Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB3957

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
20-09-2007
Zaaknummer
65455 / HA ZA 06-2448
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gaat om een vechtpartij in een discotheek tussen (onder meer) een portier en twee bezoekers. Laatste twee worden hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. De portier stelt een vordering uit OD/groepssaansprakelijkheid in voor door hem geleden materiële en immateriële schade. Geoordeeld wordt dat sprake is van een OD en van groepsaansprakelijkheid waarvoor gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn. De materiële schade wordt grotendeels toegewezen. Van de gevorderde immateriële schade wordt - op basis van het letsel en vergelijkbare gevallen € 7.500 toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 65455 /HA ZA 06-2448

vonnis van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur: mr. F.A. van de Kasteele,

voorheen: mr. N.M. Graham,

tegen

[gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur: mr. B.A.W. ten Holter,

en

[gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur: mr. K.H. May.

Partijen worden hieronder mede aangeduid als [eiser], [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- dagvaarding van 12 juni 2006,

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 1],

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 2],

- tussenvonnis van 18 oktober 2006 waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- proces-verbaal van comparitie van 20 december 2006 en de daarin genoemde

stukken en

- de door alle partijen overgelegde producties.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1

Op 28 november 2004 heeft een vechtpartij (verder: de vechtpartij) plaatsgevonden in discotheek "[discotheek]" te [plaats] (hierna: de discotheek) . Bij deze vechtpartij waren in elk geval, op enig moment, [eiser] en gedaagden betrokken.

2.2

Naar aanleiding van de vechtpartij is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het ambtsedige proces-verbaal van politie regio Zuid Holland-Zuid/Dordrecht/Zwijndrechtse Waard, dossiernummer PL 18 10104-5082 14.

2.3

Het onder 2.2 vermelde proces-verbaal bevat als bijlage het proces-verbaal van politie Zuid Holland-Zuid/Zwijndrecht, mutatienummer PL1861104-138213, opgemaakt en op 7 december 2004 gesloten en getekend door [...], brigadier van politie, en [...], aspirant van politie. Het proces-verbaal betreft een verslag van hetgeen op de videobanden staat van de beveiligingscamera's van de discotheek . In dit proces-verbaal wordt [eiser] aangeduid als "portier l", [gedaagde 1] als Tongen A" en [gedaagde 2] als "jongen B". Het proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"(...)

Band A

Wij verbalisanten vermoeden dat deze portier I een jongen aansprak Wij zagen dat die jongen B een kopstoot gaf aan de man tegenover hem. Wij zagen dat de kopstoot de man in het gezicht raakte. Wij zagen dat deze portier direct reageerde. Wij zagen dat hij de jongen B met zijn rechtervuist een stoot op het gelaat gaf: Wij verbalisanten zagen dat de beide mannen over en weer op elkaar begonnen in te slaan. Wij zagen ook dat andere klanten die om beide mannen heen stonden begonnen in te slaan opportier I . Wij zagen dat jongen A zich omdraaide zich door de achter hem staande groep andere klanten drong en zich met de vechtende mannen ging bemoeien en direct begon te slaan

Band B

Wij zagen dat de jongen A over de twee vechtenden heen bukte en opzettelijk en met kracht met zijn tot ~ - ~ ~ vuist gebalde rechterhand op het hoofd van de aldaar zittende portier I sloeg Wij zagen dat jongen A deze handeling tenminste tien keer met kracht herhaalde. Wij zagen dat de man vele malen achter op zijn achterhoofd en de rechterkant van het gelaat van de portier raakte. Wij zagen ook dat jongen A opzettelijk en met kracht met zijn rechtervoet tegen het lichaam van portier I schopte. Hij deed dit tenminste drie maal. Wij zagen dat jongen A de portier 1 die aan het vechten was met de op de grond liggende jongen van achteren bij zijn haar beetpakte en achterover trok en wederom opzettelijk en met kracht enige malen op de zijkant van zijn gelaat sloeg. (...). "

2.4

Het onder 2.2 vermelde proces-verbaal bevat als bijlage het proces-verbaal van politie Zuid Holland-Zuid/Zwijndrecht, mutatienummer PL1861104-138213, opgemaakt en op 14 december 2004 gesloten en getekend door [agent 1], aspirant van politie, en [agent 2], aspirant van politie. Het proces-verbaal betreft een verslag van hetgeen op de videobanden staat van de beveiligingscamera's van de discotheek. In dit proces-verbaal wordt [eiser] aangeduid als "portier A", [gedaagde 1] als "jongen 2" en [gedaagde 2] als "jongen 1". Het proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"(..) Wij zien dat jongen I en portier A in de hal ten val komen. Vervolgens is te zien dat jongen 2 aankomt en portier A meerdere malen achter op het hoofd slaat. Dit is ongeveer I1 maal. Te zien is dat jongen 3 er ook bij komt en wij hebben duidelijk het idee dat jongen 3 de portier slaat en schopt. Wij zien dat jongen 4 met een gebalde vuist met enige kracht minstens I maal een slaande beweging maakt in de richting van portier A.

(..)

Jongen I staat wederom weer op en loopt weer in opportier A en slaat hem met een gebalde vuist Ook zien wij datjongen I portier A een trap met zijn linker been geeft.

(..). "

2.5

De politierechter van deze rechtbank heeft bij vonnis van 10 mei 2005, gewezen op tegenspraak, [gedaagde 2] veroordeeld wegens het op 28 november 2004 medeplegen van een poging tot zware mishandeling. Daarnaast is [gedaagde 2] in datzelfde vonnis, kort gezegd, hoofdelijk veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 483,- ten gunste van de in die procedure gevoegde benadeelde partij [eiser]. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2.6

De politierechter van deze rechtbank heeft bij vonnis van 10 mei 2005, gewezen op tegen- spraak, [gedaagde 1] veroordeeld wegens het op 28 november 2004 medeplegen van een poging tot zware mishandeling. Daarnaast is [gedaagde 1] in datzelfde vonnis, kort gezegd, hoofdelijk veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 483;- ten gunste van de in die procedure gevoegde benadeelde partij [eiser]. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2.7

Een door Dr. J.L.M. Koch, huisarts, opgemaakte en ondertekende verklaring d.d. 29 november 2004 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"(..) De heer [eiser] werd heden door mij gezien na in elkaar geslagen te zijn. Hij heeft de volgende verschijnselen:

1) Commotio Cerebri = hersenschudding

Hoofdpijn /Duizelig/vergeetachtig traag etc.

2) nekklachten

3) kneuzingen heup / elleboog etc

4) wazig zien is nu "over"

5) Perforatie li trommelvlies (..)". "

2.8

In antwoord op bij brief van 7 juli 2005 van de advocaat van [eiser] gestelde vragen aan de huisarts van [eiser] liet deze het volgende weten:

"(..)

- Op/vanaf welke datum is cliënt bij h behandeling (geweest)? 29/11 2004

- Welke letselschade/ beperkingen heeft u bij cliënt vastgesteld? Hoofdpijn/ nekpijn / trommelvlies li geperforeerd Overal kneuzingen en hersenschudding.

- Is er sprake van een medische eindtoestand? is blijvend gehoorgestoord maar T.V. is weer geheeld. Hij zal volgens Dr. Heiligers KNO Arts Baronie nooit meer normaal horen en suizen regelmatig. De rest is goed genezen. (..j. "

2.9

Een door M.L.C. Heiligers, KNO-arts, opgemaakte en ondertekende brief d.d. 11 juli 2005

luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" ( ..) In april zag ik patiënt [ ] [eiser] (..)

KNO-onderzoek

Route KNO onderzoek liet geen afwijkingen zien.

Audiogram: rechts een volledig normaal gehoor en links volledig gehoorsuitval in de hoge frequenties

en in de lage frequenties nog een restgehoor.

Ct mastoïd: liet geen afwijkingen zien voor een oude fractuurlijn.

Conclusie:

Fors perceptief verlies aan de linkerzijde, hetgeen mogelijk tijdens hef ongeval ontstaan kan zijn. Dit

gehoorsverlies is niet reversibel en niet medicamenteus dan wel chirurgisch te behandelen. Zodoende

kan je spreken over een medische eindsituatie. (...)."

2.10

[eiser] is kickboxer en doet aan wedstrijden mee. Na de mishandeling heeft hij voor het eerst weer op 21 mei 2001 aan een wedstrijd meegedaan.

3. De vordering

3.1

[eiser] vordert, veroordeling van gedaagden bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om

tegen kwijting te betalen een bedrag van € 13.125,95, in alle gevallen vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf 28 november 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, met

veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure.

Sierseina onderbouwt zijn vorderingen als volgt,

3.2

Gedaagden hebben [eiser] op 28 november 2004 in

groepsverband mishandeld. [eiser] heeft als gevolg van deze mishandeling materiële

schade en letselschade opgelopen. Zij zijn uit onrechtmatige daad vergoedingsplichtig

jegens [eiser].

3.3

De materiële schade bedraagt € 608,95 en bestaat uit een gescheurde pantalon ter waarde van € 209,95

en het verlies van een horloge ter waarde van € 399,--.

3.4

[eiser] heeft als gevolg van de mishandeling tijdelijke letselschade opgelopen

bestaande uit hoofdpijn, nekpijn, kneuzingen, een hersenschudding en een wazig zicht.

Het linker trommelvlies van [eiser] is tijdens de mishandeling geperforeerd en

daardoor heeft hij een blijvende gehoorstoornis aan de linkerzijde opgelopen.

3.5

De schadevergoeding voor het letsel wordt begroot op € 13.000,--.

3.6

Dit bedrag dient te worden verminderd met het bedrag van € 483,--, waartoe de

politierechter gedaagden reeds heeft veroordeeld, zodat gedaagden een

schadevergoeding van in totaal (€ 209,95 + € 399 + € 13.000 -/- € 483 =) € 13.125,95 dienen

te betalen.

4. Het verweer van [gedaagde 1]

4.1

[gedaagde 1] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vorderingen

danwel tot afwijzing van die vorderingen met veroordeling van [eiser] in de kosten

van het geding.

[gedaagde 1] voert daartoe het volgende aan.

4.2

De door [eiser] gestelde schade, voor zover deze al vast zou komen te staan, dient

geheel voor zijn eigen rekening te blijven. Tijdens de vechtpartij zijn namelijk over en

weer rake klappen gevallen. Verwezen wordt naar het proces-verbaal van politie inzake

het (onder meer) tegen [gedaagde 1] ingestelde strafrechtelijke onderzoek. De vorderingen

dienen daarom te worden afgewezen.

5. Het verweer van [gedaagde 2]

5.1

[gedaagde 2] concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser] in zijn vorderingen althans hem

die te ontzeggen, onder gelijktijdige veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

[gedaagde 2] voert het volgende aan.

5.2

[gedaagde 2] en [eiser] hebben met elkaar gevochten.Voor zover het (uitgelokte) handelen van [gedaagde 2]

jegens [eiser] al als onrechtmatig te kwalificeren valt, geldt dit evenzeer voor het handelen van

[eiser] jegens [gedaagde 2]. Voor beiden geldt dat zij op het moment van de handeling een

rechtvaardingsgrond voor dat handelen aanwezig achtten, ook al was dat handelen van beiden in feite

disproportioneel.

De interactie tussen [gedaagde 2] en [eiser] betrof geen groepshandeling. Er was geen groeps- verband en

dus geen collectief optreden jegens [eiser].[gedaagde 2] kan slechts aansprakelijk worden gehouden voor

het eventueel door zijn toedoen veroorzaakte letsel. De schade, indien deze al vast zou komen te staan,

is mede het gevolg van omstandigheden die aan [eiser] kunnen worden toegerekend. [gedaagde 2] werd

door [eiser], in wie hij geen portier herkende, geprovoceerd. De eventueel aan [gedaagde 2] op te leggen

vergoedingsplicht dient daarom overeenkomstig het bepaalde in artikel 6: 10 1 BW te worden verdeeld

over [eiser] en [gedaagde 2] naar de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot die

schade hebben bijgedragen. De schadevordering dient daarnaast ook te worden getoetst aan de eisen

van redelijkheid en billijkheid.

5.3

[gedaagde 2] is niet aansprakelijk voor het horloge dat [eiser] stelt te hebben verloren. Er is geen oorzakelijk verband tussen het verlies van dit horloge en de daarop gebaseerde vordering. [gedaagde 2] wil niet in twijfel trekken dat de broek van [eiser] tijdens de vechtpartij beschadigd is maar die schade is via het door de politierechter opgelegde bedrag van € 483;- ruimschoots gecompenseerd.

5.4

De schade is onvoldoende is onderbouwd. Het is niet goed meer mogelijk om de juistheid van de bevindingen van huisarts Koch van 29 november 2004 (zie 2.7) -waarnaar [eiser] verwijst - te toetsen of in twijfel te trekken. Het causaal verband tussen het gestelde gehoorverlies en de vechtpartij(en) is niet aangetoond. Niet uitgesloten is dat de gehoorbeschadiging kan zijn opgetreden door de medicamenteuze en chirurgische behandeling van [eiser] voor een peri-tonsillair abces. Uit de door [eiser] overgelegde producties blijkt bovendien dat zijn linkertrommelvlies inmiddels is hersteld. Het door [eiser] beoefenen van de wedstrijdsport voor en na 29 november 2004 heeft niet bijgedragen aan het hersel van de kwetsuren die hij mogelijk op 29 november 2004 heeft opgelopen. [eiser] heeft zijn verplichting om eventuele schade te beperken, geschonden door na de vechtpartij deel te nemen aan kickboxwedstrijden. Het valt daarom niet uit te sluiten dat het gehoorverlies kan zijn veroorzaakt tijdens een van die wedstrijden.

6. De beoordeling van het geschil

6.1

Op 28 november 2004 heeft een vechtpartij plaatsgevonden in de discotheek. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren bij deze vechtpartij betrokken. Zij zijn op 10 mei 2005 door de politierechter veroordeeld wegens het op 28 november 2004 medeplegen van een poging tot zware mishandeling jegens [eiser]. Deze vonnissen zijn op tegenspraak gewezen en zijn in kracht van gewijsde gegaan en leveren op de voet van het bepaalde in artikel 161 Rv het dwingend bewijs op van het feit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op 28 november 2004 hebben schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot mare mishandeling jegens [eiser]. Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat feit hebben begaan, betwisten zij op zich zelf ook niet, zodat het leveren van (tegen)bewijs niet aan de orde is.

6.2

In beginsel staat daarmee vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een inbreuk hebben gepleegd op een persoonlijkheidsrecht van [eiser], namelijk het recht op lichamelijke integriteit, hetgeen onrechtmatig is jegens [eiser].

6.3

Het verweer van [gedaagde 2] dat er een rechtvaardigingsgrond voor zijn handelen zou zijn wordt verworpen. [gedaagde 2] beeft niet duidelijk aangegeven op welke concrete rechtvaardigingsgrond hij zich zou willen beroepen. Voor zover [gedaagde 2] zich in dit verband op zou bedoelen te beroepen dat [eiser] hem heeft geprovoceerd en/of dat [eiser] het onrechtmatig handelen van [gedaagde 2] heeft uitgelokt, wordt geoordeeld dat dit onvoldoende feitelijk is onderbouwd,

6.4

Het enkele feit dat over en weer klappen zijn gevallen leidt, anders dan [gedaagde 1] aanvoert, niet tot een ander oordeel ten aanzien van de onrechtmatigheid en evenmin het enkele feit dat [gedaagde 2] en [eiser] met elkaar hebben gevochten, zoals [gedaagde 2] als verweer aanvoert.

6.5

Het beroep van [gedaagde 2] op het bepaalde in artikel 6: 101 BW (eigen schuld van [eiser]) gaat niet op. Weliswaar heeft [eiser] zelf ook klappen uitgedeeld, maar geoordeeld wordt dat de vergoedingsplicht van [gedaagde 2] jegens [eiser] geheel in stand blijft omdat de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals uit de processen-verbaal van de politie kan worden afgeleid [gedaagde 2] de vechtpartij is begonnen door [eiser] een kopstoot te geven en dat hij, nadat [eiser] in gevecht kwam met [gedaagde 1] die hard op [eiser] insloeg, weer op [eiser] is ingelopen en hem sloeg met gebalde vuist en hem nog een trap gaf. Dit wordt dermate ernstig geacht dat de klappen die [eiser] heeft uitgedeeld daarbij in het niet vallen en de schadevergoedingsplicht van [gedaagde 2] jegens [eiser] geheel in stand blijft.

6.6

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben derhalve onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld, hetgeen hui ook kan worden toegerekend. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn daarom in beginsel (ieder voor zich) aansprakelijk voor de eventuele schade die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden.

6.7

[eiser] heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangesproken uit groepsaansprakelijkheid. De toewijsbaarheid van die grondslag kan niet zonder meer worden gegrond op het feit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] strafrechtelijk zijn veroordeeld wegens het, kort samengevat, gezamenlijk plegen van een misdrijf jegens [eiser]. Bij de beoordeling of sprake is van groepsaansprakelijkheid zal de toedracht rondom de vechtpartij alsmede de gedragingen daarbij van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten worden onderzocht.

6.8

[eiser] heeft de toedracht van de de vechtpartij (mede) toegelicht aan de hand van de processen-verbaal van politie waaruit in 2.3 en 2.4 reeds is geciteerd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de juistheid van de inhoud van die processen-verbaal niet weersproken, zodat ook de rechtbank deze zal gebruiken bij haar beoordeling of sprake is van groepsaansprakelijkheid.

6.9

Uit de bevindingen in de processen-verbaal van de politie, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank de toedracht van de vechtpartij als volgt vast. [gedaagde 2] gaf [eiser] een kopstoot, waarna [eiser] hem een stoot in het gelaat gaf en zij over en weer op elkaar begonnen in te slaan. Andere klanten die om beide mannen heen stonden, begonnen ook in te slaan op [eiser]. Vervolgens begon [gedaagde 1] zich met deze vechtpartij te bemoeien en sloeg [eiser] elf keer met zijn vuist op het hoofd, schopte hem driemaal en pakte [eiser] van achteren bij zijn haar beet, trok hem achterover en sloeg hem weer enige malen. Op enig moment stond [gedaagde 2] op en is hij weer op [eiser] is ingelopen en sloeg hem met gebalde vuist en gaf hem nog een trap.

6.10

Uit het bovenstaande volgt dat de vechtpartij als één gebeurtenis moet worden gezien en dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] (samen met anderen) op verschillende momenten (opnieuw) de (fysieke) confrontatie met [eiser] zijn aangegaan. Tussen deze gedragingen van in het bijzonder [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bestaat voldoende mate van bewuste samenhang om deze als gedragingen in groepsverband aan te kunnen merken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben door hun gedragingen een bijdrage geleverd in het geheel van gedragingen in groepsverband die het gevaar voor het toebrengen van schade hebben doen ontstaan, welke schade ook (zoals hieronder nog zal worden uiteengezet) daadwerkelijk is opgetreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde 2] de vechtpartij uitgelokt door het zonder noemenswaardige aanleiding geven van een kopstoot tegen [eiser]. De daarop volgende vechtpartij is vervolgens in ernstige mate geëscaleerd door het voortdurende gewelddadig optreden van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2]. De deelnemers van het groepsverband, waaronder [gedaagde 1] en [gedaagde 2], hadden zich behoren te weerhouden van het deelnemen aan de gewelddadige gedragingen in groepsverband en hadden ook voldoende mogelijkheid om zich te onttrekken aan de vechtpartij, door bijv. de discotheek te verlaten en naar huis te gaan. Dit alles leidt tot de conclusie dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van artikel 6: 166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de vechtpartij.

6.11

Hoewel [eiser] zijn vordering uitdrukkelijk grondt op de in artikel 6: 166 BW vervatte groepsaansprakelijkheid (zie de dagvaarding onder 14 en de verklaring van mr. Sauer zoals opgenomen in het proces-verbaal van comparitie) en ook met zoveel woorden spreekt over de hoofdelijke aansprakelijkheid van gedaagden (zie de dagvaarding onder 29 en de verklaring van mr. Sauer zoals opgenomen in het proces-verbaal van comparitie), vordert hij in het petitum van zijn dagvaarding evenwel geen hoofdelijke veroordeling van gedaagden. Uit de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] en uit hetgeen in het proces-verbaal van de comparitie als verklaringen van de advocaat van [gedaagde 2] en de advocaat van [gedaagde 1] is opgetekend, leidt de rechtbank af dat zij, [gedaagde 2] en [gedaagde 1], de vordering van [eiser] ook hebben begrepen als een vordering gericht op hun hoofdelijke veroordeling op basis van groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 BW en hebben zij daar ook als zodanig verweer tegen gevoerd. De vordering strekkende tot veroordeling van gedaagden tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade zal daarom worden gelezen als een vordering tot hoofdelijke veroordeling van gedaagden. Aldus gelezen komt deze vordering in beginsel voor toewijzing in aanmerking.

6.12

De schade voor zover deze betrekking heeft op de gescheurde pantalon van [eiser] ten bedrage van € 209,95 kan worden toegewezen, nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze schadepost op zich zelf niet hebben betwist.

6.13

[eiser] heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat de materiële schade mede bestaat uit het verlies van een (zijn) horloge. Voor zover de vordering daarop is gericht zal deze als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

6.14

De rechtbank stelt vast dat [eiser] als gevolg van de vechtpartij het letsel heeft opgelopen dat zijn huisarts daags daarna heeft geconstateerd (zie hierboven onder 2.7). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de juistheid van deze bevindingen op zich zelf ook niet (gemotiveerd) bestreden,

6.15

De rechtbank stelt vervolgens vast dat [eiser] thans lijdt aan gehoorsverlies aan de linker zijde en dat in deze sprake is van een medische eindsituatie. Dat volgt uit de hierboven onder 2.8 en 2.9 geciteerde bevindingen van huisarts en KNO-arts, die in zoverre niet door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn weersproken. Dat het linkertrommelvlies inmiddels is hersteld (volgens huisarts en KNO-arts) doet hier niet aan, zo begrijpt de rechtbank uit de verklaringen van de artsen van [eiser].

6.16

[eiser] heeft - door het overleggen van brieven van huisarts en KNO-arts - voldoende -- feitelijk onderbouwd dat dit gehoorsverlies is veroorzaakt door de vechtpartij,

6.17

Volgens [gedaagde 2] mag niet uitgesloten worden dat de gehoorsbeschadiging kan zijn opgetreden door de medicamenteuze en chirurgische behandeling van [eiser] voor een peri-tonsillair abces. Ter comparitie is dit door [eiser] bestreden met de verklaring dat dat iets in de keel is en geen gevolgen heeft voor het gehoor. [gedaagde 2] is hierop niet ingegaan en heeft zijn verweer toen niet nader feitelijk onderbouwd, zodat daaraan voorbij zal worden gegaan.

6.18

Dat het door [eiser] beoefenen van de wedstrijdsport voor en na 29 november 2004 niet heeft bijgedragen aan het hersel van de kwetsuren die hij mogelijk op 29 november 2004 heeft opgelopen, dat [eiser] zijn verplichting om eventuele schade te beperken heeft geschonden door na de vechtpartij deel te nemen aan kickboxwedstrijden en dat het daarom niet valt uit te sluiten dat het gehoorverlies kan zijn veroorzaakt tijdens een van die wedstrijden, heeft [gedaagde 2] onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Het lag echter wel op zijn weg om dit beroep op, kennelijk, eigen schuld van [eiser], nader feitelijk te onderbouwen. Bij gebreke daarvan wordt dit verweer wordt gepasseerd.

6.19

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat [eiser] als gevolg van de vechtpartij blijvende gehoorschade heeft opgelopen en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook hoofdelijk aansprakelijk zijn voor dit letsel.

6.20

Vastgesteld is dat [eiser] door de mishandeling op 28 november 2004 last heeft gehad van een hersenschudding, hoofdpijn, duizeligheid, vergeetachtigheid, traagheid, nekklachten, kneuzingen aan heup en elleboog en van wazig zien en dat zijn linker trommelvlies door de vechtpartij is geperforeerd. Eveneens staat vast dat dit alles goed is genezen volgens de in 2.8 aangehaalde brief van de huisarts van 7 juli 2005. Onduidelijk is (gebleven) hoe lang precies [eiser] van dit alles last heeft ondervonden en of [eiser] gedurende een bepaalde tijd als gevolg van dit letsel bijv. niet heeft kunnen werken. Verder is vastgesteld dat [eiser] aan de linkerkant blijvende gehoorschade heeft, dat hij in de hoge frequenties helemaal niets meer hoort en dat hij in de lage frequenties nog een restgehoor heeft, dat dit niet te behandelen is en dat aldus sprake is van een medische eindtoestand. Dit alles afwegend en mede gelet op de in de rechtspraak toegekende bedragen in vergelijkbare gevallen, stelt de rechtbank de vergoeding van immateriële schade vast op € 7.500,--.

6.21 Het totaal door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aan [eiser] te vergoeden schade bedraagt derhalve (beschadigde pantalon € 209,95 + smartengeld € 7.500 = ) € 7.709,95. Dit bedrag dient te worden verminderd met het reeds door de politierechter aan [eiser] toegekende bedrag van € 483,--, zodat een te betalen bedrag van € 7.226,95 resteert. De gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2004 zal, nu daartegen geen verweer is gevoerd, worden toegewezen.

6.22

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van [eiser].

6. De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.226,95, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2004 tot aan de voldoening;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] vastgesteld op:

€ 904;- aan salaris van de procureur,

€ 84,87 aan dagvaardingskosten,

€ 224,75 aan in debet gesteld griffierecht, en

€ 74,75 aan eigen bijdrage griffierecht,

derhalve € 1.288,37 in totaal, welk bedrag ingevolge artikel 243 Rv dient te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank Dordrecht;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar hij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.W. van Lottum en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 15 augustus 2007 door mr. I. Bouter.