Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BC2070

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/536
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres (de werkgeefster), door een arts-gemachtigde in te schakelen die als medicus gemotiveerd heeft betwist dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig tot stand is gekomen en concludent is, het redelijkerwijs mogelijke gedaan om haar standpunt dat verweerder de werkneemster ten onrechte ongewijzigd volledig arbeidsongeschikt acht te onderbouwen. Er kan in dit verband niet aan worden voorbijgezien dat eiseres het niet in haar macht heeft de werkneemster door een medicus te (doen) onderzoeken met het oog op het leveren van (tegen)bewijs aangaande de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster.

Verweerder heeft niet gesteld dat de kritiek van de arts-gemachtigde reeds zonder raadpleging van een deskundige als niet steekhoudend kan worden aangemerkt. De rechtbank acht dit ook niet op voorhand aannemelijk. Gelet daarop had het op de weg van verweerder gelegen de brief van de arts-gemachtigde voor te leggen aan de bezwaarverzekeringsarts of een andere medisch deskundige met het verzoek daarop te reageren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/536

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

Super de Boer Sterrenburg B.V., gevestigd te Dordrecht, eiseres,

gemachtigde: mr. Y.G.B. Coonen-ter Braak, werkzaam bij BDO CampsObers Arbeidsjuristen B.V. te 's-Gravenhage,

tegen

De Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: D. Meijers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 9 juli 2001 heeft een verzekeringsarts van Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. (rechtsvoorgangster van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, beide hierna aangeduid als: verweerder) mevrouw [XXX], voormalig werkneemster van eiseres (hierna: werkneemster), bericht dat zij in beginsel recht houdt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en dat zij blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100 %.

Tegen deze brief heeft eiseres bij brief van 22 januari 2002 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 28 maart 2002 heeft verweerder bepaald dat de uitkering van werkneemster krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) ongewijzigd wordt voortgezet en dat haar arbeidsongeschiktheidsklasse niet verandert.

Bij besluit van 12 november 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van 22 januari 2002 van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 12 december 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Bij uitspraak van 25 februari 2005 (procedurenummer AWB 03/1140) heeft de rechtbank Dordrecht het beroep van eiseres gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van eiseres tegen de brief van 9 juli 2001 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2007 (procedurenummer 05/2136 WAO; LJN BA4412) heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) de rechtbankuitspraak van 25 februari 2005 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

De zaak is op 9 november 2007 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiseres is niet verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, WAO is geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, WAO, zoals luidend op de datum in geding, heeft de verzekerde die arbeidsongeschikt wordt, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.

Artikel 36, eerste lid, WAO schrijft voor dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer degene, aan wie zij is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.

2.2. In zijn uitspraak van 24 april 2007 heeft de CRvB geoordeeld dat de brief van 9 juli 2001 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voorts heeft de CRvB geoordeeld dat verweerder het bezwaar van eiseres tegen deze brief terecht niet niet-ontvankelijk heeft verklaard bij gebreke van een afzonderlijk gemaakt bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2002 van verweerder.

Gezien de uitspraak van 24 april 2007 van de CRvB gaat de rechtbank uit van het bestaan van een ontvankelijk bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 maart 2002 van verweerder en merkt de rechtbank het bestreden besluit aan als de beslissing op dit bezwaar. Gelet hierop staat ter beoordeling van de rechtbank of het bestreden besluit, waarbij het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 maart 2002 ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

2.3. Verweerder heeft werkneemster met ingang van 10 oktober 2000 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100 %.

Bij besluit van 28 maart 2002 heeft verweerder werkneemster na een zogenoemde eerstejaars herbeoordeling ongewijzigd volledig arbeidsongeschikt geacht en bij het bestreden besluit heeft hij het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 maart 2002 ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige.

2.4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2002 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Volgens eiseres heeft verweerder onvoldoende onderzoek verricht naar de belastbaarheid van werkneemster en is deze tekortkoming in bezwaar onvoldoende hersteld. Eiseres verwijst in dit verband naar de brief van 17 oktober 2003 van haar toenmalige arts-gemachtigde, waarin onder meer is aangevoerd dat de diagnose van de knieklachten niet medisch is onderbouwd, dat de gestelde ernst van de knieklachten niet valt te rijmen met het ontbreken van behandelingen en dat het herstelgedrag van werkneemster niet adequaat is.

2.5. De rechtbank overweegt het volgende.

2.5.1. De bezwaarverzekeringsarts heeft eiseres op 6 maart 2003 onderzocht. In haar rapport van dezelfde datum heeft de bezwaarverzekeringsarts onder meer vermeld dat werkneemster een reële indruk maakt in de presentatie van haar klachten en dat bij lichamelijk onderzoek aggrevatie lijkt uit te sluiten. Werkneemster kon de knie met moeite en pijn bijna helemaal strekken, maar niet overstrekken. Er was geen duidelijke roodheid of zwelling. Na het gesprek met de bezwaarverzekeringsarts stond werkneemster met steun aan het bureau op en was de knie wat stijver. Verder is geen uitgebreid onderzoek verricht. Er is sprake van knieklachten rechts op basis van ernstige chondropatie patella.

Mede op basis van een psychologisch onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts voorts de diagnose depressie met agorafobische/sociofobische kenmerken gesteld.

Op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en anamnese heeft de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van eiseres verwoord en vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 6 maart 2003. Beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden.

Bij brief van 24 augustus 2004 heeft de toenmalige arts-gemachtigde van eiseres nader toegelicht waarom het op 6 maart 2003 door de bezwaarverzekeringsarts (in de brief ten onrechte de primaire verzekeringsarts genoemd) verrichte onderzoek volgens eiseres tekortschiet. Er heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar de trofiek van de bovenbeenmusculatuur, terwijl dergelijk onderzoek bij uitstek informatie kan opleveren over de ernst van de veronderstelde afwijking. Ook vermeldt het onderzoeksverslag niets over de toestand van de patella, waaraan niettemin ernstige afwijkingen worden verondersteld. Evenmin is onderzoek verricht naar het bandapparaat en de meniscussen. Met betrekking tot de toegepaste behandeling wordt volstaan met kennisneming van het gegeven dat de fysiotherapie bij gebrek aan resultaat is bevestigd. De onderzoeksbevindingen die worden vermeld, het ontbreken van roodheid en zwelling, zijn in strijd met de diagnose ernstige chondropathie en de daaraan toegeschreven beperkingen.

In zijn brief van 24 augustus 2004 heeft de toenmalige arts-gemachtigde van eiseres voorts kritiek geleverd op het onderzoek naar de psychische klachten van werkneemster. Zo is, evenals als in bezwaar, naar voren gebracht dat werkneemster geen gerichte psychotherapeutische behandeling ondergaat en dat zij geen medicijnen gebruikt voor haar psychische klachten, hetgeen volgens de arts-gemachtigde niet duidt op ernstige beperkingen als gevolg van deze psychische klachten. Verder is aangevoerd dat de verzekeringsarts geen informatie heeft ingewonnen bij de behandelende sector. Mede gelet hierop is volgens de arts-gemachtigde niet voldoende duidelijk op basis waarvan de bezwaarverzekeringsarts tot het oordeel komt dat sprake is van een depressie en (straat)fobische klachten, zo is reeds in bezwaar (bij brief van 17 oktober 2003) aangevoerd.

2.5.2. De voormelde door de toenmalige arts-gemachtigde van eiseres geuite kritiek op het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts naar de knieklachten en de psychische klachten van werkneemster en op de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot deze klachten, moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van het reeds in bezwaar door eiseres ingenomen standpunt dat het onderzoek naar de beperkingen van werkneemster niet volledig is geweest. Afgezien daarvan mogen volgens vaste jurisprudentie van de CRvB in beroep in beginsel nieuwe gronden en argumenten worden aangevoerd. Gelet hierop zal de rechtbank het gestelde in de brief van 24 augustus 2004 betrekken bij de beoordeling van het beroep.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, door een arts-gemachtigde in te schakelen die als medicus gemotiveerd heeft betwist dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig tot stand is gekomen en concludent is, het redelijkerwijs mogelijke gedaan om haar standpunt dat verweerder werkneemster ten onrechte ongewijzigd volledig arbeidsongeschikt acht te onderbouwen. Er kan in dit verband niet aan worden voorbijgezien dat eiseres het niet in haar macht heeft werkneemster door een medicus te (doen) onderzoeken met het oog op het leveren van (tegen)bewijs aangaande de arbeidsongeschiktheid van werkneemster. Gelet op de aard van het geschil kan daaraan niet afdoen dat niet is gebleken dat eiseres om de medewerking van werkneemster heeft gevraagd aan een dergelijk onderzoek.

Het in het verweerschrift genoemde argument dat de bezwaarverzekeringsarts werkneemster wel heeft gezien en de arts-gemachtigde van eiseres niet, overtuigt de rechtbank dan ook niet.

Verweerder heeft niet gesteld dat de in 2.3. samengevatte kritiek van de arts-gemachtigde reeds zonder raadpleging van een deskundige als niet steekhoudend kan worden aangemerkt. De rechtbank acht dit ook niet op voorhand aannemelijk. Gelet daarop had het op de weg van verweerder gelegen de brief van de arts-gemachtigde voor te leggen aan de bezwaarverzekeringsarts of een andere medisch deskundige met het verzoek daarop te reageren. Nu verweerder dit niet heeft gedaan en dit evenmin ter zitting heeft aangeboden, moet worden geoordeeld dat de kritiek van de arts-gemachtigde zodanige twijfel oproept aan de juistheid van het advies van de bezwaarverzekeringsarts, dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.5.3. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit komt in aanmerking voor vernietiging.

Bij haar later vernietigde uitspraak van 25 februari 2005 heeft de rechtbank verweerder opgedragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gebleken dat eiseres proceskosten heeft gemaakt die op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. M.G.L. de Vette en B. van Velzen, leden, en door de voorzitter ondertekend.

De griffier is niet in staat De voorzitter,

te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op: 21 december 2007

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende en het bestuursorgaan beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.