Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB5026

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
08-10-2007
Zaaknummer
194268 HA VERZ 07-129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsontbinding; Op 1 maart 2007 is het Da Vinci bekend geworden met een video-opname welke op Internet circuleerde. De video-opname is door een leerling van het Da Vinci opgenomen en toont [verweerder] die tijdens één van zijn lessen op het schoolbord naast een door een ander getekend mannelijk geslachtsdeel een vrouwelijke borst tekent. Nu werkgever zelf ook aangeeft dat de video-opname op zich geen grond is voor een ontslag op staande voet, is geen sprake van een dringende reden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk dient te worden ontbonden. Kennelijk is er voor het voorval van de video-opname wel een en ander voorgevallen, maar de kantonrechter acht deze incidenten niet van zodanig gewicht dat deze tezamen met de video-opname een dringende reden opleveren. De kantonrechter is echter wel van oordeel dat de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen voorwaardelijk moet worden ontbonden, onder toekenning van een vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 194268 HA VERZ 07-129

beschikking van de kantonrechter te Dordrecht van 8 mei 2007 inzake het verzoek van:

de stichting Stichting Regionaal Opleidingen Centrum Zuid-Holland-Zuid "Da Vinci College",

gevestigd en kantoorhoudende te Dordrecht,

gemachtigde mr. L.R.T. Peeters,

verzoekende partij,

tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder]

wonende te [woonplaats]

gemachtigde mr. T.G.M. Gersjes, verwerende partij,

een en ander voor zover mocht blijken dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen thans nog voortduurt.

Partijen worden hierna aangeduid met Da Vinci. en [verweerder]

Verloop van de procedure

De kantonrechter beslist op de volgende processtukken:

1. het verzoekschrift dat ter griffie is binnengekomen op 26 maart 2007;

2. het verweerschrift;

3. de overgelegde producties.

De behandeling van het verzoekschrift is bepaald op 24 april 2007.

Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden.

De gemachtigden van partijen hebben gepersisteerd bij het in het verzoekschrift en verweerschrift gestelde en hebben hun standpunten nog mondeling, en verwerende partij tevens schriftelijk door het overleggen van een pleitnota, nader toegelicht.

Omschrijving van het geschil De feiten

1. Tussen partijen staat het navolgende vast.

2. [verweerder, die is geboren op [geboortedatum], is op 21 augustus 1995 in dienst getreden bij Da Vinci in de functie van docent, zulks tegen een bruto maandsalaris van laatstelijk € 3.232,80, exclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering. [Verweerder] doceert bouwkunde en architectuur.

3. Op 27 februari 2007 heeft [verweerder] zich ziek gemeld.

4. Op 1 maart 2007 is het Da Vinci bekend geworden met een video-opname welke op Internet circuleerde. De video-opname is door een leerling van het Da Vinci opgenomen en toont [verweerder] die tijdens één van zijn lessen op het schoolbord naast een door een ander getekend mannelijk geslachtsdeel een vrouwelijke borst tekent. Op 5 maart 2007 heeft Da Vinci [verweerder] hierover gehoord.

5. Da Vinci heeft [verweerder] op 5 maart 2007 op staande voet ontslagen en zij heeft dit schriftelijk bevestigd bij brief van 6 maart 2007.

6. Bij brief van 15 maart 2007 heeft [verweerder] tegen het ontslag op staande voet geprotesteerd. [Verweerder] heeft op 28 maart 2007 een beroepschrift ingediend bij de Commissie van Beroep voor onderwijs (hierna: de Commissie) tegen de beslissing van Da Vinci van 6 maart 2007. Eveneens op 28 maart 2007 heeft [verweerder] de Commissie verzocht

een voorlopige voorziening te treffen. Op 11 april 2007 is de mondelinge behandeling geweest inzake de voorlopige voorziening. De Voorzitter van de Commissie heeft bij uitspraak van 19 april 2007 de verzochte voorlopige voorziening toegewezen in zoverre dat de werkgever ook na 5 maart 2007 salaris is verschuldigd aan [verweerder] tot het moment dat

op het beroep is beslist, danwel indien dat eerder is, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst op rechtgeldige wijze zal eindigen. De Commissie heeft daartoe het volgende overwogen:

(...)

Het is de Voorzitter niet gebleken dat [verweerder] gedurende het opgenomen fragment opmerkingen heeft gemaakt die in strijd zijn met het bij de werkgever vigerende integriteitsbeleid. [Verweerder] heeft aan een situatie, waarin hij kennelijk aan het begin van de les door de deelnemers werd geplaatst, een didactische draai gegeven en deze situatie betrokken op het vakgebied waarop h~ lesgeeft, te weten bouwkunde en architectuur. Het staat de werkgever uiteraard vrij om invloed uit te oefenen op de wijze waarop de lessen worden verzorgd. Indien de werkgever ongelukkig is met de wijze, waarop de onderhavige situatie heeft aangepakt, is de werkgever daarom gerechtigd daarover met hem in discussie te gaan en aanwijzingen te geven over hoe binnen de school met dergelijke situaties dient te worden omgegaan. Niet gebleken is dat een dergelijke situatie eerder onderwerp van gesprek is geweest tussen de werkgever en [verweerder], hetgeen tot de conclusie zou kunnen leiden dat [verweerder] weigert zich te voegen naar de pedagogische en didactische beleid van de instelling. Nu dat niet het geval is, vormt dit voorval naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter geen dringende reden voor ontslag (. ).

Het verzoek

7. Da Vinci verzoekt, voorwaardelijk, de arbeidsovereenkomst tussen haar en te ontbinden per datum mondelinge behandeling, althans in zodanige datum als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens. De Vinci legt hier primair aan ten grondslag dat sprake is van een dringende reden en subsidiair dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, waarvan [verweerder] in overwegende mate een verwijt valt te maken. Da Vinci stelt in dit verband -samengevat- het volgende.

8. Directe aanleiding voor het ontslag op staande voet is de video-opname van 1 maart 2007. [Verweerder] trof op het schoolbord een getekend mannelijk geslachtdeel aan en in tegenstelling dit uit te wissen, wijdt hij erover uit en tekent ook nog een vrouwelijke borst ernaast. Onderwijl maakt [verweerder] seksueel getinte toespelingen, welke hij aanduidt als organische architectuur. Dit handelen is in strijd met het integriteitsbeleid van Da Vinci. [Verweerder] heeft dit gedrag met voeten getreden en weigert de onjuistheid van zijn gedrag in te zien, waardoor van Da Vinci niet langer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dit incident staat niet op zich, maar vormt de druppel na een reeks van andere incidenten.

Zo heeft [verweerder] in 2003 een vrouwelijke collega een zoen gegeven en een briefje op haar bureau gelegd met de tekst: "Als jij niet tegen een spontane zoen kan zit er bij jou een steekje los!". In maart 2004 heeft [verweerder] een aantal leerlingen onheus bejegend met discriminerende opmerkingen en opmerkingen aangaande lichamelijke klachten, waarna [verweeder] is gewaarschuwd. In september 2004 heeft [verweerder] zich wederom laten gaan en deelnemers in woord en gedrag geschoffeerd. [Verweerder] is toen voor de tweede en laatste maal gewaarschuwd. Vervolgens heeft [verweerder] in januari 2007 een leerling geslagen. De waarschuwingen in het verleden hebben derhalve kennelijk geen effect gehad.

Het verweer

9. [Verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair het verzoek alleen toe te wijzen onder toekenning van een in goede justitie te bepalen ontbindingsvergoeding, met veroordeling van Da Vinci in de proceskosten. [Verweerder] voert in dit verband -samengevat- het volgende aan als verweer.

10. Het verzoek houdt verband met het bestaan van een opzegverbod. heeft zich op 27 februari 2007, en derhalve voor het video-incident, ziek gemeld. Ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe van [verweerder] is hem tot op heden bedrijfsgeneeskundige begeleiding onthouden. Gelet op zijn arbeidsongeschiktheid dient aan [verweerder] 'en uitkering ter hoogte van zijn laatste bezoldiging te worden betaald, hetgeen niet is gebeurd. Voorts is de door Da Vinci in het kader van het ontslag op staande voet aangedragen reden juridisch objectief, noch subjectief als dringend te kwalificeren. Het gebruiken van mannelijke en vrouwelijke vormen om organische architectuur en andere organische vormen te beschrijven is een mooi, treffend en vaak gehanteerd middel om ronde vormen tegenover strakke lijnen te beschrijven. De reactie van [verweerder] op de bordtekening van het mannelijk geslachtsdeel waarmee hij aan het begin van de les werd geconfronteerd, is dan ook gelet op het vak dat [verweerder] doceert logisch, gebruikelijk en alleszins toelaatbaar. Met bewust handelen in strijd met het integriteitsbeleid is geen sprake. De aangehaalde gebeurtenissen in 2003, 2004 en 2007 zijn onjuist en in een volledig foutieve context weergegeven. Bovendien is in de afgelopen jaar geen functioneringsgesprek met [verweerder] gevoerd. [Verweerder] acht een vruchtbare samenwerking in de toekomst mogelijk.

Beoordeling van het geschil

l 1 Aan het verzoek ligt niet ten grondslag dat [verweerder] arbeidsongeschikt is wegens ziekte, maar een dringende reden die ziet op strijdig handelen met het integriteitsbeleid van Da Vinci. Dat door Da Vinci nog niets is ondernomen na de ziekmelding door [verweerder] is kennelijk gelegen in de omstandigheid dat Da Vinci, zoals zij ter zitting verklaarde, niet beter weet dan dat het een "gewone" ziekmelding betrof, zoals een griep. Door [verweerder] is aangevoerd dat hij telefonisch heeft meegedeeld dat hij last had van migraine en overspannen was. Volgens kwam dit door het incident waarbij hij de leerling zou hebben geslagen, maar dit is door [verweerder] echter onvoldoende onderbouwd. Het verzoek houdt derhalve geen verband met het bestaan van een opzegverbod, zodat het verzoek inhoudelijk kan worden beoordeeld.

12. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dringende reden moeten de omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, onder welk de aard, en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt en verder ondermeer de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervult, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan de slotsom zijn dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

13. Da Vinci heeft zich op het standpunt gesteld dat na een reeks van incidenten de video-opname de bekende spreekwoordelijke druppel vormde om [verweerder] op staande voet te ontslaan. Ter zitting heeft Da Vinci gesteld dat het incident van de video-opname op zich niet tot een ontslag op staande voet zou hebben geleid, maar dat dit incident niet als losstaand dient te worden beschouwd en in context met de andere voorvallen dient te worden gezien. De kantonrechter is van oordeel dat het inderdaad in lijn is met de heersende jurisprudentie dat, zoals ook hiervoor is geformuleerd, alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen. De incidenten uit de jaren 2003, 2004 en 2007 die Da Vinci in dit kader heeft aangehaald, worden door [verweerder] echter anders uitgelegd. Kennelijk is er voor het voorval van de video-opname wel een en ander voorgevallen, maar de kantonrechter acht deze incidenten niet van zodanig gewicht dat deze tezamen met de video-opname een dringende reden opleveren. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is gebleken dat de incidenten een eigen leven zijn gaan leiden en uit de overgelegde stukken blijkt evenwel niet dat

na 2004 nog is aangesproken door Da Vinci op zijn gedrag. Evenmin is gebleken dat na 2004 functioneringsgesprekken zijn gevoerd. Nu Da Vinci zelf ook aangeeft dat de video-opname op zich geen grond is voor een ontslag op staande voet, is geen sprake van een dringende reden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk dient te worden ontbonden.

14. De kantonrechter is, gelet op hetgeen partijen in de stukken en ter zitting over en weer hebben gesteld, echter wel van oordeel dat er sprake is van zodanige veranderingen in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen op korte termijn voorwaardelijk moet worden ontbonden. Da Vinci heeft te kennen gegeven dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie en stelt geen vertrouwen meer te hebben in de wijze waarop [verweerder]

zich uit en gedraagt tegenover leerlingen. Een school moet echter volledig vertrouwen kunnen hebben in haar docenten en in de wijze waarop zij leerlingen lesgeven en begeleiden. Dat de gedragingen van [verweerder] dermate ernstig zijn dat hij een gevaar zou vormen voor de leerlingen, is echter onvoldoende gebleken. Wel is er duidelijk sprake van een verschil in de wijze waarop Da Vinci graag ziet dat haar docenten communiceren met leerlingen en de wijze waarop [verweerder] dit doet. Zo had het Da Vinci liever gezien dat [verweerder] niet was ingegaan op de bordtekening van het mannelijke geslacht en dat hij ervoor had gekozen dit uit te wissen om tot de orde van de dag over te gaan. [Verweerder] heeft hier, zoals hij heeft aangevoerd, juist niet voor gekozen om zo een brug te kunnen slaan naar het door hem beoogde lesmateriaal. Dat hiermee in strijd met het integriteitsbeleid van Da Vinci is gehandeld door [verweerder] kan zo zijn, maar de kantonrechter is net als de Voorzitter van de Commissie van oordeel dat niet gebleken is dat een dergelijke situatie eerder onderwerp van

gesprek is geweest tussen de werkgever en [verweerder] hetgeen tot de conclusie zou kunnen leiden dat [verweerder] weigert zich te voegen naar de pedagogische en didactische beleid van de instelling. [Verweerder] heeft in de door hem voorgedragen brief wel aangegeven dat hij niet zeker weet of terugkeer op school helemaal mogelijk is. Het voorgaande in ogenschouw nemende leidt dan ook tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst dusdanig is verstoord dat het voorwaardelijk ontbindingsverzoek zal worden toegewezen.

15. Gelet op het voorgaande komt het de kantonrechter met het oog op de gebleken omstandigheden van het geval billijk voor om aan [verweerder] ten laste van Da Vinci een vergoeding toe te kennen van € 55.000,- bruto, welke vergoeding dient om het inkomstenverlies van [verweerder] op te vangen indien hij elders met een lager betaalde betrekking genoegen dient te nemen, dan wel moet terugvallen op een uitkering krachtens enige sociale wetgeving. Bij de bepaling van de vergoeding heeft de kantonrechter mede in acht genomen de leeftijd van [verweerder], het bruto maandsalaris inclusief vakantietoeslag en de vaste en overeengekomen loonbestanddelen, de WW-regeling in het onderwijs, alsmede, de duur van het dienstverband'. Tevens heeft de kantonrechter in aanmerking genomen de stelling van Da Vinci, die door niet is weersproken, dat [verweerder] tot zijn 65e jaar een WW-uitkering zal genieten, die geheel op Da Vinci zal worden verhaald.

16. Het netto-equivalent van voormelde vergoeding dient ineens en geheel ter vrije beschikking van verwerende partij te komen.

17. Aan verzoekende partij wordt de mogelijkheid geboden het verzoek in te trekken nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden.

Beslissing

De kantonrechter:

voorwaardelijk,

voorzover mocht blijken dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen thans nog voortduurt:

stelt partijen in kennis van het voornemen de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden waarbij aan [verweerder] een vergoeding ten laste van Da Vinci wordt toegekend;

stelt Da Vinci in de gelegenheid tot en met 14 mei 2007 het verzoek in te trekken.

In het geval verzoekende partij van deze bevoegdheid gebruik maakt:

veroordeelt Da Vinci in de proceskosten, in deze procedure aan de zijde van gevallen, welke kosten tot op deze beslissing zijn bepaald op ê 500,- voor salaris van de gemachtigde van [verweer]

In het geval Da Vinci van deze bevoegdheid geen gebruik maakt: ontbindt de overeenkomst van partijen met ingang van 15 mei 2007;

kent aan [verweerder] ten laste van Da Vinci een vergoeding toe van é 55.000,- bruto;

verstaat dat het netto-equivalent van voormeld brutobedrag dient te zijn voldaan uiterlijk binnen twee weken nadat onherroepelijk is komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen door deze beschikking is ontbonden;

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

kenmerk: 194268 HA VERZ 07-129 blad 6

Deze beslissing is gegeven door mr. B.C. Vink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2007, in aanwezigheid van de griffier.