Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB5574

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
52969 / HA ZA 04-2128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Auteursrecht-verlichting.

Eindvonnis in auteursrechtzaak, na bewijslevering. Gedaagde heeft bewezen dat haar tuinverlichting (lisboa) het resultaat is van een zelfstandige schepping en niet de vrucht van ontlening, ook niet van onbewuste, aan de lichtstok van Van Munster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IER 2008, 11

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 52969 / HA ZA 04-2128

Vonnis van 22 augustus 2007

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser1],

gevestigd te Duivendrecht,

2. [eiser2],

wonende te Noordwelle,

eisers,

procureur mr. J.A. Visser,

advocaat mr. B.S. Friedberg en mr. J.G. Mahn te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

[gedaagde],

gevestigd te Gorinchem,

gedaagde,

procureur mr. V.J. Groot,

advocaat mr. P.L. Reeskamp te Amsterdam.

Partijen zullen hierna (ook) [eiser2], [eiser1] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 april 2006,

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 31 augustus 2006,

- de conclusie na getuigenverhoor tevens houdende nadere producties van [gedaagde],

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van [eiser2] en [eiser1].

1.2. Aan de zijde van [gedaagde] zijn achtereenvolgens gehoord de getuigen D.M.K.R. [getuige1], G.W.A.C.M. van [getuige2], W.M.G. de [getuige3] en

J.M.R. de [getuige4]. Er zijn geen getuigen in contra-enquête voorgebracht.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald na conclusiewisseling. De rechter die de getuigen heeft gehoord is niet in staat om dit vonnis te wijzen vanwege een herverdeling van werkzaamheden.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 5 april 2006 is [gedaagde] toegelaten te bewijzen dat de Lisboa een zelfstandige schepping is en niet de vrucht van bewuste of onbewuste ontlening aan de lichtstok van [eiser2].

2.2. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] in de bewijsopdracht is geslaagd, op grond van de navolgende overwegingen.

Getuigen

2.3. De getuigen hebben, zakelijk weergegevn, het volgende verklaard.

2.4. [getuige1]

Ik ben sinds 1982 op de ontwerpafdeling van [gedaagde] werkzaam. Op mijn voorspraak ging [gedaagde] over van de klassieke lantaarns naar strakkere vormgeving. Mijn inspiratiebron was de school van Ulm met het motto vorm volgt functie. Het moest simpel zijn en eenvoudig te produceren. Ik heb de Lisboa ontworpen. Er is geen sprake was van ontlening. Vóór deze zaak begon te spelen kende ik [eiser2] en zijn lichtstok niet en ben ik niet in Dordrecht of Apeldoorn geweest. De ontwikkeling van de Lisboa startte eind jaren 80/begin 90 met een door mij zelf ontwikkelde kunststof buitenlamp die was gebaseerd op regenpijpen (prod. 1B bij CvA). Begin jaren 90 is deze lamp gewijzigd in een stalen lamp omdat uit de markt de vraag naar stalen producten kwam.

2.5. [getuige2]

Ik ben al 20 jaar manager van een afdeling van [gedaagde] die kunststof/plastic producten vervaardigt. Ik kende de lichtstok niet. Ik zal ongetwijfeld hebben gesproken met [getuige1] over het verlies van marktaandeel in kunststof branche en de oorzaken daarvan, o.a. dat de markt staal en hout wilde. Die tendens is 20 jaar geleden ingezet. Mijn indruk is, dat de Lisboa voortborduurt op, en een verbetering is van, de kunststof lamp (prod. 1b CvA).

2.6. De [getuige3]

De markt vroeg enig moment, ik denk eind jaren 80, begin jaren 90, om ander materiaal dan kunststof, namelijk RVS en hout. Ik gaf aan de ontwerpafdeling van [gedaagde] door wat de markt wenste. Ik denk dat het kunststof model (prod. 1B bij CvA) de basis was voor de Lisboa. De lichtstok van [eiser2] kende ik niet.

2.7. De [getuige4]

Ik kende de lichtstok van [eiser2] niet. De Lisboa is een andere uitvoering van het zwarte kunststof paaltje (prod. 1B bij CvA). Ik heb gezocht naar lichtarmaturen van voor 1978. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat ideeën over lichtpalen al dateren van in ieder geval 1971. Ik heb van de, oorspronkelijk Duitse firma, BEGA kopieën gekregen van de door haar ontwikkelde lichtpaal uit 1971.

2.8. [gedaagde] heeft bij conclusie na enquête betere kopieën van de door [getuige4] overhandigde documentatie van BEGA in het geding gebracht (productie 9).

Beoordeling

2.9. [getuige1] - volgens eigen verklaring de ontwerper van de Lisboa -, en de andere gehoorde getuigen - allen (destijds) werknemers van [gedaagde] - verklaren dat zij de lichtstok van [eiser2] niet kenden voordat deze zaak begon. Dit komt de rechtbank, in tegenstelling tot eisers, niet onmogelijk voor. Zelfs als [eiser2] tot de wereldtop van lichtkunstenaars behoort, zoals eisers stellen, wil dat niet noodzakelijk zeggen dat ook elk van zijn individuele werken – de lichtstok in het bijzonder - een zo grote bekendheid geniet dat de ontwerpers/werknemers van een bedrijf als [gedaagde] die wel moeten kennen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat uit de stellingen en producties van eisers niet blijkt dat de lichtstok op grote schaal is verspreid, of dat specifiek aan de lichtstok (inter)nationaal op uitgebreide schaal bekendheid is gegeven.

De rechtbank heeft dan ook geen reden om op dit punt aan de geloofwaardigheid van de getuigen te twijfelen.

2.10. Deze verklaringen zijn op zichzelf echter niet voldoende om het opgedragen bewijs geleverd te achten. De onwaarschijnlijkheid dat overeenstemming tussen twee werken louter toevallig is, dient immers op meer te berusten dan de verklaringen van de ontwerper van het werk waarvan wordt gesteld dat het inbreuk maakt (LJN: AA4872, HR 18-02-2000).

In dit geval is er méér.

2.11. Productie 9 van [gedaagde] betreft een publicatie over “BEGA Gartenleuchten in der Bundesgartenschau Köln 1971”. Eisers betwisten dat de op de derde pagina van productie 9 (d.w.z. de pagina genummerd 14) afgebeelde lamp in 1971 al op de markt was. Op pagina 2 en 8 staat evenwel de BEGA Gartenleuchte 9267 afgebeeld, met daarnaast een tekening van die lamp. Die lamp was, zo blijkt uit de publicatie en wordt door eisers niet betwist, in ieder geval in 1971 op de markt. Deze BEGA 9267 is ouder dan de lichtstok van [eiser2].

2.12. De lamp van BEGA kenmerkt zich, net zoals de lichtstok van [eiser2] en de Lisboa, door zijn visuele eenvoud en doordat de lamp de vorm heeft van een rechtopstaande lucifer. De lamp van BEGA is daarbij, net zoals de Lisboa, een tuinlamp. Naar het oordeel van de rechtbank is de overeenstemming tussen de Lisboa en dit model van BEGA zo groot, dat het mogelijk is dat het ontwerp van de Lisboa (al dan niet onbewust) is terug te voeren op dit model van BEGA.

2.13. Uit de getuigen verklaringen blijkt ook nog dat [getuige1] wordt geïnspireerd door en op zoek is naar eenvoudige vormgeving, dat hij ervoor zorgde dat [gedaagde] de weg naar strakke vormgeving insloeg, dat eind jaren 80/begin jaren 90 vanuit de markt de vraag kwam naar RVS, en dat die wens aan de ontwerpafdeling is doorgegeven. Eisers betwisten de getuigenverklaringen op deze punten niet. Deze elementen dragen aan de overtuiging van de rechtbank bij.

2.14. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat het, gezien productie 9 van [gedaagde], mogelijk is dat de Lisboa langs een andere weg dan die van ontlening aan de lichtstok van [eiser2] is ontstaan. De verklaringen van de getuigen wekken de overtuiging dat dit ook daadwerkelijk het geval is. Hiermee is het uit de punten van overeenstemming tussen de Lisboa en de lichtstok voortvloeiende vermoeden van ontlening weerlegd.

2.15. De conclusie luidt dat [gedaagde] geen inbreuk heeft gemaakt op het aan de lichtstok verbonden auteursrecht. Daarom worden de vorderingen afgewezen.

2.16. Eisers zullen, als in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten. Nu eisers geen verweer hebben gevoerd tegen de gevorderde hoofdelijkheid zullen zij ieder hoofdelijk in deze kosten worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eisers ieder hoofdelijk, zo dat betaling door de een de ander bevrijdt, in de kosten van het geding, tot op heden begroot op € 3.065,= waarvan € 2.712,= aan salaris van de procureur en € 353,= aan verschotten, waarvan € 241,= aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Diekman en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2007.?