Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB3518

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
13-09-2007
Datum publicatie
13-09-2007
Zaaknummer
11/800165-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 23-jarige verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van EUR 750 en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank verwerpt het verweer tot afwezigheid van alle schuld.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2007/96
NJFS 2007, 257
Module Verkeer 2007/118

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/800165-07

Zittingsdatum:  30 augustus 2007

Uitspraak :  13 september 2007

  

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

         

 [Verdachte],

 geboren in 1984,

 wonende te [adres en woonplaats].

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

 

1. De tenlastelegging

  

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 05 mei 2006 te Numansdorp, gemeente Cromstrijen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Volgerlandseweg zich zodanig heeft gedragen dat een

aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden, immers heeft hij verdachte, rijdende op de Volgerlandseweg, - terwijl op de Volgerlandseweg voor de kruising met de Provincialeweg (N487) bord B7 van bijlage I van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, zowel aan de linker- als aan de rechterzijde van de weg was geplaatst,

aanduidende: Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg, en er direct voor de kruising op het wegdek een stopstreep was aangebracht- een op de voorrangsweg de Provincialeweg N487, rijdende personenauto, die de kruising

met de Volgerlandseweg (dicht) genaderd was, niet voor laten gaan,

en/of heeft hij aldaar niet, althans onvoldoende snelheid verminderd en/of is hij toen en aldaar niet, althans niet tijdig gestopt en/of is hij niet, althans onvoldoende uitgeweken, terwijl een op de voorrangsweg, de Provincialeweg N487, rijdende personenauto de kruising met de Volgerlandseweg (dicht) genaderd was, waardoor hij met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen die personenauto is aangereden en/of gebotst, althans in aanrijding is gekomen met die personenauto, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten nekletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 mei 2006 te Numansdorp, gemeente Cromstrijen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Volgerlandseweg, zich zodanig heeft gedragen dat daaroor gevaar en/of

hinder voor het overige verkeer op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, immers heeft hij verdachte, rijdende op de Volgerlandseweg, - terwijl op de Volgerlandseweg voor de kruising met de Provincialeweg (N487) bord B7 van bijlage I van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, zowel aan de linker- als aan de rechterzijde van de weg was geplaatst,

aanduidende: Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg, en er direct voor de kruising op het wegdek een stopstreep was aangebracht- een op de voorrangsweg de Provincialeweg N487, rijdende personenauto, die de kruising

met de Volgerlandseweg (dicht) genaderd was, niet voor laten gaan, en/of heeft hij aldaar niet, althans onvoldoende snelheid verminderd en/of is hij toen en aldaar niet, althans niet tijdig gestopt en/of is hij niet, althans

onvoldoende uitgeweken, terwijl een op de voorrangsweg, de Provincialeweg N487, rijdende personenauto de kruising met de Volgerlandseweg (dicht) genaderd was, waardoor hij met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen die personenauto is aangereden en/of gebotst, althans in aanrijding is gekomen met die personenauto,

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 mei 2006 te Numansdorp, gemeente Cromstrijen, als bestuurder/bestuurster van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Volgerlandseweg, ter plaatse waar voor een kruisende weg,

te weten de voor het verkeer openstaande weg, de Provincialeweg N487, een bord B 7 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de

kruisende weg - geen gevolg heeft gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod of een verbod inhoudt, immers de bestuurder van een op die kruisende weg rijdende personenauto niet in staat heeft gesteld ongehinderd zijn/haar weg te

vervolgen, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het subsidiair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van EUR 219, subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit en meer subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

 

 

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte primair  ten laste is gelegd, omdat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank overweegt in dat verband dat verdachte weliswaar een verkeersovertreding heeft begaan, maar dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld ex artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Om dat te kunnen beoordelen zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan (HR 1 juni 2004, LJN: AO5822).

Uit de voorhanden zijnde stukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte op een voorrangskruising een naderende personenauto geen voorrang heeft verleend en vervolgens tegen deze personenauto is aangebotst. Verdachte was als politieman in functie als bestuurder van een dienstvoertuig van de politie en had een opdracht ontvangen een collega elders bijstand te gaan verlenen.

De rechtbank stelt vast dat voor verdachte in zijn hoedanigheid van politieman en ter uitvoering van een dienstopdracht, vrijstelling van de bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gold. Verdachte heeft gebruik gemaakt van deze vrijstelling en is niet gestopt bij Bord B7 van bijlage I van het eerder genoemde reglement.

Uit de verklaringen van verdachte en ook van zijn bijrijder kan worden afgeleid dat verdachte voor de kruising enigszins vaart heeft geminderd en niet met een onverantwoord hoge snelheid de kruising is opgereden. Het dienstvoertuig van verdachte vertoonde geen mankementen en ook van andere (verkeerstechnische) omstandigheden die tot de aanrijding bijgedragen zouden kunnen hebben, is niet gebleken. De rechtbank kan op grond van het bovenstaande niet anders concluderen dan dat verdachte de naderende personenauto gewoonweg niet heeft gezien. De rechtbank acht dit een ernstige verkeersfout, maar zij is van oordeel dat deze enkele gedraging onvoldoende is om te kunnen spreken van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

 De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

SUBSIDIAIR

op 05 mei 2006 te Numansdorp, gemeente Cromstrijen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Volgerlandseweg, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar voor het overige verkeer op die weg werd veroorzaakt, immers

heeft hij verdachte, rijdende op de Volgerlandseweg, - terwijl op de Volgerlandseweg voor de kruising met de Provincialeweg (N487) bord B7 van bijlage I van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, zowel aan de linker- als aan de rechterzijde van de weg was geplaatst, aanduidende: Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg, en er direct voor de kruising op het wegdek een stopstreep was aangebracht- een op de voorrangsweg de Provincialeweg N487, rijdende personenauto, die de kruising met de Volgerlandseweg (dicht) genaderd was, niet voor laten gaan,

en

heeft hij aldaar onvoldoende snelheid verminderd en is hij toen en aldaar niet gestopt en is hij niet, uitgeweken, terwijl een op de voorrangsweg, de Provincialeweg N487, rijdende personenauto de kruising met de Volgerlandseweg (dicht)genaderd was,

waardoor hij met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen die personenauto is gebotst.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 Nadere bewijsoverweging

Door de verdediging is ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit eveneens vrijspraak bepleit op grond dat verdachte geen schuld heeft gehad aan het ongeval. De verdediging heeft hierbij aangevoerd dat verdachte het slachtoffer verschoonbaar niet heeft gezien door de brede A stijl die aanwezig is aan de binnenkant van het dienst-voertuig.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De feiten en omstandigheden waaronder het ongeval is begaan zijn door de rechtbank reeds onder 4.1 vastgesteld. Verdachte heeft de naderende personenauto op de voorrangs-kruising niet gezien en is zonder voorrang te verlenen deze kruising opgereden met alle gevolgen van dien. De rechtbank acht dit een ernstige verkeersfout en is van oordeel dat verdachte door zijn handelen gevaar voor andere weggebruiker(s) heeft veroorzaakt. Juist nu verdachte gebruik maakte van de vrijstelling van de bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, diende hij extra voorzichtigheid aan de dag te leggen. Voordat verdachte zijn snelheid verhoogde om de Provinciale weg over te steken had hij zich (nogmaals) ervan moeten vergewissen dat er geen naderend verkeer op de voorrangsweg aanwezig was. Verdachte heeft dit onvoldoende gedaan, nu hij de weg niet voldoende zou hebben overzien door een zicht belemmerende A-stijl in de auto. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van de wetenschap bij verdachte van een zichtbelemmering van de A-stijl in het onderhavige geval niet tot afwezigheid van alle schuld kan leiden Verdachte heeft er immers, na het verschoonbaar negeren van een stopbord, voor gekozen een voorrangsweg op te rijden terwijl hij wellicht, als gevolg van de A-stijl in het dienstvoertuig, in verminderde mate zicht op het verkeer van rechts op deze voorrangsweg had.

           

De rechtbank is van oordeel dat het met een dergelijk zicht oprijden van een voorrangs-kruising aangemerkt moet worden als onvoorzichtig rijgedrag en zij verwerpt dan ook het verweer dienaangaande.

        

4.4 Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardi-gingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezen verklaarde levert op:

OVERTREDING VAN ARTIKEL 5 VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994.

           

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte reed met zijn collega in een opvallend dienstvoertuig van de politie toen zij de opdracht kregen elders een collega te ondersteunen. Verdachte is richting de voorrangskruising op de Volgerlandseweg gereden. Verdachte is vervolgens zonder voorrang te verlenen aan een van rechts naderende personenauto deze kruising opgereden, waarbij een botsing met deze auto is ontstaan. Het slachtoffer heeft zodanig letsel aan deze botsing overgehouden dat hij geruime tijd niet in staat geweest zijn dagelijkse werkzaamheden uit te voeren.

In het dagelijks verkeer gebeuren dergelijke ongevallen vaker en het is de angst van veel automobilisten dat hen zoiets zal overkomen. De rechtbank rekent verdachte het onderhavige feit echter zwaarder aan dan de gemiddelde burger nu hij het ongeval heeft veroorzaakt rijdend als politieman in functie in een dienstvoertuig van de politie. Verdachte heeft zelf ter zitting verklaard dat iedere politieman die als bestuurder van een dergelijk voertuig optreedt een extra rijopleiding dient te volgen. Juist van de politie, handhavers van de Wegenverkeerswet, mag de burger extra oplettendheid en verkeersinzicht verwachten.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft. De rechtbank weegt tevens mee dat verdachte zich volledig rekenschap heeft gegeven van zijn daad en meerdere malen contact heeft gezocht met het slachtoffer.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie qua zwaarte onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat naast een geldboete van na te melden hoogte tevens een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats is. Nu verdachte voor zijn werk dagelijks deelneemt aan het verkeer, dient deze voorwaardelijke ontzegging ervoor verdachte extra te doordringen van de verantwoordelijkheden die hij - in zijn functie van politieman - heeft als verkeersdeelnemer.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte  primair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit  tot:

een GELDBOETE van EUR 750 (ZEVENHONDERDVIJFTIG EURO) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (VIJFTIEN) dagen hechtenis;

een ONTZEGGING van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van VIER (4) MAANDEN;

bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij een rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de

proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

                       

           

Dit vonnis is gewezen door:

                                                                                                                                                                     

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. M.M. Moolenburgh-Pelser en mr. B. van Velzen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Schenk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 september 2007.