Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BC0097

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
28-11-2007
Datum publicatie
13-12-2007
Zaaknummer
66888 / HA ZA 06-2674
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Of de muur eigendom is van eiseres, of dat deze bestanddeel is van de woning van gedaagde, is vooral een feitelijke vraag. Gedaagde heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat de muren in constructief opzicht zodanig aan elkaar zijn verankerd dat deze slechts als één muur zouden kunnen fungeren, of dat de woning van gedaagde zonder dit stuk muur incompleet zou zijn. Gedaagde betoogt weliswaar dat de muur niet zonder schade aan te richten kan worden verwijderd, doch laat na dit verder toe te lichten of ter staving hiervan concreet bewijs aan te bieden.

De door gedaagde gehanteerde argumenten kunnen zijn standpunt dat de muur bestanddeel is van zijn woning niet dragen, zodat vast is komen te staan dat de muur in kwestie eigendom is van eiseres.

Gedaagde heeft derhalve, door zonder toestemming van eiseres een venster in die muur te maken, inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht. Het onder I. gevorderde zal dientengevolge worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 66888 / HA ZA 06-2674

Vonnis van 28 november 2007

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[eiseres],

gevestigd te Gorinchem,

eiseres,

procureur mr. E.M. Putters-van Veen,

tegen

[gedaagde],

wonende te Gorinchem,

gedaagde,

procureur mr. M.J. Noteboom.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 januari 2007

- het proces-verbaal van comparitie van partijen ter plaatse gehouden op 29 maart 2007

- het proces-verbaal van comparitie van partijen gehouden op 8 mei 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn buren van elkaar. [eiseres] is eigenaresse van het registergoed, plaatselijk bekend Westwagenstraat 19 te Gorinchem. [gedaagde] bewoont het naastgelegen registergoed, Ariën Brandsteeg 18 te Gorinchem.

2.2. Van het registergoed van [eiseres] maakt deel uit een dak, waar zich voorheen een verdieping bevond. Een gedeelte van de buitenmuur van deze verdieping grenst aan de buitenmuur van [gedaagde]. In deze muur/muren is door [gedaagde], zonder toestemming van [eiseres], een gat gemaakt ten behoeve van een muuropening/ venster.

2.3. Bij brieven van 9 mei 2006 en 27 juli 2006 heeft [eiseres] [gedaagde] aangezegd de in muur aangebrachte opening dicht te maken en te houden. Voorts heeft zij [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de aan haar dak toegebrachte schade en wordt [gedaagde] gesommeerd het schadebedrag ad € 595,- (exclusief BTW) binnen veertien dagen aan haar te voldoen.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

I. om binnen 30 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de in de muur aangebrachte opening op een deugdelijke wijze, met bakstenen, dicht te maken en dicht te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen.

II. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te voldoen een bedrag van

€ 708,05, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

III. in de kosten van deze procedure.

3.2. Zij stelt daartoe dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde] heeft inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht, door zonder enig overleg een muuropening/ venster aan te brengen in een muur die aan [eiseres] in eigendom toebehoort. Tengevolge hiervan wordt het [eiseres] vrijwel onmogelijk gemaakt om de gesloopte verdieping te herstellen. Daarnaast handelt [gedaagde] in strijd met artikel 5:50 BW, door binnen twee meter van de grenslijn van het erf van [eiseres] een venster of muuropening te hebben. Voorts heeft [gedaagde] bij het maken van de muuropening/ het venster het dak van [eiseres] beschadigd. [gedaagde] is aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade. De herstelkosten zijn begroot op € 595,00 exclusief BTW.

Het verweer

3.3. [gedaagde] betwist inbreuk te hebben gemaakt op enig eigendomsrecht van [eiseres]. Hij is van mening dat de muur zijn eigendom is, primair omdat de muur altijd al toebehoorde aan de eigenaar van het pand Ariën Brandsteeg 18 en subsidiair omdat de muur door natrekking aan hem is gaan toebehoren. Voorts betwist [gedaagde] in strijd te handelen met artikel 5:50 BW. Ten slotte ontkent [gedaagde] schade te hebben veroorzaakt aan het dak van [eiseres].

4. De beoordeling

De vordering tot dichtmaken muuropening

4.1. Het gaat bij deze vordering om de vraag of de muur in kwestie eigendom is van [eiseres], of dat deze bestanddeel is of (door horizontale natrekking) is geworden van het pand van [gedaagde]. Dit is vooral een feitelijke vraag.

4.2. Uit artikel 5:20 BW vloeit voort dat de eigenaar van de grond in beginsel eigenaar is van gebouwen en werken die daarmee duurzaam zijn verenigd. [gedaagde] heeft niet betwist dat zich voorheen een verdieping bevond op het tegenwoordig platte dak van [eiseres], welke verdieping op enig moment is gesloopt. Evenmin wordt door hem weersproken dat het gedeelte van de muur waar het in dit geschil om gaat destijds fungeerde als buitenmuur van die verdieping. De door [eiseres] in het geding gebrachte kleurenfoto’s van de muur tonen aan dat sprake is van twee aan elkaar grenzende muren (een grijze glad gestuukte muur en een oranje van bakstenen gemetselde muur), waarbij duidelijk zichtbaar is dat het betreffende muurgedeelte zich, mede gelet op de kadastrale gegevens, bevindt op het perceel van [eiseres]. Hieruit volgt dat het betoog van [gedaagde] dat de muur altijd zou hebben toebehoord aan de eigenaar van het pand Ariën Brandsteeg 18 niet kan standhouden.

4.3. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het betreffende muurgedeelte in beginsel eigendom is van [eiseres]. Dit is slechts anders indien de muur, zoals [gedaagde] betoogt, bestanddeel is (geworden) van zijn woning. Daartoe voert [gedaagde] aan dat de muur essentieel onderdeel uitmaakt van zijn woning, nu hij zonder deze muur “in de kou” zou zitten. Het muurgedeelte kan niet worden verwijderd zonder schade aan zijn woning toe te brengen, aldus [gedaagde].

4.4. Ten aanzien van het betoog van [gedaagde] overweegt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat het betreffende muurgedeelte als het ware tegen de muur van [gedaagde] is “geplakt” niet meebrengt dat de muur als bestanddeel van de woning van [gedaagde] beschouwd dient te worden. [gedaagde] heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat de muren in constructief opzicht zodanig aan elkaar zijn verankerd dat deze slechts als één muur zouden kunnen fungeren, of dat de woning van [gedaagde] zonder dit stuk muur incompleet zou zijn. [gedaagde] betoogt weliswaar dat de muur niet zonder schade aan te richten kan worden verwijderd, doch laat na dit verder toe te lichten of ter staving hiervan concreet bewijs aan te bieden.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat de door [gedaagde] gehanteerde argumenten zijn standpunt dat de muur bestanddeel is van zijn woning niet kunnen dragen, zodat vast is komen te staan dat de muur in kwestie eigendom is van [eiseres].

[gedaagde] heeft derhalve, door zonder toestemming van [eiseres] een venster in die muur te maken, inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht.

4.6. Nu is komen vast te staan dat inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht van [eiseres] behoeft de stelling van [eiseres] dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met artikel 5:50 BW geen bespreking meer.

4.7. Op grond van het voorgaande ligt het onder I. gevorderde voor toewijzing gereed, met dien verstande dat de rechtbank aanleiding ziet de gevorderde dwangsom te matigen en aan een maximum te verbinden.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

4.8. [gedaagde] heeft in het geval van toewijzing van de vordering tot dichtmaken van de muuropening verzocht de vordering op dit punt niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [gedaagde] wijst daarbij op zijn belang de zaak eerst in hoger beroep voor te leggen zonder eerst het venster dicht te hoeven maken.

4.9. De rechtbank overweegt dat voor toewijzing van de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad is vereist dat de eisende partij hierbij belang heeft en dat de wederpartij niet een, gezien de omstandigheden van het geval, zwaarder wegend belang heeft bij achterwege blijven van zodanige verklaring. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van hetgeen door [gedaagde] in dit verband is aangevoerd niet worden gezegd dat zijn belang bij het voortduren van de bestaande toestand zwaarder moet wegen dan het belang van [eiseres], gelet op haar plannen tot herstel van de verdieping, bij spoedige dichtmaking van de muuropening. De vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal derhalve worden toegewezen.

Schade aan dak

4.10. [gedaagde] betwist dat het dak van [eiseres] bij het maken van de muuropening c.q. het venster is beschadigd. De rechtbank overweegt dat uit de door [eiseres] ter onderbouwing van haar schadevordering overgelegde offerte van Klijn Dakbedekkingen BV, d.d. 1 februari 2006, slechts kan worden opgemaakt dat er bij de inspectie van het dak schade is geconstateerd. De vraag om wat voor schade het gaat en waardoor die is ontstaan wordt in deze offerte niet beantwoord, laat staan dat hiermee is komen vast te staan dat [gedaagde] een en ander zou hebben veroorzaakt. [eiseres] heeft ook overigens niet aangetoond dat de gestelde schade door toedoen van [gedaagde] is ontstaan, hetgeen na de betwisting door [gedaagde] wel op haar weg had gelegen. Immers, de schriftelijke verklaring van A.C.H. [eiseres] (productie 10 bij dagvaarding) kan niet bijdragen aan de onderbouwing van het standpunt van [eiseres], nu hierin slechts wordt uitgegaan van ongegronde veronderstellingen. Voor het overige heeft [eiseres] geen gespecificeerd bewijs aangeboden ter onderbouwing van haar stelling.

4.11. Gelet op het vorenstaande zal dit onderdeel van de vordering worden afgewezen.

Proceskosten

4.12. [gedaagde] zal, als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 71,32

- vast recht € 248,00

- salaris procureur € 1.356,00 (3 punten × tarief II, EUR 452)

Totaal € 1.675,32

4.13. De rechter, ten overstaan van wie de comparities hebben plaatsgevonden, is wegens vertrek naar een ander gerecht niet in staat dit vonnis te wijzen.

5. De beslissing

De rechtbank

I. veroordeelt [gedaagde] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis de in de muur aangebrachte opening op deugdelijke wijze, met bakstenen, dicht te maken en dicht te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, zulks tot een maximum van € 10.000,00;

II. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding aan de zijde van [eiseres], tot op deze uitspraak begroot op € 1.675,32;

III. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Japenga en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2007.?