Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB9201

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
24-08-2007
Datum publicatie
03-12-2007
Zaaknummer
AWB 07/703
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bouwvergunningsvrij bouwwerk in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, van het BBLB (het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van één bouwlaag of een op de grond staande overkapping van één bouwlaag bij een bestaand woongebouw, dat of die strekt tot vergroting van het woongenot). De voorzieningenrechter is van oordeel dat, ingeval een dergelijk bouwwerk onderdeel uitmaakt van een bouwvergunning voor een woongebouw dat nog moet worden opgericht, het desbetreffende bijgebouw / de desbetreffende overkapping niet als bouwvergunningsvrij kan worden aangemerkt, nu het BBLB expliciet spreekt over een bestaand woongebouw. Het bijgebouw / de overkapping dient dus in zo’n geval te worden betrokken bij de berekening van het maximaal te bebouwen oppervlak dat ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/703

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

1. [AAA] en

2. [BBB],

beide wonende te Dordrecht, verzoekers,

gemachtigde: mr. L.J.J. van Asseldonk-Hamers, advocaat te Breda,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht,

verweerder,

gemachtigde: mr. drs. E.M. Pronk, werkzaam bij de gemeente Dordrecht.

Derde-partij: [CCC], gevestigd te Rotterdam, vergunninghoudster.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 6 december 2006 heeft verweerder vergunninghoudster een reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van zeven appartementen op het perceel [adres] te Dordrecht. Hierbij heeft verweerder ontheffing verleend van artikel 2.5.30 van de gemeentelijke bouwverordening voor het realiseren van parkeergelegenheid op eigen terrein voor één parkeerplaats.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief 13 januari 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 13 maart 2007, verzonden 22 maart 2007, heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker onder 1 bij brief van 26 april 2007, ingekomen op 27 april 2007, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Bij brief van 17 juli 2007 hebben verzoekers een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 20 augustus 2007 ter zitting behandeld.

Verzoekers zijn in persoon ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van G. Norden.

Namens vergunninghoudster zijn verschenen [1] en [2].

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in hoofdzaak.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (hierna: Wow) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wow is in afwijking van artikel 40, eerste lid, van de Wow geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.

Voornoemde algemene maatregel van bestuur heeft vorm gekregen in het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, hierna: BBLB, Stb. 2001, 410.

In artikel 44, eerste lid, van de Wow worden limitatief de weigeringsgronden voor een reguliere bouwvergunning, zoals hier aan de orde, opgesomd. Op grond van deze bepaling mag slechts en moet een dergelijke bouwvergunning worden geweigerd, indien (voor zover hier relevant):

a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120 van deze wet;

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

De onder a bedoelde algemene maatregel van bestuur betreft hier het Bouwbesluit 2003,

Stb. 2002, 410.

Artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Dordrecht 2003 bepaalt, voor zover hier relevant, dat indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren van auto's in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht in het gebouw.

Ingevolge artikel 2.5.30, vierde lid, kunnen burgemeester en wethouders hiervan ontheffing verlenen:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Kasperspad en omgeving". Aan de gronden is de bestemming "Gemengd woongebied" gegeven. De planvoorschriften voor deze gronden zijn neergelegd in artikel 4 van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4, vijfde lid, onder a, onder 2, van de planvoorschriften mag van bouwpercelen met een oppervlakte van 120 tot 500 m2 ten hoogste 2/3 worden bebouwd of overdekt.

Ingevolge artikel 4, vijfde lid, onder c, van de planvoorschriften is ter plaatse van de op de plankaart aangegeven structuurbepalende lijn vervanging of verandering van de bestaande bebouwing en toevoeging van nieuwe bebouwing slechts toelaatbaar met behoud en zonodig verbetering van de structuur van de gevelwand op zodanige wijze, dat voor wat betreft schaal, gevelgeleding, hoogtedifferentiatie, silhouetvorming en rooilijn, aansluiting wordt gevonden bij de bestaande omgeving.

Ingevolge artikel 4, zevende lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd voor de ingevolge dit plan toegelaten bebouwing nadere eisen te stellen ten aanzien van onder meer nok- en goothoogte en situering en afmeting van bebouwing, uitsluitend (voor zover hier relevant) indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is in verband met de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bouwwerken, met dien verstande dat in elk geval kan worden geëist dat bebouwing niet wordt opgericht indien daardoor daglichttoetreding voor de omliggende woonruimte(n) wordt belemmerd.

Artikel 20, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) bepaalt dat de voorschriften van het bestemmingsplan buiten toepassing blijven voor zover deze betrekking hebben op het bouwen waarvoor krachtens artikel 43, eerste lid, van de Wow geen bouwvergunning vereist is.

2.2. Het bestreden besluit

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de verleende bouwvergunning gehandhaafd. Het bouwplan is volgens verweerder in overeenstemming met het Bouwbesluit 2003. Tevens is het bouwplan volgens verweerder in overeenstemming is met de gemeentelijke bouwverordening, nu op goede gronden ontheffing werd verleend voor het ontbreken van één parkeerplaats op eigen terrein. Verweerder acht het bouwplan verder in overeenstemming met redelijke eisen van welstand. Ten slotte meent verweerder dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De vermindering van daglichttoetreding die verzoekers in hun woning zullen ondervinden na oprichting van het bouwwerk, acht verweerder niet onevenredig en niet zodanig dat de gebruiksmogelijkheden van de desbetreffende ruimten daardoor worden belemmerd.

2.3. Het verzoek om voorlopige voorziening

Voor de motivering van het verzoek om voorlopige voorziening wordt verwezen naar de gronden van het beroep. Deze zijn vervat in het beroepschrift en de aanvullingen daarop, die zijn ingediend door en namens verzoeker onder 1.

Hierin betoogt verzoeker onder 1. dat de parkeergarage die is voorzien in het bouwplan, niet voldoet aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 daaraan stelt. Hij betoogt voorts dat de parkeerdruk in de straat waar het bouwplan geprojecteerd is, ook met de wijzigingen in het parkeersysteem ter plaatse per 1 januari 2007, zodanig hoog is, dat verweerder in redelijkheid niet had kunnen besluiten ontheffing te verlenen van het bepaalde in de bouwverordening over het creëren van parkeergelegenheid op eigen terrein.

Verzoeker onder 1. betwijfelt de juistheid van de afmetingen waarvan verweerder is uitgegaan bij het bepalen van de omvang van het perceel en het met het bouwplan te bebouwen oppervlak. Meer specifiek wijst hij er op dat verweerder ten onrechte bij de berekening van het te bebouwen oppervlak de in het bouwplan voorziene berging niet heeft meegenomen, aangezien dat geen vergunningsvrij bouwwerk betreft. Verder sluit in zijn opvatting, zoals ter zitting toegelicht, het bouwplan niet aan bij de steenstructuur en de hoogte van de omliggende gevels, zodat dat strijdig is met artikel 4, vijfde lid, onder c, van de planvoorschriften. Gelet op de vermindering van daglicht die hij in zijn woning als gevolg van het bouwplan zal ondervinden, had verweerder volgens verzoeker onder 1. aanleiding behoren te zien gebruik te maken van zijn bevoegdheid krachtens artikel 4, zevende lid, van de planvoorschriften en nadere eisen moeten stellen aan het bouwplan dan wel moeten eisen dat die bebouwing niet werd opgericht. Omdat volgens verzoekers hierom de verleende bouwvergunning niet in stand kan blijven, menen zij een spoedeisend belang te hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. Beoordeling

De voorzieningenrechter stelt voorop dat nu verzoekster onder 2. geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 13 maart 2007, haar verzoek om voorlopige voorziening vanwege het ontbreken van connexiteit niet-ontvankelijk is.

Over het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker onder 1, hierna aangeduid als verzoeker, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Vaststaat dat de heiwerkzaamheden voor het vergunde bouwplan op 29 augustus 2007 zullen aanvangen. De eenmaal aangebrachte heipalen zullen niet eenvoudig ongedaan kunnen worden gemaakt. Het bouwperceel bevindt zich naast de woning en het perceel van verzoeker. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende spoedeisend belang om een beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

Het bouwplan voorziet in het oprichten van een appartementencomplex aan het [adres] van 12,1 meter hoog (4 verdiepingen). De breedte moet op grond van de bouwtekeningen in het dossier worden bepaald op 13,76 meter (waarbij aan de achterzijde enigszins wordt ingesprongen en aan de voorzijde enigszins wordt uitgelopen). De diepte moet op grond van de bouwtekeningen in het dossier worden bepaald op 16,325 meter, inclusief de balkons aan de achterzijde. Op de begane grond van het appartementencomplex zal naast één appartement een inpandige garage worden ingericht, die voorziet in zes parkeerplaatsen. Aan de achterzijde van het complex bevindt zich de lift met trappenhuis, met een oppervlak van 6 m2. Het bouwplan voorziet voorts in de oprichting van een fietsenberging/overkapping in de tuin achter het complex. Uit de bouwtekening die ter zitting is getoond, blijkt dat deze een oppervlakte heeft van 4,8 m2.

Verzoekers woning en perceel bevinden zich rechts naast het bouwperceel aan het [adres]. Verzoekers woning is drie bouwlagen hoog, met een nokhoogte van ongeveer 10 meter. In de zijgevel van de woning bevindt op de middelste verdieping een raam dat behoort bij een overloop waarop de trappen uitkomen en die toegang geeft tot de woonkamer en keuken.

In het zijdakvlak van de woning bevindt zich een dakkapel met raam dat behoort bij een slaapkamer. Deze slaapkamer fungeert tevens als overloop, aangezien de trap van beneden daarop uitkomt.

De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de luchtventilatie in de met het bouwplan voorziene parkeergarage niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen bij of krachtens het Bouwbesluit 2003. Ter zitting is namens vergunninghoudster daarover verklaard dat de toegang van de garage zowel aan de voor- als aan de achterzijde open is doordat de afsluiting aan beide zijden plaatsvindt door middel van een hekwerk. Hierdoor vindt volgens vergunninghoudster voldoende ventilatie plaats en zijn aanvullende maatregelen niet nodig. De voorzieningenrechter acht die verklaring plausibel. De reactie van verzoeker op die verklaring, dat hij nog steeds niet overtuigd is dat de geschetste wijze van ventileren voldoet, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om die verklaring in twijfel te trekken.

Over de vraag of verweerder de bouwvergunning had moeten weigeren wegens strijd met de gemeentelijke bouwverordening, in casu vanwege de daaruit voortvloeiende eisen voor parkeergelegenheid, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Niet in geschil is dat met het door verweerder bepaalde aantal parkeerplaatsen van zeven in voldoende parkeerplaatsen voor het bouwplan is voorzien. Van deze parkeerplaatsen zijn er zes voorzien in de parkeergarage op de begane grond. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder in redelijkheid ontheffing voor één parkeerplaats had kunnen verlenen, gelet op de parkeermogelijkheden aan en in de nabijheid van het Kromhout. Verweerder heeft daarover aangevoerd dat het gebied rondom het Kromhout per 1 januari 2007 is aangemerkt als afzonderlijke sector voor vergunninghouders die daarbinnen wonen. Het aantal te verlenen vergunningen voor deze sector is, in tegenstelling tot andere sectoren, nog niet bereikt. Verweerder acht, mede gelet op de parkeergarages in de omgeving en de afstand van de locatie tot het kernwinkelgebied van het centrum, niet aannemelijk dat het winkelend publiek zoveel plaatsen door middel van betaald parkeren zal innemen dat vergunninghouders geen plaatsen zullen kunnen vinden binnen deze sector. Verzoeker heeft daartegen ingebracht dat hij vreest dat verweerder het aantal bezoekers van het kernwinkelgebied dat aan parkeren in deze sector de voorkeur zal geven boven andere parkeermogelijkheden, gelet op het verschil in parkeertarieven, te laag inschat. Verzoeker heeft echter zijn vrees onvoldoende onderbouwd, terwijl ook niet is gebleken dat de parkeerdruk om die reden op dit moment onaanvaardbaar hoog is. De voorzieningenrechter acht daarom de aanname van verweerder dat in de nabije omgeving van het bouwplan de parkeergelegenheid dusdanig groot is dat het voorzien van één parkeerplaats ten behoeve van het bouwplan op de openbare weg niet bezwaarlijk is, niet kennelijk onjuist. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen vrijstelling had kunnen verlenen van het vereiste om de benodigde plaatsen op eigen terrein te realiseren, door voor één parkeerplaats parkeren op de openbare weg toe te staan.

De voorzieningenrechter ziet evenmin grond voor het oordeel dat het bouwplan qua structuur van de steensoort en qua hoogte niet passend zou zijn in het gevel- en straatbeeld, waardoor strijd zou ontstaan met het bepaalde in artikel 4, vijfde lid, onder c, van de planvoorschriften. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op het gemotiveerde advies van de Welstandscommissie van 24 januari 2007, waarin de commissie expliciet overweegt dat het plan voor wat betreft massa- en gevelcompositie voldoende kwaliteit heeft en passend is op de locatie in kwestie, en dat zij zich kan vinden in de voorgestelde materiaal- en kleurkeuze.

De voorzieningenrechter is van opvatting dat de door verzoeker geschetste gevolgen van het appartementencomplex voor de daglichttoetreding in zijn woning, niet van dien aard zijn dat verweerder in redelijkheid niet had kunnen besluiten af te zien van het stellen van nadere eisen aan het bouwplan. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de aard van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen die verweerder is toegekend, een ruime mate van beleidsvrijheid toelaat. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aard van de vermindering van daglicht in verzoekers woning, gelet de afstand van ongeveer 1 meter waarop de bebouwing komt te staan, de aard van de betrokken ruimten en de lichtinval die daarin via andere ramen / ruimten blijft bestaan, niet noopte tot het stellen van nadere eisen.

Over de omvang van het bouwperceel en de mate waarin dat wordt bebouwd, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Gelet op het verslag van de feitelijke meting die in opdracht van verweerder op 21 februari 2007 heeft plaatsgevonden, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de omvang van het bouwperceel 349,78 m2 bedraagt. Dat dit afwijkt van hetgeen het Kadaster daarover vermeld heeft staan, doet daaraan niet af. Voorts kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter op grond van de bouwtekeningen in het dossier met voldoende zekerheid de omvang van het hoofdgebouw worden bepaald op 229,98 m2, als som van de breedte maal de diepte van dat gebouw plus het oppervlak van de lift met trappenhuis.

Uit artikel 4, vijfde lid, onder a, onder 2, van de planvoorschriften volgt dat van het in geding zijnde bouwperceel maximaal 2/3 van het oppervlak, derhalve afgerond 233 m2, mag worden bebouwd. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een fietsenberging/ overkapping met een oppervlak van 4,8 m2. Vaststaat dus dat, indien het oppervlak van deze berging in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van het bebouwd oppervlak dat met het bouwplan is gemoeid, het maximaal toegestane aantal m2 wordt overschreden. Aan de orde is de vraag of de berging, gelet op artikel 20, aanhef en onder a, van de WRO, bij het bepalen van het te bebouwen oppervlak buiten beschouwing kon worden gelaten doordat de berging op grond van het bepaalde in het BBLBL bouwvergunningsvrij is.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de fietsenberging valt onder artikel 2, aanhef en onder b, van het BBLB, waar dat bepaalt dat als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Wow kan worden aangemerkt: het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van één bouwlaag of een op de grond staande overkapping van één bouwlaag bij een bestaand woongebouw, dat of die strekt tot vergroting van het woongenot.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van die bepaling de fietsenberging/overkapping niet als vergunningsvrij kan worden aangemerkt, nu er geen sprake is van een bestaand woongebouw. De redenering van verweerder, dat het appartementencomplex na oprichting als bestaand woongebouw kan worden aangemerkt, zodat de berging daarbij vergunningsvrij kan worden opgericht, kan de voorzieningenrechter niet volgen, nu appartementencomplex en berging onderdeel uit maken van hetzelfde bouwplan en dus gelijktijdig zullen worden opgericht. De voorzieningenrechter ziet ook geen grond voor de opvatting van verweerder dat de bepaling in zo'n geval van overeenkomstige toepassing is. Verweerder heeft in dat verband betoogd dat het redelijkwijs niet zo kan zijn dat de bouwwerken niet gelijktijdig maar wel na elkaar zouden mogen worden gerealiseerd. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen aanleiding de bepaling van toepassing te achten ingeval het woongebouw gelijktijdig met het bijgebouw wordt opgericht, nu artikel 2, aanhef en onder b, van het BBLB expliciet spreekt van een bestaand woongebouw. In de Nota van Toelichting op het BBLB zijn geen aanknopingspunten te vinden dat onder bestaand woongebouw eveneens dient te worden begrepen een met het desbetreffende bijgebouw gelijktijdig op te richten woongebouw. Benadrukt wordt daarin juist dat de hoofdregel is dat bouwen vergunningsplichtig is en dat ingeval niet wordt voldaan aan de typering van het bouwvergunningsvrije bouwwerk zoals die in het BBLB bij wijze van uitzondering wordt gegeven, die hoofdregel van toepassing is.

Uit het voorgaande volgt dat de fietsenberging ten onrechte niet is betrokken bij de berekening van het oppervlak dat als gevolg van het bouwplan zal worden bebouwd, en dat, ingeval dat alsnog wordt gedaan, het oppervlak dat ingevolge het bestemmingsplan maximaal mag worden bebouwd, zal worden overschreden. De voorzieningenrechter overweegt dat hierom naar verwachting het bestreden besluit in beroep niet in stand zal kunnen blijven.

Over de gevraagde voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter in dit verband als volgt.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestaat, ingeval de berging uit het bouwplan wordt gehaald, geen beletsel tegen vergunningverlening voor het appartementencomplex. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de fietsenberging/overkapping geheel los van het appartementencomplex staat en ook afzonderlijk kan worden gerealiseerd. Vergunninghoudster heeft ter zitting aangegeven voornemens te zijn met de bouwwerkzaamheden te starten op 29 augustus 2007 en dat vertraging van de start grote organisatorische en financiële consequenties zal hebben. Alles overziende en bij afweging van alle betrokken belangen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de verleende bouwvergunning in zijn geheel te schorsen. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding de bouwvergunning, voor zover daarbij de fietsenberging is vergund, te schorsen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening in zoverre toe en schorst het bestreden besluit, alsmede het besluit tot verlening van de bouwvergunning voor zover die zien op de oprichting van de fietsenberging van 4,8 m2.

Nu het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen, bestaat aanleiding, met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, in samenhang met artikel 8:84 van de Awb, verweerder in de door verzoeker onder 1. gemaakte proceskosten te veroordelen. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het gewicht van de zaak bepaald op 1 (gemiddeld) en worden voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een verzoekschrift, het verschijnen ter zitting) 2 punten toegekend, met een waarde van € 322,- per punt.

De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding, met toepassing van artikel 8;82, vierde lid, van de Awb, te bepalen dat het door verzoeker onder 1. betaalde griffierecht door verweerder wordt vergoed.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- verklaart het verzoek om voorlopige voorziening voor zover dat is ingediend door verzoekster onder 2, niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor zover dat is ingediend door verzoeker onder 1, gedeeltelijk toe;

- schorst het bestreden besluit, alsmede het besluit tot verlening van de bouwvergunning voor zover die zien op de oprichting van de fietsenberging/overkapping van 4,8 m2;

- wijst dat verzoek voor het overige af;

- bepaalt dat de gemeente Dordrecht aan verzoeker onder 1. het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoeker onder 1. in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,-;

- wijst de gemeente Dordrecht aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan verzoeker onder 1. moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, en door deze en

mr. drs. M. Lammerse, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.