Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BC1067

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
02-01-2008
Zaaknummer
11/510044-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

rechtbank veroordeelt een man tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden voor een overval op een opticiën te Leerdam. Overweging met betrekking tot kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 11/510044-07

Zittingsdatum : 6 december 2007

Uitspraak : 20 december 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1984,

wonende te [adres en woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 4 mei 2007 te Leerdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en) (totaal ongeveer 942,30 euro), in elk geval geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader, althans een van hen,

- een mes heeft/hebben getoond aan die [slachtoffer] en/of

- dat/een mes (op korte afstand) heeft/hebben gericht (gehouden) op het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- voornoemde [slachtoffer] dreigend heeft/hebben toegevoegd de woorden: "Ik wil geld hebben" en/of "Maak eerst de deur op slot" en/of "Doe wat ik zeg" en/of (telkens) "Ik wil geld" en/of "In de kassa, maak maar open" en/of "Ik wil papiergeld" en/of "en dan je portemonnee" en/of "Er zit nog een biljet van 20 euro in, dat wil ik ook hebben", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking.

2. De voorvragen

2.1De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer]

Hij vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van in totaal

€ 1.134,20, ter zake van materiële schadevergoeding ten bedrage van € 528,20 en immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 606,00.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij alsmede oplegging van de maatregel tot schadevergoeding.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 4 mei 2007 te Leerdam met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (totaal ongeveer 942,30 euro) toebehorende aan [slachtoffer] en/of [benadeelde] welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte

- een mes heeft getoond aan die [slachtoffer] en

- dat mes (op korte afstand) heeft gericht (gehouden) op het lichaam van die [slachtoffer] en

- voornoemde [slachtoffer] dreigend heeft toegevoegd de woorden: "Ik wil geld hebben" en "Maak eerst de deur op slot" en "Doe wat ik zeg" en (telkens) "Ik wil geld" en "In de kassa, maak maar open" en "Ik wil papiergeld" en "en dan je portemonnee" en "Er zit nog een biljet van 20 euro in, dat wil ik ook hebben", althans woorden van soortgelijke

aard en/of strekking.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverweging

Door de verdachte is ter terechtzitting betoogd dat hij op 4 mei 2007 niet in of nabij de winkel van [benadeelde] is geweest, omdat hij vermoedelijk aan het werk was en dat hij op die dag overdag niet nabij genoemde winkel [medeverdachte] heeft ontmoet. Verdachte ontkent schuldig te zijn aan de overval.

Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte om de waarheid, namelijk dat hij het was die de overval heeft gepleegd, te bemantelen. Immers, uit getuigenverklaringen, alsmede uit de verklaring van [medeverdachte] en het proces-verbaal van bevindingen waarin camerabeelden zijn beschreven die zijn gemaakt van de straten rondom het winkelpand van [benadeelde], is gebleken dat verdachte op 4 mei 2007 nabij de winkel van [benadeelde] is geweest en dat hij toen daar [medeverdachte] heeft ontmoet. Zo heeft [medeverdachte] verklaard dat hij in aanwezigheid en in opdracht van verdachte op 4 mei 2007 de locatie van [benadeelde] meermalen heeft voorverkend en geobserveerd. Verdachte heeft, zo heeft [medeverdachte] voorts verklaard, op 4 mei 2007 te Leerdam betrekkelijk kort voordat de overval plaatsvond tegen hem, [medeverdachte], gezegd dat hij [benadeelde] wilde overvallen. Voorts verklaart [medeverdachte] dat zowel hij als de verdachte op de foto’s staan die door de politie zijn getoond. Deze herkenning vindt eveneens plaats door andere getuigen die met de foto’s geconfronteerd werden. De rechtbank heeft geen reden de getuigenverklaringen op dit punt als onbetrouwbaar aan te merken, mede nu de inhoud van de verklaringen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Deze verklaringen worden derhalve niet voor het bewijs uitgesloten.

De rechtbank acht het voorts van belang op te merken dat verdachte zijn verklaringen steeds heeft aangepast en aldus niet consistent verklaart. Zo heeft de verdachte aanvankelijk met grote stelligheid bij de politie verklaard dat hij op 4 mei 2007 aan het werk was en dat hij nooit op de fiets van de moeder van zijn vriendin fietste. In latere verhoren heeft hij deze verklaringen afgezwakt.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

AFPERSING.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een gewapende overval op een winkel te Leerdam. Verdachte is op klaarlichte dag, voorzien van een bivakmuts, [benadeelde] binnengedrongen. Onder bedreiging met een mes en met woorden heeft hij de eigenaar gedwongen geld uit een kassa en de portemonnee te halen en aan hem te geven. De door verdachte gepleegde gewapende overval is een uitermate bedreigende en beangstigende ervaring voor het slachtoffer geweest die hij niet snel zal vergeten.

Tekenend hiervoor is de schriftelijke verklaring opgenomen in het schade-onderbouwingsformulier, waarin het slachtoffer onder meer te kennen geeft dat hij doodsangsten heeft uitgestaan en dat hij enige dagen slaapstoornissen heeft gehad en dat hij zich erg onveilig heeft gevoeld zowel binnenshuis als buitenshuis.

Gebeurtenissen als de onderhavige behoren tot categorieën strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en tevens gevoelens van angst, onveiligheid en onrust in de samenleving veroorzaken. Verdachte heeft zich echter aan dit alles niets gelegen laten liggen en zich bij zijn handelen slechts door eigenbelang en financieel gewin laten leiden, zonder zich bovendien te bekommeren om de gevolgen die zijn gedrag voor het slachtoffer zouden kunnen hebben.

Bij haar oordeelsvorming omtrent de uiteindelijke strafmodaliteit alsmede de duur daarvan betrekt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen in het rapport van Reclassering Nederland d.d. 17 september 2007 te Middelburg en zoals deze ook overigens ter terechtzitting zijn gebleken.

Voorts heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 november 2007. Uit dat uittreksel blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld ter zake van een vermogens- en een geweldsdelict en wel in 2003 en 2006. De rechtbank zal dan ook de recidive ten nadele van verdachte meewegen.

Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een vrijheidsstraf van na te melden duur pas¬send en geboden.

7.2 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij is ontvankelijk in de vordering, nu aan verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd en aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezen verklaarde strafbare feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij integraal toewijzen, nu de vordering voldoende gemotiveerd en juist voorkomt.

Naast toewijzing van deze civiele vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 24c, 36f, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van EENENTWINTIG (21) MAANDEN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuit¬voerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van EUR 1.134,20 (elfhonderdvierendertig euro en twintig eurocent), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EUR 1.134,20 ten behoeve van [slachtoffer];

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen;

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. F.L.J.M. Heijnen en mr. T. Kooijmans, rechters,

in tegenwoordigheid van P.J.F.M. Vermaat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 december 2007.

(wegens afwezigheid zijn mrs. Heijnen en Kooijmans buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen)