Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BC0739

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
203770 VV EXPL 07-91
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vordering tot loondoorbetaling in kort geding na ontslag op staande voet afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang. Eiser heeft binnen een maand na het ontslag op staande voet een andere werkkring gevonden en verdient sedertdien een salaris dat vergelijkbaar is met het salaris dat hij bij gedaagde verdiende. Bovendien heeft eiser na het einde van de arbeidsovereenkomst een integrale eindafrekening ontvangen, inclusief een voorschot op de winstuitkering, waarmee de tijdelijke inkomensterugval overbrugd kon worden. De kans dat de bodemrechter het ontslag op staande voet zal bevestigen is overigens als aanzienlijk aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 203770 VV EXPL 07-91

vonnis in kort geding van de kantonrechter te Dordrecht van 4 december 2007

in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaatsnaam],

eiser,

gemachtigde: mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Pon Power B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Papendrecht,

gedaagde,

gemachtigde: mr. K. Weijers, advocaat te Rotterdam

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “Pon”.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 18 oktober 2007;

2. de pleitaantekeningen van mr. Weijers;

3. de pleitaantekeningen van mr. Bol;

4. de handgeschreven aantekeningen van de griffier, opgemaakt tijdens de mondelinge behandeling van 4 december 2007;

5. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

De feiten

1.1 Als gesteld door de ene partij en niet of in onvoldoende mate weersproken door de andere partij, alsmede op grond van overgelegde producties, voor zover niet betwist, wordt uitgegaan van het volgende.

1.2 [eiser] is op 1 mei 1998 als monteur opbouw in dienst getreden van Pon voor 40 uur per week tegen een salaris van laatstelijk € 2.467,44 bruto inclusief bijdragen en exclusief overwerk en 8% vakantietoeslag.

1.3 Het was bij Pon lange tijd toegestaan dat door personeelsleden brandstof (dieselolie) voor eigen gebruik werd afgetapt uit motoren.

1.4 Op of omstreeks 21 december 2006 is op het mededelingenbord op de afdeling van [eiser] een memo van de heer [naam medewerker 1] opgehangen met als referentie: “Meenemen “rest producten” Opbouw”.

Dit memo luidt als volgt:

“Beste collega’s,

Het is niet toegestaan om materialen/goederen die wij bij Pon Power gebruiken tijdens productie en/of restproducten die na productie overblijven op eigen initiatief mee naar huis te nemen.

Op deze regel zijn slechts twee uitzonderingen van toepassing:

- dieselolie die afgetapt wordt uit de filters

- koperen bescherming van elektrische kabels die tijdens “stripwerk” verwijderd wordt

Voor deze materialen wordt een uitzondering gemaakt waarvoor geldt dat dit slechts na persoonlijke toestemming van de Supervisor of de Voormannen toegestaan is.

Alle overige gevallen, ander soorten materialen of zonder toestemming, wordt gezien als diefstal. De hiervoor geldende sancties zullen direct worden doorgevoerd op het moment dat dit aan het licht komt.”

1.5 In een brief van Pon aan [eiser] van 26 april 2007 is het navolgende over het aftappen van diesel neergelegd:

“Een voorbeeld aangaande je gedrag is dat [naam medewerker 2] jou persoonlijk heeft aangesproken op het niet meer aftappen van Diesel voor eigen gebruik. Helaas hebben wij moeten constateren dat je dit na dit gesprek nog meerdere malen hebt gedaan.”

1.6 [eiser] is op 18 september 2007 op staande voet ontslagen wegens het aftappen van dieselolie voor eigen gebruik bij Topec, een zusteronderneming van Pon. De ontslagbrief van dezelfde datum vermeldt het navolgende:

“Vanmiddag rond het middaguur constateerde jouw leidinggevende, [naam leidinggevende] dat je bij het bedrijf Topec, waar je op dat moment overigens niets te zoeken had, bezig was om diesel te tappen uit een zich daar bevindende CAT-motor. In het verleden ben je gezamenlijk met je collega’s (in een algemene toespraak door de heer [naam medewerker 2]) en daarna ook persoonlijk er meermaals op aangesproken dat het aftappen van diesel voor eigen gebruik niet langer werd getolereerd en dus verboden was. Jouw gedrag in strijd met dat herhaaldelijk gegeven verbod, is bovendien schriftelijk vastgelegd in een brief die ik op 26 april jl. aan jou verstuurde. (…)

Na de constatering van vanmiddag, en het gesprek dat wij daarop bij mij op kantoor voerden, hebben wij uit het oogpunt van zorgvuldigheid nog navraag gedaan bij jouw leidinggevende en bij Topec of niet iemand jou de opdracht had gegeven de dieselolie te verwijderen. Dit bleek uitdrukkelijk niet het geval. (…) Omdat wij je reeds meerdere keren heel uitdrukkelijk hebben verboden om nog diesel af te tappen en je toch weer in strijd met dat verbod hebt gehandeld, hebben wij besloten om je op staande voet te ontslaan. (…).

1.7 [eiser] heeft schriftelijk tegen het ontslag geprotesteerd, zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van de werkzaamheden en aanspraak gemaakt op loondoorbetaling.

1.8 [eiser] werkt sinds 8 oktober 2007 via een detacheringsbureau bij een andere werkgever voor een salaris dat vergelijkbaar is met het salaris dat hij verdiende bij Pon.

De vordering

2.1 [eiser] vordert Pon te veroordelen tot betaling van:

- het hem rechtens toekomende salaris vanaf 18 september 2007 tot het moment dat het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd;

- de wettelijke rente en de wettelijke verhoging ad 50% vanaf 18 september 2007 tot aan de dag van volledige betaling voor elke dag dat Pon met tijdige betaling in gebreke blijft;

- de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten gemachtigde.

2.2 [eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, aangezien hij gedurende bijna een maand van inkomen verstoken is geweest. Om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud heeft hij een bedrag van circa € 1.000,00 moeten lenen van familie. Deze lening dient hij op korte termijn terug te betalen.

2.3 Volgens [eiser] is nimmer aangegeven dat het aftappen van dieselolie voor eigen gebruik verboden was of dat dit zou worden gesanctioneerd met een ontslag. [eiser] stelt dat hij van de heer [naam medewerker 1] expliciete toestemming heeft gekregen om dieselolie voor eigen gebruik te blijven aftappen, zolang niet een hogere leidinggevende hiertegen bezwaar had. Bovendien heeft Pon de vereiste zorgvuldigheid niet in acht genomen door niet kenbaar te maken welke sancties zouden volgen indien zonder de vereiste toestemming dieselolie zou worden afgetapt.

Het verweer

3.1 Pon betwist het spoedeisend belang van [eiser] bij de door hem ingestelde vorderingen, nu [eiser] per 8 oktober 2007 weer een inkomen geniet, zodat niet ingezien kan worden waarom de uitkomst in een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

3.2 Pon stelt zich op het standpunt dat [eiser] voldoende duidelijk is gewezen op het verbod op het aftappen van dieselolie. Zo is [eiser], net als zijn collega de heer [naam collega], in de zomer van 2006 in een persoonlijk gesprek met de heer [naam medewerker 2] gewezen op het verbod op het aftappen van dieselolie. Dit verbod is vervolgens schriftelijk medegedeeld in het memo van 21 december 2006. Daarna is [eiser] in de brief van 26 april 2007 aan het verbod herinnerd. De stelling van [eiser] dat er geen expliciet verbod bestond op het aftappen van dieselolie, dan wel dat aan hem toestemming was verleend voor het aftappen van dieselolie, wordt derhalve door Pon betwist.

Beoordeling van het geschil

4. Bij de beoordeling van het geschil komt eerst de vraag aan de orde of [eiser] voldoende spoedeisend belang heeft bij de door hem ingestelde vorderingen. Het antwoord op deze vraag luidt ontkennend.

5. Vast staat dat [eiser] uitsluitend in de periode van 18 september 2007 tot 8 oktober 2007 van inkomsten verstoken is geweest. Immers, vanaf 8 oktober 2007 verricht [eiser] op detacheringsbasis werkzaamheden, waarvoor hij een salaris ontvangt dat vergelijkbaar is met het salaris dat hij verdiende uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst met Pon. Het is onbegrijpelijk dat [eiser] in de dagvaarding, die van 18 oktober 2007 dateert, stelt dat hij sinds 18 september 2007 van inkomsten verstoken is, en dat hij verzuimd heeft daarin te vermelden dat hij al sinds 8 oktober 2007 een andere werkkring heeft gevonden en sedertdien een salaris verdient dat vergelijkbaar is met het salaris dat hij bij Pon verdiende.

6. Weliswaar is door [eiser] ter zitting gesteld dat hij voor het opvangen van de tijdelijke inkomensterugval een lening is aangegaan voor een bedrag van € 1.000,- en dat deze lening op korte termijn dient te worden terugbetaald, maar ter zitting is namens Pon – onbetwist – aangevoerd dat [eiser] een volledige eindafrekening heeft ontvangen, in welke eindafrekening tevens begrepen was een voorschot op de winstuitkering, welke meer bedraagt dan € 1.000,-. Als er al sprake is geweest van een terugval in het inkomen van [eiser] in de periode na 18 september 2007, is deze dus in ieder geval beperkt van omvang geweest.

7. Gelet op het voorgaande kan niet ingezien worden waarom niet van [eiser] gevergd kan worden dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht, zodat er geen sprake is van een spoedeisend belang. De vorderingen van [eiser] zullen dan ook worden afgewezen. Dit klemt temeer nu [eiser] geen terugkeer op de werkplek heeft gevorderd, welke vordering wél als voldoende spoedeisend zou zijn aanvaard.

8. Nog afgezien van het ontbreken van het spoedeisend belang is de kantonrechter voorshands van oordeel dat de kans aanzienlijk is dat in een bodemprocedure zal komen vast te staan dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend. Voldoende is komen vast te staan dat [eiser] mondeling en schriftelijk is gewezen op de regels omtrent het aftappen van dieselolie voor eigen gebruik. In de brief van 26 april 2007 is hij gewaarschuwd voor het feit dat hij in strijd met dat verbod nog steeds dieselolie voor eigen gebruik aftapte. [eiser] heeft naar aanleiding van die brief niet gereageerd. Dit strookt niet met de stelling van [eiser] dat hij daarvoor al van de heer [naam medewerker 1] expliciete toestemming zou hebben gekregen om voor eigen gebruik dieselolie af te tappen. Het had, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, gelet op de herhaalde waarschuwingen voor [eiser] duidelijk moeten zijn dat het aftappen van dieselolie voor eigen gebruik niet langer door Pon werd getolereerd, en dat hij, door dat toch te doen, aan Pon een dringende reden zou geven om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.

11. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure, gevallen aan de zijde van Pon en begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, gevallen aan de zijde van Pon en begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

4 december 2007, in aanwezigheid van de griffier.