niet afleiden dat de aanwezigheid van een spant in twee delen is terug te voeren op enige andere oorzaak dan de afwezigheid van detailconstructietekeningen en -berekeningen. Of thans detailconstructietekeningen en

-berekeningen voorhanden zijn is irrelevant. Het gaat er om of ze voorhanden waren toen [gedaagde] ze nodig had ten behoeve van de bouw, dat [gedaagde] er steeds om vroeg aan [eiser] maar ze toen niet kreeg.

2.5. Slotsom is dat gebreken die zijn terug zijn te voeren op de afwezigheid van detailconstructietekeningen en -berekeningen niet aan [gedaagde] toerekenbaar zijn. De vordering in conventie wordt derhalve grotendeels, behoudens het navolgende, afgewezen.

2.6. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding in verband met de afbouwgebreken. Dit deel van vordering lag al voor toewijzing gereed, gelet op het tussenvonnis van 20 december 2006. Vastgesteld moest nog worden wat de omvang van die schade was. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid in het tussenvonnis van 20 december 2006 (r.o. 4.11) om zich bij akte na bewijslevering nader uit te laten over de exacte omvang van die schadeposten ter zake van de afbouwgebreken. De rechtbank begroot daarom de schade van [eiser] ter zake van afbouwgebreken naar redelijkheid en billijkheid op EUR 6.000. De rechtbank betrekt in het oordeel dat het bij de afbouwgebreken gaat om de nummers 8 tot en met 16 in het rapport van [get. 1 eiser] van 23 april 2005. Dit blijkt genoegzaam uit de getuigenverklaring van [get. 1 eiser] op dit onderdeel. Voor wat betreft de omvang van deze herstelkosten sluit de rechtbank aan bij de bedragen die [get. 1 eiser] noemt in zijn voormelde rapport onder D en begroot deze naar redelijkheid en billijkheid op EUR 6.000.

2.7. [eiser] vordert een schadevergoeding van EUR 3.000 aan buitengerechtelijke kosten, waarvan EUR 1.819 aan kosten van het inroepen van deskundige [get. 1 eiser]. Nu de hoofdvordering van [eiser] voor een groot deel wordt afgewezen, zij het dat aan [eiser] wel een schadevergoeding toekomt voor afbouwgebreken, begroot de rechtbank de schade die voor vergoeding in aanmerking komt naar redelijkheid en billijkheid op EUR 910.

2.8. Aan [eiser] zal mitsdien EUR 6.910 worden toegewezen.

2.9. De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat [gedaagde] in verzuim is geraakt per 23 januari 2003 (tussenvonnis van 20 december 2006, r.o. 4.9). De vordering tot vergoeding van wettelijke rente vanaf 23 januari 2003 zal derhalve worden toegewezen.

2.10. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in een vergoeding van de proceskosten van [gedaagde]. Deze kosten worden begroot op:

- vast recht EUR 750,00

- getuigenkosten (enquête) 414,00

- salaris procureur 2.895,00 (5 punten × tarief EUR 579)

Totaal EUR 4.059,00

3. De nadere beoordeling in reconventie

3.1. In geding is de vordering van [gedaagde] tot betaling door [eiser] van vier facturen.

factuur 1

3.2. De vordering van [gedaagde] tot betaling door [eiser] van factuur 2057-A ad

EUR 7.401,08 wordt toegewezen. Aan [eiser] kwam immers slechts een opschortingsrecht toe totdat in conventie zou zijn beslist (tussenvonnis van 20 december 2006, r.o. 4.13).

factuur 2

3.3. De vordering van [gedaagde] tot betaling van factuur 2057 van EUR 16.500 (plaatsen trekstangen) wordt eveneens toegewezen. Er is immers in conventie gebleken dat [gedaagde] ten aanzien van de constructiefouten geen aansprakelijkheid treft. De trekstangen waren ook volgens de constructeur nodig en behoren derhalve voor rekening van [eiser] te komen. Er is sprake van meerwerk en niet van herstel van een eigen fout van [gedaagde].

factuur 3

3.4. De vordering van [gedaagde] tot betaling van factuur 2057 C lag al voor afwijzing gereed.

factuur 4

3.5. Aan [gedaagde] is het bewijs opgedragen dat hij “met [eiser] is overeengekomen dat [eiser] zou betalen voor de werkzaamheden waarvoor factuur 2057-D in rekening is gebracht, te weten het plaatsen van kozijnen.” De factuur betreft een vordering van

EUR 2.737,00. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] geslaagd is in het leveren van het bewijs. De getuigenverklaring van [gedaagde] zelf -dat is afgesproken dat [eiser] zou betalen voor de plaatsing van kozijnen- wordt ondersteund door de getuigenverklaring van getuige [get. 4 gedaagde]. Laatstgenoemde verklaart:

-dat hij telefonisch benaderd werd door [gedaagde] over deze kwestie;

-dat [gedaagde] aangaf bevreesd te zijn dat hij niet betaald zou worden voor de plaatsing van de kozijnen, vanwege de verslechterende verhoudingen met [eiser];

-dat [get. 4 gedaagde] toen [gedaagde] heeft aangeraden om vooruitbetaling van 50 % te vragen aan [eiser].

Voorts verklaart getuige [get. 3 gedaagde] dat hij heeft gehoord dat [eiser] en [gedaagde] spraken over deze kwestie, en dat daarbij is gezegd dat de helft vooraf moest worden betaald en de helft achteraf. De rechtbank acht aldus bewezen dat [gedaagde] niet genegen was om af te zien van betaling. Tegenbewijs is niet (voldoende) geleverd. Daartoe volstaat niet de enkele andersluidende verklaring van [eiser].

3.6. Van de facturen wordt mitsdien toegewezen (7.401,08 + 16.500 + 2.737=)

EUR 26.638,08. De wettelijke rente hierover zal, zoals gevorderd en niet weersproken, vanaf

7 september 2005 worden toegewezen.

3.7. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in een vergoeding van de proceskosten van [gedaagde]. Deze kosten worden begroot op

EUR 1.447,50 aan salaris procureur (2,5 punt × tarief EUR 579 × factor ½, nu de vordering in belangrijke mate voortvloeit uit het verweer in conventie).

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

3.8. veroordeelt [gedaagde], uitvoerbaar bij voorraad, om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 6.910 (zesduizend negenhonderd en tien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2003 tot de dag van volledige betaling;

3.9. veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot op heden begroot op EUR 4.059,00 (vierduizend negenvijftig euro);

3.10. wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

3.11. veroordeelt [eiser], uitvoerbaar bij voorraad, om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van EUR 26.638,08 (zesentwintig duizend zeshonderd en achtendertig euro en acht cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2005 tot de dag van volledige betaling;

3.12. veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot op heden begroot op EUR 1.447,50 (veertienhonderd zevenenveertig euro en vijftig cent) ;

3.13. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Visser en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 9 januari 2008.