Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB6577

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
26-10-2007
Zaaknummer
72133 / KG ZA 07-183
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-Huwelijksvoornemen 91-jarige man met 85-jarige vrouw

-Stuiting huwelijk door kinderen wegens dementie man

-Opheffing stuiting in kort geding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2008, 8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 72133 / KG ZA 07-183

Vonnis in kort geding van 25 oktober 2007

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeenteplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats], , gemeente [gemeenteplaats],

eisers,

procureur mr. L. Alberts,

advocaat mr. J.W.A. van Dommelen te Veenendaal,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur J.A. Visser;

advocaat mr. M.A. Heeringa te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna eisers en gedaagden genoemd worden. Eiser wordt afzonderlijk ook genoemd: de vader.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de drie dagvaardingen

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van eisers

- de pleitnota van gedaagden

- de door beide partijen overgelegde producties

1.2. Na de zitting hebben partijen onderzocht of zij voor mediation zouden kiezen in plaats van vonnis te vragen. Eisers hebben medegedeeld dat niet voor mediation werd gekozen.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eiser is 91 jaar oud en woont in het verzorgingshuis d'Amandelboom te [woonplaats]. Eiseres is 85 jaar oud en zij is werkzaam als vrijwilliger in dit verzorgingstehuis. Eisers wensen met elkaar in het huwelijk te treden.

2.2. Eiser heeft vier (meerderjarige) kinderen uit een eerder huwelijk. Drie van deze vier kinderen zijn de gedaagden in deze procedure.

2.3. Gedaagden hebben bij exploot van 25 april 2007 een akte van stuiting van het voorgenomen huwelijk (art. 1:54 BW) doen betekenen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeenteplaats]. Volgens de tekst van deze akte vindt stuiting plaats omdat de geestesvermogens van de vader "zodanig zijn gestoord dat deze niet in staat is de volle betekenis van een huwelijk te begrijpen en de gevolgen van zijn voornemen onder ogen te zien."

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen - samengevat - dat de voorzieningenrechter de stuiting van het huwelijk opheft, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

3.2. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang is gegeven. Het gaat hier om een voornemen tot huwelijksluiting tussen twee hoogbejaarden. Van hen kan niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Daarmee zou nog aanmerkelijk tijdsverloop gemoeid kunnen zijn, temeer nu een beschikking tot opheffing van stuiting eerst kracht van gewijsde moet verkrijgen om de stuiting ongedaan te maken. Aan het oordeel niet af dat eisers zich niet direct na de stuiting tot de voorzieningenrechter hebben gewend. Het spoedeisend belang is daardoor veeleer toe- dan afgenomen.

4.2. De voorzieningenrechter is bevoegd om de stuiting van het huwelijk in kort geding op te heffen (in gelijke zin: Hof 's-Gravenhage 9 januari 1941, NJ 1941, 426 en president rechtbank 's-Gravenhage 8 februari 1985, KG 85 / 102). Het verweer dat opheffing in kort geding niet mogelijk is vanwege het definitieve karakter van een zodanige voorziening, faalt. Als een voorziening in kort geding in feite onherstelbare gevolgen heeft, dan behoeft dat niet in de weg te staan aan het treffen daarvan, indien het spoedeisend karakter aanwezig is en de gevraagde voorziening wordt gerechtvaardigd door een billijke afweging van de belangen van partijen (HR 11 februari 1994, NJ 1994, 651). Afgezien hiervan heeft de opheffing van de stuiting in kort geding niet een definitief karakter, nu ook na de huwelijksvoltrekking nog nietigverklaring van het huwelijk mogelijk is (art. 1:56 BW).

4.3. Beoordeeld moet worden of sprake is van zodanig gestoorde geestesvermogens dat de vader niet in staat is zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn (huwelijks-)verklaring te begrijpen. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk geworden dat de geestesvermogens van de vader toereikend zijn. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.4. Zwaarwegend is de uitkomst van het onderzoek van P.L.J. Dautzenberg, klinisch geriater, vervat in de brief van 3 oktober 2007, naar de geestesgesteldheid van de vader. Dit onderzoek had het specifieke doel te beoordelen of de geestesvermogens van de vader een huwelijksbeletsel vormen. De uitkomst daarvan is dat de vader wilsbekwaam is en dat er geen huwelijksbeletsel aanwezig is. De vader is ook onderzocht door een andere klinisch geriater, dr. R.A. Faaij (brief 23 juli 2007). Dat onderzoek is weliswaar niet voorzien van een duidelijke conclusie, in positieve of in negatieve zin, ten aanzien van het huwelijksvoornemen, maar in ieder geval zijn deze bevindingen niet duidelijk afwijkend van die van Dautzenberg. Reden om te twijfelen aan de deskundigheid van de betreffende geriaters ziet de voorzieningenrechter niet. Het rapport waarop gedaagden zich beroepen is niet voldoende zwaarwegend voor een ander oordeel. Het betreffende rapport van 8 december 2005 is de uitkomst van een onderzoek door Parnassia Psycho-Medisch Centrum 2005. Dit rapport bevat weliswaar de bevinding dat het klinisch beeld, de MRI en het neuronpsychologisch van de vader passen bij een beginnende vorm van dementie, mogelijk van het Alzheimer-type, maar dit is niet het criterium waaraan de (voorzieningen-) rechter heeft te toetsen. De specifieke vraag of de geestesgesteldheid van de vader in de weg staat aan het aangaan van een huwelijk lag niet voor bij het onderzoek uit 2005, en juist wel bij de twee onderzoeken uit 2007. Bovendien concludeert Dautzenberg dat twijfel bestaat aan de diagnose dementie. Ter zitting gaf de vader blijk van een alleszins voldoende tegenwoordigheid van geest. Dat de geestesgesteldheid van de vader ontoereikend is, is dan ook niet aannemelijk geworden.

4.5. Gedaagden zijn bezorgd of de goede verzorging en structuur die hun vader thans geniet, ook gegeven kan worden door eiseres als de vader na huwelijksvoltrekking bij eiseres zal gaan wonen. Dit heeft echter niet van doen met het criterium waaraan de voorzieningenrechter heeft te toetsen, zijnde de huidige geestesgesteldheid van hun vader.

4.6. Overigens is er geen aanwijzing dat eiseres, die op haar 85-jarige leeftijd nog als vrijwilliger werkt in het verzorgingstehuis waar de vader woont, niet in staat is om de vader de nodige zorg te bieden, ook al heeft zij in het recente verleden haar arm of pols gebroken. Voorts kan wellicht het inroepen van enige hulp door derden, professioneel of in familieverband, zijnde toch niet ongebruikelijk bij hoogbejaarden, verdere uitkomst bieden.

4.7. Gedaagden zijn voorts bevreesd dat de geestesvermogens van hun vader in de (nabije) toekomst snel achteruit zullen gaan, waardoor hij intensieve verzorging zal behoeven en dat eiseres daartoe niet in staat of bereid zal zijn. Gedaagden vrezen dat door de korte duur van het huwelijk de band tussen eisers onvoldoende sterk is om stand te houden als zij in een verzorgingsrelatie terecht komen. De voorzieningenrechter kan deze zorgen niet in zijn beoordeling betrekken. Of eiseres zich in voor- en tegenspoed een goede echtgenote zal weten te betonen is niet aan hem ter beoordeling. Het wettelijk criterium is, kort gezegd, of de vader thans over voldoende geestesvermogens beschikt om de volle betekenis van een huwelijk te overzien. Dat is aannemelijk geworden.

4.8. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. heft de stuiting van het huwelijk op;

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2007.