Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB2548

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
11/500736-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. De rechtbank stelt de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op NIHIL, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat de veroordeelde uit soortgelijke feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht enig voordeel heeft behaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 11/500736-05

Datum uitspraak: 23 augustus 2007

VERKORT ONTNEMINGSVONNIS

1. Onderzoek van de zaak.

In de zaak tegen

[Veroordeelde],

geboren in 1957,

[adres en woonplaats],

heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Dordrecht de navolgende beslissing genomen.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting van 12 juli 2007.

Zij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging, naar voren gebracht door de veroordeelde en haar raadsvrouw, mr. M.T. Dijkstra, advocate te Oud-Beijerland.

2. Het strafvonnis.

Bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank d.d. 2 februari 2006 is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, ter zake van:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD.

3. De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

In de schriftelijke vordering van 26 januari 2007 heeft de officier van justitie gevorderd betrokkene te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.002.877,00 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in dier voege dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op een bedrag van € 40.000,- en de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van dit bedrag.

4. De verdediging.

Door de verdediging is – zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten, zodat de vordering afgewezen dient te worden.

5. Beoordeling van de vordering.

Bij vonnis van de politierechter van 2 februari 2006 is aan de veroordeelde straf opgelegd wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B Opiumwet gegeven verbod, begaan op 16 november 2005. Uit de stukken van het geding blijkt dat de veroordeelde op deze datum samen met een ander een hoeveelheid van 200 gram cocaïne opzettelijk heeft vervoerd. Naar aanleiding van deze veroordeling heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de veroordeelde een betalingsverplichting oplegt ter ontneming van wederrechtelijk voordeel ter hoogte van € 1.002.877,-. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering verminderd tot een bedrag van € 40.000,-. Volgens de officier van justitie zou de veroordeelde het voordeel hebben verkregen uit feiten die soortgelijk zijn aan het feit dat in het genoemde vonnis van de politierechter bewezen is verklaard, namelijk de handel in cocaïne.

De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op een financieel rapport van 22 februari 2006. In dit rapport wordt gesteld dat de veroordeelde uit de handel in cocaïne een voordeel zou hebben behaald ter hoogte van een bedrag tussen de € 547.877,- en € 1.002.877,-.

Voor oplegging van een betalingsverplichting ter ontneming van voordeel dat is verkregen uit ‘soortgelijke feiten’ zoals bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, dient uit bewijsmiddelen te blijken dat die soortgelijke feiten door de veroordeelde zijn begaan. Weliswaar hoeven die soortgelijke feiten en de betrokkenheid van de veroordeelde daarbij als dader in de ontnemingsprocedure niet wettig en overtuigend te worden bewezen, doch volstaan ‘voldoende aanwijzingen’, wel veronderstelt toepassing van artikel 36e lid 2 Sr dat de soortgelijke feiten, in deze zaak het meerdere malen verkopen van cocaïne, ten aanzien van tijd en plaats kunnen worden gespecificeerd. In het financiële rapport worden de als soortgelijke feiten aan te merken overtredingen van de Opiumwet waaruit veroordeelde voordeel zou hebben verkregen evenwel op geen enkele wijze geconcretiseerd. Ook bevatten de stukken in het ontnemingsdossier geen enkele concrete aanwijzing ter onderbouwing van de stelling dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen van cocaïne en dat zij daarmee voordeel zou hebben verkregen. Om deze redenen acht de rechtbank de vordering van de officier van justitie ongefundeerd. Dit wordt geïllustreerd door de ter zitting uitgesproken eis van de officier van justitie. In zijn requisitoir heeft de officier van justitie oplegging van een betalingsverplichting ter hoogte van € 40.000,- gevorderd, daarbij stellende niet in staat te zijn de vordering concreet te onderbouwen.

Nu de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting geen enkel aanknopingspunt bieden voor de vaststelling dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten die soortgelijk zijn aan het feit dat in het hiervoor genoemde vonnis van de politierechter bewezen is verklaard en dat de veroordeelde uit die soortgelijke feiten enig voordeel heeft behaald, ziet de rechtbank af van het opleggen van een betalingsverplichting.

De conclusie is dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de veroordeelde uit soortgelijke feiten enig voordeel heeft behaald. Derhalve wordt de betalingsverplichting bepaald op nihil.

6. De beslissing.

De rechtbank

stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op NIHIL;

bepaalt de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op NIHIL.

Deze beslissing is genomen door:

mr. J.B.H.M. Simmelink, voorzitter,

mr. H. Bedee en mr. T. Kooijmans, rechters,

in tegenwoordigheid van P.J.F.M. Vermaat, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 23 augustus 2007.