Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BC1130

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
03-01-2008
Zaaknummer
11/500432-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden wegens het plegen in vereniging van een gewapende overval in 2005 te Dordrecht. De rechtbank acht het DNA-spoor bruikbaar voor het bewijs en acht de verklaring van de verdachte onaannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 11/500432-07

Zittingsdatum : 20 december 2007

Uitspraak: 3 januari 2008

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1969,

wonende te [adres en woonplaats].

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 september 2005 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (schouder)tas met daarin een portemonnee

en/of een geldbedrag en/of een rijbewijs en/of één of meerdere pasje(s) en/of een groene kaart (van een Citroën Berlingo met kenteken 94-HP-HG) en/of foto's en/of een (mobiele) telefoon en/of één of meerdere sleutel(s) en/of een

paraplu, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) - zakelijk weergegeven

- een (grijze) pijp (van ongeveer 40 cm) boven zijn/hun hoofd heeft/hebben gehouden en daarbij heeft/hebben gezegd 'dit is een overval, geef geld' en/of

- bij die [slachtoffer] op de rug is/zijn gesprongen en/of- aan de (schouder)tas van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en/of

- die [slachtoffer] bij de benen heeft/hebben gepakt en die [slachtoffer] (vervolgens)op de grond heeft/hebben gegooid en/of

- op de benen, althans het lichaam van die [slachtoffer] is/zijn gaan zitten en/of

- die [slachtoffer] in het kruis heeft/hebben gegrepen en/of

- zijn/hun armen om de nek van die [slachtoffer] heeft/hebben geklemd en die [slachtoffer] (vervolgens) in een wurggreep heeft/hebben gehouden.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 27 september 2005 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (schouder)tas met daarin een portemonnee en/of een geldbedrag en/of een rijbewijs en pasjes en een groene kaart (van een Citroën Berlingo met kenteken 94-HP-HG) en foto's en een (mobiele) telefoon en sleutels en een paraplu toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader- zakelijk weergegeven

- een (grijze) pijp (van ongeveer 40 cm) boven zijn/hun hoofd heeft/hebben gehouden en daarbij heeft/hebben gezegd 'dit is een overval, geef geld' en

- bij die [slachtoffer] op de rug is/zijn gesprongen en

- aan de (schouder)tas van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en

- die [slachtoffer] bij de benen heeft/hebben gepakt en die [slachtoffer] (vervolgens) op de grond heeft/hebben gegooid en

- op de benen van die [slachtoffer] is/zijn gaan zitten en

- die [slachtoffer] in het kruis heeft/hebben gegrepen en

- zijn/hun armen om de nek van die [slachtoffer] heeft/hebben geklemd en die [slachtoffer](vervolgens)in een wurggreep heeft/hebben gehouden.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverweging

Door en namens de verdachte is betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat het enkele DNA-spoor dat van verdachte is aangetroffen onvoldoende is om tot de overtuiging te komen dat verdachte als medepleger van de beroving kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van verdachtes betrokkenheid bij de gewapende beroving leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen het volgende af:

- de rechtbank stelt uit eigen waarneming ter terechtzitting vast dat verdachte een lichtgetinte huid heeft en aldus voor dit onderdeel past in het signalement van één van de daders zoals opgegeven door het slachtoffer;

- een DNA-spoor van verdachte is aangetroffen op de jas van het slachtoffer (AH.13);

- de frequentie DNA-profiel is minder dan één op één miljard (AH.11).

Deze feiten en omstandigheden, in samenhang beschouwd, moeten redengevend worden geacht voor het bewijs van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Daarbij komt de omstandigheid dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn bloed op de jas van het slachtoffer en zodanige verklaring ook overigens niet is gebleken. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een gewelddadige beroving van het slachtoffer in het Willem Dreeshof te Dordrecht op 27 september 2005.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN OF GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving in de vroege ochtenduren van 27 september 2005 in het Willem Dreeshof te Dordrecht, waarbij het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen. Beiden hebben het slachtoffer met een metalen pijp bedreigd waarbij bedreigende woorden zijn gebezigd. Daarnaast is het slachtoffer op de rug gesprongen, bij de benen gepakt en op de grond gegooid. Voorts is het slachtoffer in het kruis gegrepen en is een zogenaamde wurggreep aangelegd. De verdachte en zijn mededader hebben vervolgens aan de schoudertas van het slachtoffer getrokken en deze weggenomen. In deze schoudertas bevonden zich meerdere goederen.

Gebeurtenissen als de onderhavige kunnen voor slachtoffers traumatisch zijn en vormen een grote inbreuk op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. Slachtoffers kunnen daardoor angstgevoelens ontwikkelen waardoor zij niet meer vrijelijk over straat durven te bewegen. Ook in de samenleving in het algemeen veroorzaken dit soort feiten gevoelens van angst en onveiligheid.

Bij haar oordeelsvorming omtrent de uiteindelijke strafmodaliteit alsmede de duur daarvan betrekt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen in het (vroeghulp)rapport van Reclassering Nederland d.d. 7 augustus 2007 en zoals deze ook overigens ter terechtzitting zijn gebleken. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank een onvoorwaardelijke straf onontkoombaar.

Voorts heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 december 2007. Uit dat uittreksel blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld ter zake van vermogens- en geweldsdelicten en wel in 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007. De rechtbank zal dan ook de recidive ten nadele van verdachte meewegen.

Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een vrijheidsstraf van na te melden duur passend en geboden.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

* een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. R.R. Roukema en mr. G.A.J.M. van Vugt, rechters,

in tegenwoordigheid van P.J.F.M. Vermaat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 januari 2008.

(wegens afwezigheid is mr. Van Vugt buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen)