Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB3126

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
06-09-2007
Datum publicatie
06-09-2007
Zaaknummer
11/500586-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BM8949, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Dordrecht heeft twee mannen veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf wegens (met name) diefstal met geweld in juli 2006 te Ameide. De in de woning aanwezige bewoner is vastgebonden, op het hoofd geslagen, in hulpeloze toestand achtergelaten en overleden. De verdachten hebben zich op geen enkele wijze bekommerd om het slachtoffer. Vrijspraak van moord en doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500586-06

Zittingsdatum : 23 augustus 2007

Uitspraak : 6 september 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te in 1961,

wonende te [adres en woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Rijnmond, locatie De Schie, te Rotterdam.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd, namelijk dat:

1.

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 15 juli 2006 tot en met 22 juli 2006 te Ameide, gemeente Zederik, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- na die [slachtoffer] aan handen en voeten met ty-rips te hebben vastgebonden de ademhaling van die [slachtoffer] met een voorwerp/hand belet verhinderd en/of

- die [slachtoffer] met een (hard) voorwerp en/of met zijn/een (tot vuist gebalde)hand(en)(hard) tegen het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde die [slachtoffer] is overleden;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 15 juli 2006 tot en met 22 juli 2006 te Ameide, gemeente Zederik, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet na die [slachtoffer] aan handen en voeten met ty-rips te hebbenvastgebonden de ademhaling van die [slachtoffer] met een voorwerp/hand belet verhinderd en/of die [slachtoffer] met een (hard) voorwerp en/of met zijn/een (tot vuist gebalde) hand(en) (hard) tegen het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal in vereniging, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 15 juli 2006 tot en met 22 juli 2006 te Ameide, gemeente Zederik, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet na die [slachtoffer] aan handen en voeten met ty-rips te hebben vastgebonden de ademhaling van die [slachtoffer] met een voorwerp/hand belet verhinderd en/of die [slachtoffer] met een (hard) voorwerp en/of met zijn/een (tot vuist gebalde) hand(en) (hard) tegen het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

MEEST SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 15 juli 2006 tot en met 22 juli 2006 te Ameide, gemeente Zederik, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan de [straatnaam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (een) goed(eren) en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- de handen en/of voeten van genoemde [slachtoffer] met ty-rips heeft/hebben vastgebonden en/of

- de ademhaling van die [slachtoffer] met een voorwerp/hand heeft/hebben belet en/of verhinderd en/of

- die [slachtoffer] met een (hard) voorwerp en/of met zijn/een (tot vuist gebalde)hand(en) (hard) tegen het hoofd en/of de rug en/of de benen, althans het lichaam heeft/hebben geslagen en/of

- die [slachtoffer] in omschreven toestand heeft/hebben achtergelaten,

tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 05 oktober 2006 te Vianen - een of meer wapens van categorie II en/of III, te weten een revolver, en/of - munitie van categorie II en/of III,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het (onder 1. meest subsidiair) ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit

3.3 De vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [benadeelde], [adres en woonplaats].

Hij vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van EUR 6042,09, vermeerderd met het uit het huis gestolen geldbedrag, ter zake van materiële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid van de schade betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte onder 1. primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste is gelegd.

Op grond van de wettige bewijsmiddelen is de rechtbank er niet van overtuigd dat de verdachte of een mededader het slachtoffer de adem heeft benomen, zoals onder 1. ten laste is gelegd.

Voorts ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs dat het overlijden van het slachtoffer (uitsluitend) is veroorzaakt door de andere onder 1. primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde handelingen, het met ty-rips vastbinden van diens handen en voeten en/of het op het hoofd slaan van het slachtoffer met een (hard) voorwerp. Het ty-rippen is op zichzelf geen levensbedreigende handeling, terwijl het NFI heeft gerapporteerd dat het slachtoffer niet is overleden ten gevolge van slaan op zijn hoofd. Dit betekent niet dat het vastbinden en slaan van het slachtoffer (en het daarmee gepaard gaande bloedverlies) geen rol hebben gespeeld bij het overlijden van het slachtoffer, wel dat deze handelingen slechts in samenhang met het in hulpeloze toestand achterlaten van het slachtoffer een afdoende verklaring vormen voor diens overlijden. Het in hulpeloze toestand achterlaten van het slachtoffer is wel ten laste gelegd onder 1. meest subsidiair, maar niet onder 1. primair, subsidiair en meer subsidiair.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van die feiten

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

MEEST SUBSIDIAIR:

op een tijdstip gelegen in de periode van 15 juli 2006 tot en met 22 juli 2006 te Ameide, gemeente Zederik, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan de [straatnaam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

- de handen en voeten van genoemde [slachtoffer] met ty-rips heeft

vastgebonden en

- die [slachtoffer] met een hard voorwerp en met (tot vuist gebalde)handen hard tegen het hoofd en de rug en de benen, heeft geslagen en

- die [slachtoffer] in omschreven toestand heeft achtergelaten,

tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

op of omstreeks 05 oktober 2006 te Vianen - een wapens van categorie III, te weten een revolver, en

- munitie van categorie III,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting is door de verdediging vrijspraak bepleit op de volgende gronden.

Primair heeft de verdediging bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1. tenlastegelegde omdat het Openbaar Ministerie ontlastend bewijsmateriaal niet heeft ‘uitgerechercheerd’. De raadsman van de verdachte heeft in dit kader gewezen op het ontbreken van de historische printgegevens van de mobiele telefoon van verdachte in het BOB-dossier. Uit deze gegevens zou blijken dat er daags na het tenlastegelegde geen telefonisch contact is geweest tussen verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte], zoals zijn medeverdachte heeft verklaard.

De rechtbank overweegt dat, zelfs indien uit de historische printgegevens zou blijken dat verdachte geen contact heeft gehad met zijn medeverdachte daags na het tenlastegelegde, dit niets afdoet aan de bewezenverklaring van het onder 1. meest subsidiair tenlastegelegde, omdat het al dan niet hebben plaatsgevonden van dit gesprek niet (mede) redengevend is voor de bewezenverklaring.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat uitsluiting dient te volgen van het bewijs dat is vergaard op grond van en als gevolg van het aanmerken van verdachte áls verdachte. Verdachte zou immers als zodanig zijn aangemerkt naar aanleiding van het tappen van een geheimhoudergesprek, waarvoor de officier van justitie pas na zeven dagen zijn toestemming zou hebben gegeven. Deze bewijsuitsluiting zou moeten leiden tot een kaalslag onder de bewijsmiddelen, waardoor slechts de verklaringen van medeverdachte en een aantal verklaringen uit zijn directe omgeving resteren, hetgeen te weinig zou zijn om tot een bewezenverklaring te komen.

De rechtbank concludeert dat verdachte echter niet op grond van dit geheimhoudergesprek als verdachte is aangemerkt zoals de verdediging ten onrechte suggereert. Uit het dossier blijkt immers dat hij als zodanig in beeld is gekomen door zijn contacten met [naam], die vanuit de directe omgeving van het slachtoffer werd aangezien als mogelijke tipgever en met [naam medeverdachte] zelf.

De rechtbank merkt daarbij vervolgens op dat het bewijs dat middels de getapte geheimhoudergesprekken is vergaard niet als bewijs wordt gebezigd.

Voorts heeft de verdediging vrijspraak bepleit op grond van het feit dat het bewijs slechts afkomstig is uit één onbetrouwbare bron, de medeverdachte [naam medeverdachte] danwel kringen rond deze bron (bijvoorbeeld zijn moeder, zijn vriendin en een neef van hem). De verdediging heeft ter terechtzitting een groot aantal vermeende tegenstrijdigheden in de verklaringen van [naam medeverdachte] zelf en een aantal tegenstrijdheden tussen de verklaringen van [naam medeverdachte] en andere getuigen voorgelegd, op grond waarvan deze onbetrouwbaarheid zou worden aangetoond.

De rechtbank overweegt dat de verdediging ten onrechte stelt dat er sprake is van slechts één bron. Naast de verklaringen van [naam medeverdachte] (dossierparagrafen 1.V1. 3-5, 1.V1.7-8, 1.V1.10-11, 1.V1.13 en 1.V1.15-16) dienen immers tevens de verklaringen van getuige [getuige1] (dossierparagraaf 1.G21.2) –die weliswaar de vriendin is van medeverdachte [naam medeverdachte], maar mede op grond van eigen waarnemingen verklaart-, de verklaringen van getuige [getuige 2] (dossierparagrafen 1.G22.4, 1.G22.5 en 1.G22.7) –die weliswaar de moeder van medeverdachte is, maar ook op grond van haar eigen waarnemingen verklaart-, de verklaringen van [getuige 3] (dossierparagraaf 1.V10.3), en de banktransacties van verdachte (dossierparagraaf: 1.V2.17) tot bewijs.

Ook de verklaringen van getuige [getuige 4] (dossierparagraaf 1.V3.1 en de verklaring in het gerechtelijk vooronderzoek) worden als bewijs gebezigd. De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat getuige [getuige 4] de woorden van verdachte naar aanleiding van het bericht op Opsporing Verzocht verkeerd heeft geduid, nu zij dacht dat het om een andere zaak, de ‘Klokkenzaak’, zou gaan. Zij verklaart echter: “Ik las met [verdachte] op teletekst dat er een man was aangehouden voor de zaak Ameide” (dossierparagraaf: 1.V3.1). De rechtbank kan hier geen andere conclusie aan verbinden dat zij hebben gesproken over het onder 1. tenlastegelegde. Ook overigens sluit haar verklaring aan bij de vaststelling dat zij hebben gesproken over het tenlastegelegde nu deze op geen enkele manier overeenkomt met de andere zaak dan dat dezelfde personen betrokken waren en zij haar verklaring bij de rechter-commissaris heeft herhaald.

Tot slot dient ook het gesprek tussen verdachte en getuige [getuige 4] (dossierparagraaf 1.V2.17) in de Schie tot bewijs. Het door de verdediging opgeworpen verweer dat verdachte getuige [getuige 4] wilde ‘prikkelen’ om ontlastend te verklaren acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Niet alleen kunnen de specifieke details die de verdachte over het tenlastegelegde aan getuige [getuige 4] meedeelt op geen enkele manier in dit licht worden verklaard, ook heeft verdachte geen moment aangedrongen op een antwoord van de eerder genoemde getuige, waaruit het ‘prikkelen’ eventueel zou kunnen blijken.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat veel van de door de verdediging aangedragen tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van medeverdachte [naam medeverdachte] en andere getuigenverklaringen verklaarbaar zijn. Niet alleen heeft een aantal getuigen getracht zijn eigen rol in het geheel te bagatelliseren, ook is veel informatie ‘via-via’ verkregen als gevolg waarvan de waarheid soms is vertekend.

Tot slot heeft verdachte de rechtbank attent gemaakt op een eventuele onjuistheid in de weergave van een getapt geheimhoudergesprek. De rechtbank ziet daarin op zichzelf onvoldoende aanleiding om niet uit te gaan van de juistheid van de weergave van het tapgesprek. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om nader onderzoek te doen naar de bewering van verdachte, nu de inhoud van dit tapgesprek niet relevant is voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde en het daartoe gebruikte bewijs.

De rechtbank verwerpt de verweren derhalve.

Ten aanzien van het causale verband tussen de ten laste gelegde handelingen en de dood van het slachtoffer overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn mededader(s) aan het slachtoffer letsel hebben toegebracht.

Verdachte en zijn mededader(s) hebben het slachtoffer meermalen met de vuisten en met een hard voorwerp op het lichaam en het hoofd geslagen, als gevolg waarvan het slachtoffer bloed heeft verloren. Vervolgens hebben zij aan het op zijn buik gelegen slachtoffer, zijn bewegingsvrijheid ontnomen door zijn enkels en polsen te ty-rippen en hebben zij het het slachtoffer onmogelijk gemaakt om hulp in te schakelen.

Mede gelet op de omstandigheid dat uit het onderzoek van het NFI geen andere doodsoorzaak aannemelijk is geworden kan het toebrengen van dat letsel, dat op zichzelf beschouwd, niet onmiddellijk dodelijk behoeft te zijn, geacht worden in verband te staan met de dood van het slachtoffer. Rekening houdend met het feit dat verdachte en zijn mededader(s) het slachtoffer bovendien op zijn buik liggend en aan armen en benen vastgebonden met tye-rips in een hulpeloze toestand hebben achtergelaten, oordeelt de rechtbank dat de dood van het slachtoffer in redelijkheid aan (de handelwijze van) verdachte en diens mededader(s) kan worden toegerekend.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. (MEEST SUBSIDIAIR)

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN, VERGEZELD OF GEVOLGD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN OF GEMAKKELIJK TE MAKEN, OF OM, BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF OF ANDERE DEELNEMERS VAN HET MISDRIJF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD GEDURENDE DE VOOR DE NACHTRUST BESTEMDE TIJD IN EEN WONING, DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN EN TERWIJL HET FEIT DE DOOD TEN GEVOLGE HEEFT;

2.

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III,

en

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is in juli 2006 samen met zijn mededader(s) naar de [straatnaam] te Ameide gegaan om een kluis te stelen. Zij hadden een tip gekregen dat er een groot geldbedrag in deze kluis zou liggen. In de woning op de [straatnaam] zijn zij gestuit op de bewoner, het latere slachtoffer. Aldaar is gevochten met het slachtoffer, waarbij zij hem een aantal vuistslagen op het hoofd hebben toegebracht.

Nadat verdachte het slachtoffer met behulp van de mededader(s) had overmeesterd hebben zij hem met ty-rips vastgebonden. Het slachtoffer heeft zelfs op het moment dat hij weerloos op de grond lag nog klappen gehad van verdachte. Vervolgens zijn de daders er met de buit vandoor gegaan en hebben zij het slachtoffer voor dood achtergelaten.

De rechtbank heeft moeten constateren dat verdachte op geen enkele manier empathie heeft getoond ten opzichte van het slachtoffer en de nabestaanden van het slachtoffer.

Verdachte heeft niet geprobeerd om het slachtoffer te helpen door bijvoorbeeld het nummer van Meld Misdaad Anoniem te bellen. Op deze manier had hij zelf ‘buiten schot’ kunnen blijven terwijl hij het slachtoffer hiermee eventueel had kunnen redden. Maar ook ter terechtzitting heeft verdachte geen blijk gegeven van enig medeleven met de nabestaanden. Zijn ontkennende houding ter terechtzitting doet hier niets aan af.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben daarentegen echter wel doelbewust het huis bij vertrek afgesloten, zodat het misdrijf niet alleen niet gemakkelijk zou kunnen worden opgemerkt, maar het slachtoffer tevens de mogelijkheid werd ontnomen om succesvol om hulp te roepen. Ook hebben zij het slachtoffer beestachtig behandeld door hem, nota bene in zijn eigen huis, te knevelen en hem geboeid en al, af te tuigen.

De rechtbank verwijt verdachte dat hij niet slechts achteloos met de belangen van anderen is omgesprongen maar zelfs zeer berekenend te werk is gegaan, getuige het bovenstaande en de mate van organisatie en planning die voorafging en volgde op het bewezenverklaarde, waarbij hij tot het (bittere) einde zijn eigen belang weloverwogen voorop heeft gesteld.

Verdachte heeft de nabestaanden van het slachtoffer groot en onherstelbaar leed toegebracht. De gruwelijke wijze waarop het slachtoffer om het leven is gekomen en de staat waarin zijn stoffelijk overschot is aangetroffen, maken het verwerken van dit verlies voor hen zo mogelijk nog moeilijker.

Een misdrijf als het onderhavige brengt in de maatschappij en zeker in de woonomgeving van het slachtoffer gevoelens van afschuw en onveiligheid teweeg.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank onder andere rekening gehouden met de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder voor een geweldsgerelateerd delict is veroordeeld.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

7.2 De vordering van de benadeelde partij

De rechtbank is op grond van het onderzoek ter terechtzitting tot het oordeel gekomen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in zijn vordering, omdat deze niet van zodanige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De vordering van de benadeelde partij is, zoals door Slachtofferhulp ter terechtzitting is aangegeven, ingediend door [benadeelde], maar bevat kosten die naar hun aard behoren tot de nalatenschap. Uit geen enkel bewijsstuk heeft de rechtbank echter kunnen afleiden dat [benadeelde] namens de erven optreedt. Ook is niet gebleken dat [benadeelde] de rekening van de uitvaartverzorging heeft betaald.

De benadeelde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, welke door de verdachte zijn gemaakt, één en ander met bepaling als in het dictum te melden.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1. primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van NEGEN (9) JAREN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde], [adres en woonplaats], niet ontvankelijk is in de vordering, met veroordeling tevens van de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken - daaronder begrepen de eventuele incassokosten - tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

mr. M.R.J. Schönfeld en mr. B. van Velzen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Booij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 september 2007.

Door afwezigheid is mr. Schönfeld voornoemd buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.