Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB6767

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
11/500400-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 43-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk wegens het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en het medeplegen van een poging tot doodslag. Verdachte is na een caféruzie met zes familieleden, voorzien van slagwapens, teruggekeerd. De cafeuitbater werd met traangas in het gezicht gespoten en met harde en scherpe voorwerpen tegen het hoofd en lichaam geslagen. Toen deze op de grond lag werd hij tegen het hoofd en lichaam getrapt en geschopt. Een medewerker schoot hem te hulp, waarna de agressie zich op hem richtte. Hij werd met een honkbalknuppel en een stoel en met de vuisten tegen het lichaam en hoofd geslagen. Om zijn verzet te breken werd hij met een schouderworp op de grond gegooid. Bewijsverweren verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500400-07

Zittingsdatum : 16 oktober 2007

Uitspraak : 30 oktober 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[VERDACHTE],

geboren in 19.. ,

[adres en woonplaats] .

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij.

1. De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 24 juni 2007 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te

beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, 

meermalen, althans eenmaal,

- traangas, in ieder geval een weerloosmakende stof, in de ogen van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gespoten en/of

- met een of meerdere harde en/of scherpe voorwerpen op het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of

- tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt, zulks terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

 

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

 

hij op of omstreeks 24 juni 2007 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet 

meermalen, althans eenmaal,

- traangas, in ieder geval een weerloosmakende stof, in de ogen van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gespoten en/of

- met een of meerdere harde en/of scherpe voorwerpen op het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of

- tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt, zulks terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag

 

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

 

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 juni 2007 te Dordrecht met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in

een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten cafe De Blokhut gelegen aan de Rijksstraatweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, 

- spuiten van traangas, in ieder geval een weerloosmakende stof, in de ogen  van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- slaan met een of meerdere harde en/of scherpe voorwerpen op het hoofd van

  voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- schoppen en/of trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1], zulks terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag

 

MEEST SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 juni 2007 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft mishandeld een persoon genaamd [slachtoffer 1], immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededaders, althans een aantal van hen, althans een van hen, meermalen, althans eenmaal, 

- traangas, in ieder geval een weerloosmakende stof, in de ogen van voornoemde [slachtoffer 1] gespoten en/of

- met een of meerdere harde en/of scherpe voorwerpen op het hoofd van  voornoemde [slachtoffer 1] geslagen en/of

- tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] geschopt en/of getrapt, zulks terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag

 

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

 

hij op of omstreeks 24 juni 2007 te Dordrecht er uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven,althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, 

meermalen, althans eenmaal, 

- met een of meerdere harde en/of scherpe voorwerpen op het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

- tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geschopt en/of getrapt en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] met een schouderworp op de grond heeft gegooid terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

 

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

 

hij op of omstreeks 24 juni 2007 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal,

 

- met een of meerdere harde en/of scherpe voorwerpen op het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

- tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft  geschopt en/of getrapt en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] met een schouderworp op de grond heeft gegooid

 

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

 

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

 

hij op of omstreeks 24 juni 2007 te Dordrecht met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in

een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten cafe De Blokhut gelegen aan de Rijksstraatweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal,

 

- met een of meerdere harde en/of scherpe voorwerpen slaan op het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- schoppen en/of trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- slaan en/of stompen in het gezicht en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- met een schouderworp op de grond gooien van voornoemde [slachtoffer 2]

 

MEEST SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

 

hij op of omstreeks 24 juni 2007 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft mishandeld een persoon genaamd [slachtoffer 2], immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededaders,

althans een aantal van hen, althans een van hen,

 

meermalen, althans eenmaal,

 

- met een of meerdere harde en/of scherpe voorwerpen op het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] geslagen en/of

- tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] geschopt en/of getrapt en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] in het gezicht en/of tegen het lichaam geslagen en/of gestompt en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] met een schouderworp op de grond gegooid

 

waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder 1 meer subsidiair en onder feit 2 primair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer 1], Wieldrechtse Zeedijk 77, 3316 EN te Dordrecht.

Hij vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van in totaal

EUR 11.209,50, ter zake van materiële schadevergoeding ten bedrage van EUR 9.309,50 en immateriële schadevergoeding ten bedrage van EUR 1.900,00.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding van EUR 1.900,00. Met betrekking tot de gevorderde materiële schadevergoeding heeft de officier van justitie geconcludeerd om de benadeelde partij met betrekking tot deze vordering niet ontvankelijk te verklaren, nu deze niet eenvoudig van aard is.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair ten laste is gelegd.

De rechtbank is van oordeel dat zij op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet heeft kunnen vaststellen dat verdachte [slachtoffer 1] opzettelijk met voorbedachten rade (na kalm beraad en rustig overleg) van het leven heeft willen beroven of zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen. Voorts heeft de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen niet kunnen vaststellen dat verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade (na kalm beraad en rustig overleg) van het leven heeft willen beroven of zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen. Verdachte wordt dan ook van deze feiten vrijgesproken.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

(meer subsidiair)

op 24 juni 2007 te Dordrecht met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten cafe De Blokhut gelegen aan de Rijksstraatweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het meermalen,

- spuiten van traangas, in ieder geval een weerloosmakende stof, in de ogen van voornoemde [slachtoffer 1] en

- slaan met harde en/of scherpe voorwerpen op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] en

- schoppen en/of trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1], zulks terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag;

2.

(subsidiair)

op 24 juni 2007 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven met dat opzet

meermalen, althans eenmaal,

- met harde voorwerpen op het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen en

- tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geschopt en/of getrapt en

- voornoemde [slachtoffer 2] in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en

- voornoemde [slachtoffer 2] met een schouderworp op de grond heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

Door de raadsman is bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van wat hem onder meer subsidiair ten laste is gelegd, omdat verdachte geen voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld.

Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt dat hij samen met zijn medeverdachten op 24 juni 2007 in café De Blokhut aan de Rijksstraatweg te Dordrecht aanwezig was en dat hij op dat moment een slagwapen in zijn handen had. De medeverdachten hadden ook een slagwapen in de handen. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] (dossierparagraaf 2.3) volgt dat verdachte en zijn medeverdachten op [slachtoffer 1] met slagwapens hebben ingeslagen.

Tenslotte blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen (dossierparagraaf 2.8) dat verdachte, op het moment dat [slachtoffer 1] voornoemd werd geslagen en geschopt, bij de vechtpartij betrokken was door met een groep binnen te komen lopen en vervolgens richting [slachtoffer 1] te lopen.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte en zijn mededaders zich hebben schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. In ieder geval één van de mededaders heeft feitelijke geweldshandelingen verricht, terwijl de significante of wezenlijke bijdrage van de verdachte tenminste heeft bestaan uit het besluit de confrontatie te zoeken, het getalsmatig versterken van de groep, het meedoen met de gedragingen van de groep tegen het slachtoffer en het zich niet distantiëren van de groep tijdens die gedragingen en het zich niet distantiëren van de groep op het moment dat daadwerkelijk geweld tegen het slachtoffer wordt gebruikt.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft bepleit dat er geen sprake is van opzet, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van wat hem onder feit 2 subsidiair ten laste is gelegd.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘opzettelijk’ in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht dient (minimaal) vast te staan dat er sprake is van voorwaardelijk opzet, namelijk dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] als gevolg van het toegepaste geweld zou kunnen komen te overlijden.

De rechtbank overweegt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn mededaders de hiervoor bewezenverklaarde gewelddadige handelingen tegen [slachtoffer 2] hebben gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] voornoemd tengevolge van vorenstaande handelingen van het leven zou worden beroofd, in aanmerking genomen dat – naar algemene bekendheid is – het gedurende langere tijd met kracht slaan en schoppen op nagenoeg alle delen van het menselijk lichaam, waaronder ook het hoofd, dodelijk letsel kan veroorzaken. Verdachte en zijn mededaders hebben mitsdien steeds gehandeld met het voor poging tot doodslag vereiste opzet in de zin van voorwaardelijke opzet.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

(meer subsidiair)

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN.

2.

(subsidiair)

MEDEPLEGEN VAN POGING TOT DOODSLAG.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en een poging tot doodslag. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte samen met zijn familieleden na een eerdere ruzie zijn teruggekeerd naar het café De Blokhut te Dordrecht. Tijdens deze vorige ruzie werd een medeverdachte door het latere [slachtoffer 1] uit het café verwijderd. Nadat deze medeverdachte terug naar huis was gegaan, vroeg hij aan een andere medeverdachte mee terug te gaan naar De Blokhut om wraak te nemen op [slachtoffer 1]. Aldaar aangekomen werd in het gezicht van [slachtoffer 1] traangas gespoten, waardoor hij weerloos werd. Vervolgens werd [slachtoffer 1] door verdachte en zijn medeverdachten meerdere malen met harde en scherpe voorwerpen tegen het hoofd en het lichaam geslagen. Op het moment dat [slachtoffer 1] op de grond lag werd hij door dezelfde daders tegen het hoofd en lichaam getrapt en geschopt.

[slachtoffer 2] schoot [slachtoffer 1] te hulp, waardoor de agressie zich vervolgens op hem richtte. [slachtoffer 2] werd door verdachte en zijn medeverdachten met een honkbalknuppel en een stoel en met de vuisten tegen het lichaam en hoofd geslagen. Om het verzet van [slachtoffer 2] te breken, werd hij door een medeverdachte met een schouderworp op de grond gegooid.

Dat één en ander niet met fatale gevolgen voor de slachtoffers is afgelopen, is slechts een gelukkig toeval en is zeker niet aan het optreden en de handelswijze van verdachte en zijn mededaders te danken. Met name de redeloze en agressieve wijze waarop de slachtoffers zijn aangevallen, zonder zich te bekommeren om het leed dat hen werd aangedaan, rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. De rechtbank neemt het ook zeer zwaar op dat verdachte degene is geweest die een honkbalknuppel heeft meegenomen naar de confrontatie en deze ook daadwerkelijk heeft gebruikt.

Het behoeft geen betoog dat verdachte door het plegen van de onderhavige feiten ernstige misdrijven heeft gepleegd. Dergelijke feiten zijn niet alleen voor de direct betrokkene bijzonder traumatiserend en kunnen tot langdurige psychische schade leiden, maar veroorzaken tevens gevoelens van afschuw en onbegrip in de samenleving. Bovendien versterkt het in hoge mate de reeds in die samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de kans dat een dergelijk incident fatale gevolgen heeft, onjuist heeft ingeschat. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Verdachte heeft ter terechtzitting echter herhaaldelijk aangegeven zijn fout in te zien.

Bij haar oordeelsvorming omtrent de uiteindelijke strafmodaliteit alsmede de duur daarvan betrekt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen in het rapport van Reclassering Nederland d.d. 12 oktober 2007 te Rotterdam en zoals deze ook overigens ter terechtzitting zijn gebleken.

De rechtbank houdt voorts rekening met de rol van verdachte in het geheel van de gebeurtenissen en met het feit dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 juli 2007 nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen ter zake een geweldsdelict.

Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een vrijheidsstraf van na te melden duur passend en geboden. Voorts acht zij het van groot belang dat de recidivekans zoveel mogelijk wordt beperkt. Zij zal dan ook een deel van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen. Deze voorwaardelijke straf dient als waarschuwing aan de verdachte zich in de toekomst van het plegen van strafbare feiten te onthouden.

7.2 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij is ontvankelijk in de vordering, nu aan verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd en aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezen verklaarde strafbare feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], toewijzen tot een bedrag van EUR 1.900,00 (de vergoeding van de immateriële schade), nu dit gedeelte van de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde strafbare feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de impact die dit heeft gehad op de benadeelde partij. De rechtbank bepaalt dat verdachte bij betaling door een of meer van zijn mededaders ten opzichte van de benadeelde partij zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Voor het overige (de vergoeding van materiële schade) wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering, nu dit deel van de vordering niet eenvoudig van aard is. Dit deel van de vordering kan slechts worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Naast toewijzing van deze civiele vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Een en ander met dien verstande dat telkens voldoening aan de maatregel de toegewezen civiele vordering doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de schade tot het toegewezen bedrag door verdachte, de opgelegde maatregel doet vervallen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 47, 57, 141 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWINTIG (20) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten ZES (6) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van EUR 1.900,00 (negentienhonderd euro), zijnde immateriële schadevergoeding met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk is in het resterende deel van de vordering te weten EUR 9.309,50, zijnde materiële schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] met eenzelfde bedrag doet verminderen;

legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EUR 1.900,00 (negentienhonderd euro) ten behoeve van [slachtoffer 1];

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 38 dagen;

verstaat dat de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 1] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 1];

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.