Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB5582

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
69313 / HA ZA 07-2179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Auteursrecht.

Inbreuk aangenomen op het aan eiseres als werkgever toekomende auteursrecht m.b.t. door haar werknemers ontworpen grafmonumenten.

De inbreuk is toerekenbaar en daarom wordt winst afdracht toegewezen, waarbij wordt verwezen naar het door de HR op 16/6/2006 genoemde criterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 69313 / HA ZA 07-2179

Vonnis van 15 augustus 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser],

gevestigd te Veenendaal,

eiseres,

procureur mr. J.A. Visser,

advocaat mr. R.A. van Huussen te Veenendaal,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Groot-Ammers,

gedaagde,

procureur mr. A.F. Ammerlaan,

advocaat mr. E.Tj. van Dalen te Groningen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 mei 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 3 juli 2007.

1.2. Aan het einde van de comparitie is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, en op grond van de producties, voor zover niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2. [eiser] houdt zich bezig met het ontwerpen en verkopen van onder andere natuurstenen grafmonumenten.

2.3. Foto’s van de grafmonumenten die [eiser] te koop aanbiedt staan op de website van [eiser] (www.artea.nl) en in een brochure.

2.4. [gedaagde] houdt zich ook bezig met de verkoop van grafmonumenten.

2.5. Zij heeft eind 2006 een serie van 21 foto’s op haar website (www.mementa.nl) geplaatst.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert, samengevat:

a) een verbod tot het maken van inbreuk op het auteursrecht met betrekking tot 21 grafmonumenten;

b) een bevel tot vernietiging van verveelvoudigingen;

c) een dwangsom van € 10.000,= voor iedere dag of per keer dat [gedaagde] in strijd handelt met enig verbod of bevel of gedeelte daarvan;

d) afdracht van de winst van [gedaagde], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening, met bevel tot het doen van rekening en verantwoording binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, onder toezending binnen dezelfde termijn van een verklaring van een register-accountant waaruit de hoogte van de behaalde winst blijkt, vergezeld van een door de register-accountant geaccordeerde opgave van (i) de hoeveelheid en betaalde inkoopprijs c.q. de kostprijs, gestaafd met bewijsstukken (ii) de hoeveelheid en de berekende verkoopprijs van de verkochte inbreuk makende grafmonumenten, gestaafd met bewijsstukken, en (iii) de omvang van de voorraad inbreukmakende monumenten op de datum van het vonnis;

e) veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

Zij stelt daartoe het volgende.

3.2. De foto’s op de website van [gedaagde] zijn exacte – zij het gespiegelde – kopieën van foto’s van [eiser]. [eiser] is auteursrechthebbende ten aanzien van de 21 daarop afgebeelde grafmonumenten. [gedaagde] biedt die grafmonumenten ten verkoop aan en maakt inbreuk op het auteursrecht van [eiser].

3.3. Voorts is sprake van slaafse nabootsing. [gedaagde] is tekort geschoten in haar verplichting om alles te doen wat redelijkerwijs mogelijk en nodig was om te voorkomen dat verwarringsgevaar ontstaat of wordt vergroot, doordat zij heeft nagelaten om bij de nabootsing een andere weg in te slaan, terwijl dat kon zonder aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid afbreuk te doen.

4. Het verweer

4.1. [gedaagde] concludeert tot niet ontvankelijk verklaring, althans afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Zij voert als verweer het volgende aan.

4.2. De grafmonumenten hebben geen oorspronkelijk karakter en dragen niet het persoonlijk stempel van [eiser] als maker.

4.3. [eiser] kan niet als maker worden aangemerkt. Zij levert daarvoor onvoldoende bewijs. Het is niet uitgesloten dat [eiser] de ontwerpen van anderen heeft afgekeken.

4.4. [gedaagde] wist niet beter dan dat de buitenlandse leveranciers, van wie zij de foto’s kreeg, zelf de ontwerpers waren of afspraken met de werkelijk auteursrechthebbenden hebben gemaakt.

4.5. Van slaafse nabootsing is geen sprake omdat [gedaagde] op bepaalde essentiële onderdelen een andere weg is ingeslagen.

4.6. Het vereiste van de register-accountant moet worden geschrapt en de termijn van veertien dagen moet worden verlengd tot drie maanden.

5. De beoordeling

Auteursrechtelijk beschermd werk?

5.1. De grafmonumenten komen voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking als zij een eigen oorspronkelijk karakter hebben en het persoonlijk stempel van de maker dragen (LJN: ZC0104, HR 04-01-1991).

5.2. Ter onderbouwing van haar stelling dat dit het geval is heeft [eiser] foto’s van de 21 grafmonumenten in het geding gebracht. De rechtbank concludeert op basis van eigen waarneming daarvan dat niet kan worden gezegd dat het deze ontwerpen aan ieder oorspronkelijk karakter ontbreekt of dat zij niet het oorspronkelijk stempel van de maker dragen. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat het hier om auteursrechtelijk beschermde werken gaat.

5.3. [gedaagde] voert aan dat deze grafmonumenten wijd en zijd in de branche worden gebruikt en ieder oorspronkelijk karakter hebben verloren. Zij heeft deze bewering echter op geen enkele wijze uitgewerkt of verduidelijkt, nader toegelicht of met voorbeelden onderbouwd. Tegenover de onderbouwde stelling van [eiser], had [gedaagde] haar verweer handen en voeten moeten geven. Nu zij dat nalaat is haar verweer onvoldoende gemotiveerd en gaat de rechtbank daaraan voorbij.

Is [eiser] maker?

5.4. [eiser] heeft haar stelling dat zij de grafmonumenten zelf heeft ontworpen en dat zij de rechthebbende is uitvoerig onderbouwd met ontwerptekeningen van elk grafmonument, de opdrachtbevestigingen aan de eerste afnemers van ieder ontwerp, de aan deze afnemers verzonden facturen. [gedaagde] betwist niet dat de ontwerptekeningen afkomstig zijn van [eiser] en dat het hier de opdrachtbevestigingen en facturen aan [eiser]’s eerste afnemers van deze modellen betreft. Dit staat daarom tussen partijen vast.

5.5. Op de ontwerptekeningen van bijna alle modellen staat vermeld “Auteursrecht: Bovenstaand ontwerp is intellectueel eigendom van R.A. [directeur van eiser] en mag niet door anderen worden gebruikt”, of “Auteursrecht: Bovenstaand ontwerp is intellectueel eigendom van M.P.A.M. [werknemer van eiser] en mag niet door anderen worden gebruikt”. Ter zitting heeft [eiser] meegedeeld dat de heer [directeur van eiser] – die zelf ook als statutair directeur ter zitting aanwezig was - en de heer [werknemer van eiser] beiden in haar dienst zijn en dat het ontwerpen van grafmonumenten behoort tot hun functie bij [eiser]. [gedaagde] heeft dit niet betwist, zodat dit ook vaststaat.

5.6. De rechtbank begrijpt uit het door [eiser] gestelde dat de heren [directeur van eiser] en [werknemer van eiser] de ontwerpen voor deze grafmonumenten in haar dienst hebben gemaakt. Nu niet is gesteld dat iets anders is overeengekomen tussen [eiser] en deze werknemers, dient [eiser] als maker en daarmee als originair auteursrechtrechthebbende te worden beschouwd (artikel 7 Aw).

5.7. [gedaagde] betwist dat [eiser] de maker is. Volgens haar “is niet uitgesloten” en “kan het zijn” dat [eiser] de ontwerpen van anderen heeft afgekeken. [gedaagde] onderbouwt dit verweer echter op geen enkele wijze en geeft bijvoorbeeld geen voorbeelden van grafmonumenten die eerder dan de ontwerpen van [eiser] bestonden, waaraan [eiser] zou hebben kunnen ontleend. [gedaagde] voert weliswaar aan dat uit de tekeningen van [eiser] niet blijkt wanneer die zijn gemaakt. Maar de opdrachtbevestigingen verwijzen naar de tekeningen en de opdrachtbevestigingen zijn gedateerd. Dit betekent dat de tekeningen eerder zijn gemaakt dan de data op de opdrachtbevestigingen. [gedaagde] had dan ook voldoende aanknopingspunten om aan haar verweer handen en voeten te geven. Nu zij dat heeft nagelaten passeert de rechtbank ook dit verweer als, tegenover de deugdelijk onderbouwde stelling van [eiser], onvoldoende gemotiveerd.

Inbreuk op het auteursrecht?

5.8. [gedaagde] betwist niet dat de foto’s die [eiser] in het geding heeft gebracht, de foto’s zijn die op de websites van [eiser] en [gedaagde] zijn geplaatst. De rechtbank concludeert op basis van vergelijking van die foto’s dat:

- de foto’s op de website van [gedaagde] identiek zijn aan die van [eiser], zij het dat ze zijn gespiegeld, en

- de daarop gespiegeld afgebeelde grafmonumenten identiek zijn aan de 21 grafmonumenten ten aanzien waarvan [eiser] als rechthebbende wordt beschouwd.

5.9. Weliswaar voert [gedaagde] aan dat de grafmonumenten op de websites van haar zelf en [eiser] “absoluut niet honderd procent gelijk” zijn en dat [gedaagde] op bepaalde essentiële onderdelen een andere weg is ingeslagen, maar dit verweer is – in het licht van de identieke foto’s – onbegrijpelijk en in ieder geval op geen enkele wijze nader toegelicht of onderbouwd.

5.10. De conclusie is dat [gedaagde] verveelvoudigingen van de grafmonumenten van [eiser] openbaar maakt door deze op haar website te publiceren en aan te bieden aan het publiek. Daarmee staat de inbreuk op het auteursrecht vast.

Slaafse nabootsing?

5.11. [eiser] roept, naast het auteursrecht, ook de bescherming in die op basis van onrechtmatige daad tegen ‘slaafse nabootsing’ kan worden verkregen. De rechtbank komt aan beoordeling op basis van deze grondslag niet toe, vanwege het volgende.

5.12. Uitgangspunt is dat [eiser] beide beschermingsvormen kan inroepen, mits zij belang heeft bij de aan elk van die leerstukken verbonden bescherming (art. 3:303 BW). Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. [eiser] heeft geen specifiek op slaafse nabootsing toegespitste vordering ingesteld. Van de wel ingestelde vorderingen zouden niet méér worden toegewezen als slaafse nabootsing zou worden aangenomen, dan nu op basis van de auteursrecht inbreuk wordt toegewezen. [eiser] heeft dan ook onvoldoende gesteld om aan te nemen dat zij belang heeft bij de beoordeling van deze grondslag.

De vorderingen

5.13. Nu [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht zal het gevorderde verbod in na te melden omvang worden toegewezen. Voor toewijzing van een verbod tot verveelvoudiging in “gewijzigde of verminkte” vorm is in dit geding geen plaats. [eiser] heeft immers niet gesteld dat inbreuk is gemaakt op enig persoonlijkheidsrecht.

5.14. De vordering tot vernietiging van inbreukmakende voorraad, waarvan [gedaagde] de gegrondheid niet betwist, kan ook worden toegewezen (artikel 28 Aw). Hetzelfde geldt voor de gevorderde dwangsom, zij het dat daaraan een maximum wordt verbonden.

5.15. [eiser] vordert afdracht van de door [gedaagde] met de inbreuk gemaakte winst en rekening en verantwoording daarvan. Voor toewijzing van deze vordering gelden dezelfde vereisten als voor toewijzing van schadevergoeding krachtens art. 6:162 BW, te weten: dat het onrechtmatig handelen aan de inbreukmaker kan worden toegerekend als te wijten aan diens schuld, dan wel aan een oorzaak die volgens verkeersopvattingen voor diens rekening komt (LJN: AU8940, HR 16 juni 2006).

5.16. [gedaagde] heeft ter zitting meegedeeld dat zij regelmatig series foto’s toegestuurd krijgt van leveranciers uit China en India, dat zij niet weet waar die foto’s vandaan komen en dat zij daar ook nooit naar vraagt. Dit geldt ook voor de serie van 21 modellen in deze zaak. Als zij dergelijke series krijgt gaat zij ervan uit dat het om algemene modellen gaat of dat de auteursrechten zijn geregeld, aldus [gedaagde]. Dit betekent dat [gedaagde] helemaal niets doet om te voorkomen dat zij inbreuk maakt op eventuele rechten van derden, zelfs als het gaat om zo grote aantallen als in deze zaak. De rechtbank is van oordeel dat de inbreuk daarom verwijtbaar is.

5.17. [gedaagde] geeft aan meer tijd nodig te hebben voor verstrekking van een accountants verklaring. Nu [eiser] daar ter zitting niets tegen heeft ingebracht zal de termijn op de door [gedaagde] verlangde 3 maanden worden bepaald. Dat [gedaagde] kosten moet maken voor een register-accountant staat niet in de weg aan toewijzing. Hetzelfde geldt voor haar mededeling dat zij nog geen één exemplaar heeft verkocht.

Voor het overige heeft [gedaagde] de vordering niet betwist, zodat deze zal worden toegewezen.

5.18. [gedaagde] zal, tenslotte, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten berekend naar het liquidatietarief, een en ander conform de vordering van [eiser].

6. De beslissing

De rechtbank:

verbiedt gedaagde om zonder toestemming van eiseres één of meer van de 21, hierboven in alinea 5.2 bedoelde, grafmonumenten van eiseres te verveelvoudigen en/of openbaar te maken, op welke wijze dan ook;

beveelt gedaagde om binnen twee weken na betekening van het vonnis de alsdan nog aanwezige verveelvoudigingen van de bedoelde grafmonumenten van eiseres te vernietigen;

veroordeelt gedaagde om de winst die zij heeft genoten ten gevolge van de inbreuk op het aan eiseres toekomende auteursrecht met betrekking tot de bedoelde grafmonumenten, aan eiseres af te dragen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

beveelt gedaagde om aangaande die winst rekening en verantwoording af te leggen binnen drie maanden na betekening van dit vonnis door toezending aan eiseres binnen dezelfde termijn van een door een register-accountant opgestelde en ondertekende verklaring waaruit de hoogte van de behaalde winst blijkt, vergezeld van een door de register-accountant geaccordeerde opgave van:

(i) de hoeveelheid en betaalde inkoopprijs c.q. de kostprijs, gestaafd met alle daarop betrekking hebbende facturen of overige bewijsstukken,

(ii) de hoeveelheid en de berekende verkoopprijs van de verkochte inbreuk makende grafmonumenten, gestaafd met orderbevestigingen en facturen,

(iii) de omvang van de voorraad inbreukmakende monumenten op de datum van het vonnis;

veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van € 10.000,= voor iedere dag of per keer dat gedaagde in strijd handelt met enig in dit vonnis gegeven verbod en/of bevel of gedeelte daarvan, met een maximum van € 150.000,=;

veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden begroot op

€ 1.340,32 waarvan € 904,= aan salaris van de procureur en € 321,85 aan verschotten, waarvan € 251,= aan griffierecht;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Diekman en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2007.?