Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB4084

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
24-09-2007
Zaaknummer
11/500153-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de 46-jarige verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, ter zake van – onder meer – bedreiging, poging doodslag en brandstichting.

Verdachte heeft, toen hij door de politie was aangehouden en in een surveillancebusje naar het politiebureau werd vervoerd, speeksel en bloed in de gezichten van de politiemensen gespuugd en heeft daarbij dreigende uitlatingen gedaan. De gedragingen van verdachte – van belang daarbij is dat verdachte in het politiebusje heeft gesproken over testen die hij onderging voor hepatitis en HIV - waren van dien aard dat de agenten zich hierdoor in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs bevreesd hebben kunnen voelen dat zij misschien door verdachtes toedoen een HIV-besmetting zouden oplopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummers : 11/500153-07 en 11/500280-07 (ttz.gev.)

Zittingsdatum : 6 september 2007

Uitspraak : 20 september 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaken tegen:

[verdachte],

geboren in 1961,

[woonplaats, adres]

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie De Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

(11/500153-07)

1.

hij op of omstreeks 26 februari 2007 te Gorinchem [slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer B]

- dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ben alleen een doorgeefluik voor wat jou staat te gebeuren. De eerste, de beste, die de deur opendoet: je moeder, jij, je vrouw of je kinderen, slaan ze de kaak eruit en dan praten ze verder", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- geprobeerd die [slachtoffer B] te bijten (terwijl die [slachtoffer B] had gehoord dat hij, verdachte, mogelijk aids zou hebben);

2.

hij op of omstreeks 06 maart 2007 te Gorinchem opzettelijk beledigend [slachtoffer M], in haar tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden: "Vuil kankerwijf", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 06 maart 2007 te Gorinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer M], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een (bier)flesje en/of een steen, althans (een) hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en), vanaf een dak (ter hoogte van circa acht meter) naar beneden in de richting van die [slachtoffer M] heeft gegooid en/of heeft laten vallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 maart 2007 te Gorinchem

[slachtoffer M] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk een (bier)flesje en/of een steen, althans (een) hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en), vanaf een dak (ter hoogte van circa acht meter) naar beneden in de richting van die [slachtoffer M] gegooid en/of laten vallen;

4.

hij op of omstreeks 06 maart 2007 te Gorinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer S] van het leven te beroven, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (terwijl hij, verdachte, en/of die [slachtoffer S] zich op een hoogte van circa acht meter bevonden)

- via de dakgoot naar die [slachtoffer S] is toegekomen, die zich op een bouwsteiger bevond en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer S] bij zijn (werk)kleding heeft vastgepakt en/of

- aan die [slachtoffer S] heeft getrokken en/of geduwd (waardoor die [slachtoffer S] van die bouwsteiger naar beneden zou kunnen vallen),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 maart 2007 te Gorinchem [slachtoffer S] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/is verdachte opzettelijk (terwijl hij, verdachte, en/of die [slachtoffer S] zich op een hoogte van circa acht meter bevonden)

- via de dakgoot naar die [slachtoffer S] toegekomen, die zich op een bouwsteiger bevond en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer S] bij zijn (werk)kleding vastgepakt en/of

- aan die [slachtoffer S] getrokken en/of tegen die [slachtoffer S] geduwd (waardoor die [slachtoffer S] van die bouwsteiger naar beneden zou kunnen vallen) en/of

- (vervolgens) met een koevoet zwaaiende bewegingen in de richting van die [slachtoffer S] gemaakt;

5.

hij op of omstreeks 06 maart 2007 te Gorinchem, in elk geval in Nederland, [slachtoffer G] en/of [slachtoffer H] (beide werkzaam bij de politie Zuid-Holland-Zuid) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen, althans eenmaal, speeksel en/of bloed, in de/het gezicht(en) van die [slachtoffer G] en/of die [slachtoffer H] gespuugd en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer G] dreigend de woorden toegevoegd: "Jaap, je krijgt mijn bloed. Mijn bloed gaat zich vermengen met jouw bloed. Jij krijgt dan hetzelfde bloed als ik heb." en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer H] dreigend de woorden toegevoegd: "En jij ook.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, (terwijl die [slachtoffer G] en/of die [slachtoffer H] op de hoogte waren van de mogelijk HIV-besmetting van verdachte);

6.

hij op of omstreeks 06 maart 2007 en/of 07 maart 2007 te Gorinchem opzettelijk en wederrechtelijk een surveillancebus en/of (in een cel op het politiebureau) een matras en/of een hoofdkussen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de politie Zuid-Holland-Zuid, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door

- de (achter)cabine van die surveillancebus (met speeksel en/of bloed) onder te spugen en/of

- (aan) dat matras en/of dat hoofdkussen te trekken en/of te scheuren, althans dat matras en/of dat hoofdkussen kapot te maken;

(11/500280-07)

hij op of omstreeks 11 mei 2007 te Gorinchem opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, gelegen aan [adres],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een overmatig grote hoeveelheid houten terrastegels in een open haard gelegd en/of die houten terrastegels met behulp van een krant en/of een rieten mandje aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die houten terrastegels, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die houten terrastegels geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de/het aangrenzende pand(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige(n) in de/het aangrenzende pand(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaardingen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen aan alle wettelijke eisen voldoen en dus geldig zijn.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – het bij dagvaarding met parketnummer 11/500153-07 onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5 en 6 en het bij dagvaarding met parketnummer 11/500280-07 ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk deel dient de bijzondere voorwaarde te worden gekoppeld dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook indien dit inhoudt een behandeling bij Het Dok.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het bij dagvaarding met parketnummer 11/500153-07 onder 1, 2, 3 primair en subsidiair, 4 primair en subsidiair en 5 en het bij dagvaarding met parketnummer 11/500280-07 ten laste gelegde. Voorts heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vorderingen van de benadeelde partijen

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer G].

Hij vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van EUR 850,- ter zake van immateriële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid voor de schade betwist.

Voorts heeft als benadeelde partij zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer H].

Hij vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van EUR 850,- ter zake van immateriële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid voor de schade betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte bij dagvaarding met parketnummer 11/500153-07 onder 1 ten laste is gelegd, nu uit de door verdachte jegens de aangever gebezigde bewoordingen niet de opzet tot bedreiging kan worden afgeleid.

Met betrekking tot het bij deze dagvaarding onder 3 primair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat het gooien van een bierflesje en een steen in de richting van het slachtoffer weliswaar een bedreigende situatie voor het slachtoffer heeft opgeleverd, maar dat, mede gelet op het gebrek aan eenduidigheid in de verschillende verklaringen met betrekking tot de afstand van de plaats van terechtkomen van genoemde voorwerpen tot het slachtoffer, niet kan worden vastgesteld dat verdachte de opzet heeft gehad het slachtoffer met de steen en het flesje daadwerkelijk te raken. Evenmin staat vast dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou worden geraakt. Hierdoor is niet komen vast te staan dat verdachte met de bewezenverklaarde gedraging heeft geprobeerd het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Feit 6 kan niet bewezen worden geacht, nu de rechtbank niet kan vaststellen dat de ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden te Gorinchem.

Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de genoemde feiten.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

(11/500153-07)

2.

op 06 maart 2007 te Gorinchem opzettelijk beledigend [slachtoffer M], in haar tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden: "Vuil kankerwijf";

3.

(subsidiair)

op 06 maart 2007 te Gorinchem [slachtoffer M] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk een (bier)flesje en een steen vanaf een dak (ter hoogte van circa acht meter) naar beneden in de richting van die [slachtoffer M] gegooid;

4.

(primair)

op 06 maart 2007 te Gorinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer S] van het leven te beroven, met dat opzet (terwijl hij, verdachte, en die [slachtoffer S] zich op een hoogte van circa acht meter bevonden)

- via de dakgoot naar die [slachtoffer S] is toegekomen, die zich op een bouwsteiger bevond en

- vervolgens die [slachtoffer S] bij zijn werkkleding heeft vastgepakt en

- aan die [slachtoffer S] heeft getrokken en geduwd (waardoor die [slachtoffer S] van die bouwsteiger naar beneden zou kunnen vallen),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

op 06 maart 2007 te Gorinchem, in elk geval in Nederland, [slachtoffer G] en [slachtoffer H] (beide werkzaam bij de politie Zuid-Holland-Zuid) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen speeksel en bloed in de gezichten van die [slachtoffer G] en die [slachtoffer H] gespuugd en daarbij voornoemde [slachtoffer G] dreigend de woorden toegevoegd: "Jaap, je krijgt mijn bloed. Mijn bloed gaat zich vermengen met jouw bloed. Jij krijgt dan hetzelfde bloed als ik heb." en vervolgens voornoemde [slachtoffer H] dreigend de woorden toegevoegd: "En jij ook.", terwijl die [slachtoffer G] en/of die [slachtoffer H] op de hoogte waren van de mogelijke HIV-besmetting van verdachte);

(11/500280-07)

op 11 mei 2007 te Gorinchem opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, gelegen aan [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een overmatig grote hoeveelheid houten terrastegels in een open haard gelegd en die houten terrastegels met behulp van een krant en een rieten mandje aangestoken, ten gevolge waarvan die houten terrastegels geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de aangrenzende panden en levensgevaar voor de aanwezige(n) in de aangrenzende panden te duchten was.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 Nadere bewijsoverweging

Ten aanzien van de onder 4. bewezenverklaarde poging tot doodslag is door de raadsman van de verdachte aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte het risico dat zijn handelen tot de dood van het slachtoffer zou leiden heeft willen aanvaarden, zodat zijn opzet niet, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, kan worden bewezen. De raadsman heeft hierbij aangevoerd dat verdachte met zijn gedragingen zijn eigen leven evenzeer in de waagschaal heeft gesteld, nu hij op het dak zijn evenwicht had kunnen verliezen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Zowel de aangever [slachtoffer S] als een getuige hebben verklaard dat verdachte de aangever, die zich op een wankele steiger bij de bouwlift bevond, omver probeerde te duwen en trekken. De getuige [getuige A] (PL1820/07-501662, 2.6.2) verklaart dienaangaande: ‘Ik zag dat [verdachte] aan [slachtoffer S] stond te duwen en trekken. Het had echt heel fout kunnen gaan. Ik zag dat [verdachte] voldoende aan [slachtoffer S] trok en duwde om hem uit balans te brengen.’

Naar het oordeel van de rechtbank wijzen deze feitelijke gedragingen van verdachte zozeer op zijn bedoeling het slachtoffer van de steiger af te laten vallen, met alle gevolgen van dien, dat daarmee de opzet van verdachte op een val van het slachtoffer is komen vast te staan. Daarbij mag verondersteld worden dat verdachte wist dat een val van een hoogte van 8 meter de dood tot gevolg zou kunnen hebben, zodat de rechtbank opzet – in voorwaardelijke zin - op levensberoving aanwezig acht. Dat verdachte hierbij zichzelf mogelijk in gevaar heeft gebracht heeft hij kennelijk voor lief genomen. Het 4. primair ten laste gelegde kan derhalve bewezen worden geacht.

Ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit heeft de raadsman van verdachte betoogd dat van opzettelijk spugen door verdachte geen sprake is geweest. Voorts stelt hij dat er voor de agenten geen redelijke grond bestond om zich bedreigd te voelen.

Aan de verklaring van verdachte dat hij niet bewust in de richting van de politiemensen heeft gespuugd hecht de rechtbank geen geloof, gelet op de verklaringen van de verbalisanten [slachtoffer G] en [slachtoffer H] (PL1820/07-026479, 2.3.1 en PL1820/07-026552, 2.4.1), de zich in het dossier bevindende foto’s van het interieur van de surveillancebus (PL1820/07-501662, 2.7.2) en de tegenstrijdige verklaringen van verdachte op dit punt (PL1820/07-026424, 1.1.8 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting)

Het spugen van bloed, in combinatie met het uiten van de in de bewezenverklaring opgenomen woorden, terwijl verdachte er kennelijk rekening mee hield – gelet op de medische testen die hij onderging – dat zijn bloed met HIV was besmet, bewijst genoegzaam dat het opzet van verdachte er op was gericht om bij de politiemensen angst op te wekken.

De opvatting dat de politiemensen zich redelijkerwijs niet bedreigd mochten voelen, deelt de rechtbank niet. De gedragingen van verdachte – van belang daarbij is dat verdachte in het politiebusje heeft gesproken over testen die hij onderging voor hepatitis en HIV - waren van dien aard dat de agenten zich hierdoor in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs bevreesd hebben kunnen voelen. Dat een kans op besmetting door spugen uitgesloten is en dat de politiemensen dat hadden moeten weten, zoals namens verdachte is betoogd, is onjuist. Dit blijkt ook uit het feit dat de politiemensen na het incident medische testen hebben ondergaan. Dat de kans op daadwerkelijke besmetting gering was (en in feite nihil, nu verdachte achteraf niet besmet blijkt te zijn) doet er niet aan af, dat de politiemensen zich ten tijde van het incident redelijkerwijs bedreigd hebben kunnen voelen.

Bij de bewezenverklaring van het bij dagvaarding 11/500280-07 ten laste gelegde feit heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het pand waarin het vuur is aangestoken is gelegen in een nauwe steeg in het centrum van Gorinchem en is omringd door andere (oudere) woningen. De kans op overslaan van de brand op de belendende percelen is derhalve niet gering. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van G. van Pinxteren, hoofd pro-actie/preventie bij de brandweer Gorinchem heeft deze daaromtrent het volgende verklaard (PL1820/07-503158, pag. 23 en 24): ‘Aan de ene zijde was er gevaar ontstaan voor de woning vanwege de capaciteit van het stookkanaal en anderzijds voor de woning op zich. Het stookkanaal is bij controle niet geschikt gebleken voor de hoeveelheid vuurlast en de daarbij ontstane hitte ontwikkeling.

Dat er geen verder ontwikkelde woningbrand is ontstaan is te danken aan het kordate optreden van de collega’s van de politie en aan het feit dat het stookkanaal in een goede bouwkundige staat verkeerde. Wat er is gebeurd vormde een gemeen gevaar voor de omliggende woningen. Gezien de geografische ligging van de woning in de binnenstad zou het niet onwaarschijnlijk zijn dat hierdoor een brand met een behoorlijke omvang en mogelijke uitbreiding naar naastgelegen woningen ontstaan zou zijn.’

Dat de handelwijze van verdachte gevaarzettend is geweest, is hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan.

4.4 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

(11/500153-07)

2.

EENVOUDIGE BELEDIGING;

3. subsidiair

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT, ALTHANS MET ZWARE MISHANDELING;

4. primair

POGING TOT DOODSLAG;

5.

BEDREIGING MET ZWARE MISHANDELING, MEERMALEN GEPLEEGD;

(11/500280-07)

OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS,

en

OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN LEVENSGEVAAR VOOR EEN ANDER TE DUCHTEN IS.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het rapport van de deskundige

Uit het door J.J.F. Bertens, psychiater in opleiding, onder supervisie van Th.J.G. Bakkum, psychiater, omtrent verdachte uitgebrachte rapport van 21 juni 2007 komt onder meer het navolgende naar voren - zakelijk weergegeven - :

‘Er is sprake van narcistische en theatrale persoonlijkheidstrekken. Er is tevens sprake van alcohol- en cannabismisbruik, de ernst hiervan is echter onvoldoende duidelijk. De PTSS is in remissie.

Onderzochte was op 6 maart 2007 onder invloed van alcohol en cannabis. Wegens de intoxicatie en het bagatelliseren en externaliseren van onderzochte is niet te beoordelen wat de invloed van onderzochtes persoonlijkheidstrekken geweest zijn.

Het is onderzochte bekend welke gevolgen alcohol- en cannabisgebruik kunnen hebben, ook voordat hij deze middelen ging gebruiken. Onderzochte is daarom volledig toerekeningsvatbaar te achten voor het ten laste gelegde van 6 maart 2007. Wat betreft het ten laste gelegde van 26 februari 2007 en 11 mei 2007 moet onderzochte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht worden.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verenigt zich met de conclusie van voormeld rapport op grond van de onderbouwing ervan. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van de deskundige, voldoende is komen vast te staan dat het bij dagvaarding met parketnummer 11/500280-07 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit in enigszins verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. De bij dagvaarding met parketnummer 11/500153-07 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feiten kunnen verdachte volledig worden toegerekend.

Nu overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 6 maart 2007 via zijn dakterras naar het pand van de buren gegaan, alwaar op de bovenste verdieping een verbouwing aan de gang was. Toen hem door de buurvrouw – die beneden op straat stond – te verstaan werd gegeven dat hij daar weg moest gaan, heeft verdachte haar uitgescholden en heeft hij een bierflesje en een baksteen naar beneden gegooid. De buurvrouw heeft zich door de uitlatingen en gedragingen van verdachte gekwetst en bedreigd gevoeld. Vervolgens heeft verdachte een bouwvakker, die zich op een steiger op een hoogte van 8 meter bevond, geprobeerd van het dak af te duwen, door in die wankele situatie aan die bouwvakker te duwen en te trekken. Verdachte heeft zich hiermee willens en wetens blootgesteld aan de geenszins denkbeeldige kans dat het slachtoffer als gevolg van een val zou komen te overlijden. Het is dan ook niet aan verdachte, maar slechts aan het feit dat het slachtoffer de tegenwoordigheid van geest bezat om zich tijdig vast te pakken aan de bouwlift te danken dat een val – met de mogelijk ernstige gevolgen van dien - is uitgebleven.

Toen verdachte daarop door de politie werd aangehouden en door verbalisanten in een surveillancebusje naar het politiebureau werd vervoerd, heeft hij speeksel en bloed in de gezichten van die verbalisanten gespuugd en daarbij de in de bewezenverklaring genoemde woorden geuit. De agenten hebben zich hierdoor ten zeerste bedreigd gevoeld en hebben geruime tijd in angst gezeten dat zij misschien door verdachtes toedoen een HIV-besmetting zouden hebben opgelopen.

Voorts heeft verdachte op 11 mei 2007 in zijn open haard een grote hoeveelheid houten terrastegels willen verbranden, waarvoor zijn open haard en het stookkanaal - zoals door een brandweerexpert naderhand is waargenomen - absoluut niet de capaciteit bezat. De handelwijze van verdachte heeft aldus een gevaarlijke situatie gecreëerd, niet alleen voor de naastgelegen panden maar tevens voor de bewoners van die panden.

Verdachte heeft met zijn gedrag vooral in zijn directe woonomgeving veel onrust en overlast veroorzaakt. Verdachte lijkt zich echter niet bewust van het effect van zijn handelwijze op anderen, doch voelt zich blijkens zijn uitlatingen slechts miskend en onbegrepen door zijn omgeving. Deze houding acht de rechtbank zorgwekkend.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het voorlichtingsrapport van de reclassering van 9 augustus 2007 en op het hiervoor onder 6.1 genoemde rapport van de deskundige. Zoals overwogen is verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het op 11 mei 2007 door hem gepleegde feit. De rechtbank houdt tevens rekening met het uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 8 maart 2007 omtrent verdachte, waaruit blijkt dat hij reeds eerder met justitie in aanraking is geweest.

Uit de rapportage blijkt dat de kans op recidive, gelet op de persoonlijkheidskenmerken van verdachte, moeilijk valt in te schatten. Geadviseerd wordt om in het kader van een bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact op te leggen. Tevens is, gelet op de problematiek van verdachte, ambulante agressieregulatietraining bij Het Dok of een soortgelijke instelling geïndiceerd en voorts het volgen van een behandeling bij GGZ Bouman voor alcoholgebruik.

De rechtbank kan zich vinden in dit advies en zij zal hiermee rekening houden bij de op te leggen straf.

De rechtbank acht de straf zoals door de officier van justitie gevorderd – ondanks het feit dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, verdachte zal vrijspreken van de bij dagvaarding met parketnummer 11/500153-07 onder 1, 3 primair en 6 ten laste gelegde feiten - passend en geboden. De ernst van de bewezenverklaarde feiten, met name de poging doodslag op [slachtoffer S], brengt de rechtbank ertoe in die zin een zwaardere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Gelet op de problematiek van verdachte zal de rechtbank aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf de bijzondere voorwaarde verbinden, zoals in het dictum vermeld.

7.2 De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partijen zijn niet ontvankelijk in hun vorderingen. Daartoe is overwogen dat, gelet op de discrepantie tussen hetgeen door verdachte en de aangevers is verklaard omtrent de wijze van ontstaan van de wond bij verdachte, niet valt uit sluiten dat sprake is van medeschuld van de aangevers. Dit leidt ertoe dat niet is komen vast te staan dat er sprake is van slechts door de verdachte veroorzaakte schade. De benadeelde partijen zullen worden verwezen in de kosten op de wijze als in het dictum vermeld.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 157, 266, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte bij dagvaarding met parketnummer 11/500153-07 onder 1, 3 primair en 6 ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VIERENTWINTIG (24) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten ACHT (8) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt daarbij als BIJZONDERE VOORWAARDE dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze reclasseringsinstelling zulks noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt het volgen van een (ambulante) behandeling in het kader van agressieregulatie bij Forensisch psychiatrische poli- en dagkliniek Het Dok of een andere door de reclassering aan te wijzen kliniek, alsmede het volgen van een (ambulante) behandeling voor alcolholgebruik bij GGZ Bouman;

voor wat betreft de duur van deze behandeling, geldt in het kader van deze bijzondere voorwaarde maximaal de duur van de proeftijd of zoveel korter als door de betreffende reclasseringsinstelling noodzakelijk wordt geoordeeld;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart [slachtoffer G] niet ontvankelijk in zijn vordering en veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt ten behoeve van de civiele vordering tot op heden begroot op nihil;

verklaart [slachtoffer H] niet ontvankelijk in zijn vordering en veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt ten behoeve van de civiele vordering tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

mr. F.L.J.M. Heijnen en mr. A.J. Japenga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Booij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 september 2007.

Wegens afwezigheid is mr. F.L.J.M. Heijnen buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.