Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB2342

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
27-08-2007
Zaaknummer
65602 / HA ZA 06-2472
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Optie koopovereenkomst tussen Nederlandse burger en vennootschap naar Spaans recht met forumkeuzebeding en beding waarin gedaagden 1 t/m 5 zich als vertegenwoordigers van de vennootschap hoofdelijk verbinden.

Koper spreekt gedaagden primair aan op grond van de bedongen hoofdelijke aansprakelijkheid en subsidiair op grond van onrechtmatige daad.

Twee gedaagden wonen in Nederland, twee in Duitsland en twee (tegen wie verstek is verleend) zijn zonder bekende woon-of verblijfplaats binnen en buiten Nederland.

Diverse IPR-kwesties, waaronder de vraag of koper moet worden aangemerkt als consument in de zin van artikelen 15 t/m 17 EEX. Op grond van de autonome uitleg van dit begrip en de aard van de contractuele relatie tussen partijen wordt deze vraag ontkennend beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 466

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 65602 / HA ZA 06-2472

Vonnis van 22 augustus 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te Zwijndrecht,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

procureur jhr.mr. A. van Bunge,

tegen

1. [gedaagde1],

wonende te Lienden,

procureur mr. P.C. van Houten,

2. [gedaagde2],

wonende te Meeden,

procureur mr. P.C. van Houten,

3. [gedaagde3],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,

niet verschenen,

4. [gedaagde4],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,

niet verschenen,

5. [gedaagde5],

wonende te Oldendorf, Duitsland,

procureur mr. J.D. Bakker,

6. [gedaagde6],

wonende te Stade, Duitsland,

procureur mr. J.D. Bakker.

gedaagden in de hoofdzaak,

gedaagde sub 1 tevens eiser in het incident.

Eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden in de hoofdzaak zullen hierna gezamenlijk [gedaagden samen] genoemd worden en afzonderlijk respectievelijk [gedaagde1], [gedaagde2], [gedaagde3], [gedaagde4], [gedaagde5] en [gedaagde6] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- dagvaardingen van 16 en 17 maart 2006,

- conclusie van antwoord, tevens houdende een exceptie van onbevoegdheid van [gedaagde1],

- conclusie van antwoord van [gedaagde2],

- conclusie van antwoord van [gedaagde5] en [gedaagde6],

- conclusie van antwoord in het incident,

- het tussenvonnis van 4 oktober 2006,

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 19 januari 2007.

1.2. Tegen [gedaagde3] en [gedaagde4] is verstek verleend.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde1], [gedaagde2], [gedaagde3], [gedaagde4] en [gedaagde5] hebben tezamen de vennootschap naar Spaans recht Mi Castillo-Rheu Spa S.L. (verder: Mi Castillo-Rheu Spa) opgericht. Mi Castillo-Rheu Spa hield zich bezig met de bouw van een reumakliniek aan de Costa Brava (Spanje) met 300 (vakantie)woningen ten behoeve van de huisvesting van reumapatiënten.

2.2. Op 28 augustus 2003 hebben [eiser] en Mi Castillo-Rheu Spa een optie koopovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst, die is ondertekend door [gedaagde1] en [eiser], houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"...

Enerzijds, [gedaagde3]..., [gedaagde4]..., Dhr. [gedaagde1]..., [gedaagde2] ... en [gedaagde5]..., allen ... handelend in naam van de firma "Mi Castillo - Rheu Spa S.L." ......Verder genoemd als de verkoper van de optie koopovereenkomst.

Anderzijds, [eiser], ...Verder genoemd als de koper van de optie koopovereenkomst.

1. ... Object van de optie koopovereenkomst

Betreft het volgende eigendom:

- Model: Rosita.

- Beschrijving van de woning: vrijstaande woning

- Woning nummer: 26, met 452 m² grond

- ...

- In de urbanisatie Playa Golf II,

- Gelegen in het grondgebied van Orihuela (Alicante), Spanje

2. ...De prijs

De prijs van de optie koopovereenkomst bedraagt tweehonderddrieëntachtigduizend achthonderdtweeënzestig euro (€ 283.862,-). ......

3. ... Betalingsvoorwaarden

Bij ondertekening van dit contract verplicht de kopende partij van de optie koopovereenkomst zich ertoe het bedrag van honderddrieëntachtigduizend achthonderdtweeënzestig euro (€ 283.,862,-) te betalen aan de verkoper......

4. ... Additionele voorwaarden

...

B. ...

De verkoper verplicht zich de ingelegde gelden van de koper na ontvangst te storten op de rekening van verzekeringsmaatschappij Arag. ...

...

D. ...

De verkoper garandeert, na uitbetaling van de Arag, het onroerend goed schuldenvrij aan de koper over te dragen. Het onroerendgoed wordt op 1 september 2008 in oorspronkelijke staat afgeleverd.

E. ...

De koper ontvangt gedurende 15 jaar een rente van 7,5% per jaar op zijn investering. Deze dient de verkoper te voldoen elk kwartaal en vangt aan op 1 februari 2005. ...

...

Wanneer de verkoper zich niet aan de in punt 4 E gemaakte afspraak kan houden, behoudt de koper zich het recht voor de koop ongedaan te (laten) maken en zijn geïnvesteerde geld geretourneerd te krijgen. Eventuele kosten die hiervoor gemaakt moeten worden zijn voor rekening van Mi Castillo-RheuSpa S.L.

F. ...

De koper heeft het gebruiksrecht van de woning voor 3 weken per jaar gedurende 15 jaar. Deze 3 weken zijn door de koper naar eigen inzicht in te vullen. De overige 49 weken zal de woning door Mi Castillo-RheuSpa S.L. verhuurd worden aan patiënten van de kliniek.

...

I. ...

Uitgangspunt van dit onroerend goed project is het samenwerkingsverband tussen Mi Castillo-Rheu Spa S.L., Duitse verzekeraar Arag, bouwonderneming San José en de Rheumakliniek Bad Bramstedt. Wanneer de Rheumakliniek afziet van een verdere betrokkenheid bij het project d.m.v. verhuur van woningen aan reumapatiënten behoudt de koper zich het recht voor de koop ongedaan te (laten) maken en zijn geïnvesteerde geld geretourneerd te krijgen. Eventuele kosten die hiervoor gemaakt moeten worden zijn voor rekening van Mi Castillo-Rheu Spa S.L.

5. ... Rechterlijke bevoegdheid bij betwisting:

...

In geval van betwistingen zijn enkel de Rechtbanken in Torrevieja en Hogere Gerechtshoven bevoegd. Betrokken partijen doen dan ook afstand van elke andere vorm van rechtspraak.

6. ...Aansprakelijkheid

A. ...

Vertegenwoordigers van Mi Castillo-RheuSpa S.L., zoals hierboven beschreven, stellen zich allen hoofdelijk aansprakelijk voor nakoming van deze overeenkomst indien Mi Castillo-RheuSpa S.L. zich niet aan deze overeenkomst kan houden.

2.3. Ter uitvoering van de optie koopovereenkomst heeft [eiser] op 28 augustus 2003 een bedrag van € 283.862 aan Mi Castillo-Rheu Spa betaald.

2.4. Uitbetaling van de overeengekomen rente aan [eiser] is geheel uitgebleven.

2.5. Bij aangetekende brief van zijn raadsman aan Mi Castillo-Rheu Spa van 11 mei 2005 heeft [eiser] de optie koopovereenkomst geannuleerd.

3. Het geschil

in de hoofdzaak

3.1. [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagden samen], des dat de een betalende de ander is bevrijd, om binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van € 326.851,88, vermeerderd met:

A. de contractuele rente van 7,5 % over de hoofdsom van € 283.862,- vanaf 15 februari 2006;

B. de totale kosten van rechtsbijstand die [eiser] na 8 februari 2006 verschuldigd zal blijken te zijn tot aan het moment van algehele verzilvering van hetgeen waarop hij ingevolge het te wijzen vonnis recht heeft,

met veroordeling van [gedaagden samen] in de proceskosten binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop [gedaagden samen] met voldoening hiervan in gebreke mochten blijven.

[eiser] stelt daartoe het volgende.

3.1.1. In de optie koopovereenkomst is niet bepaald welk recht van toepassing is. De overeenkomst is het nauwst verbonden met het Nederlands recht. Voor zover nodig kiest [eiser] voor toepassing van het Nederlands recht.

3.1.2. [eiser] stelt zich primair op het standpunt dat op grond van artikel 6 sub A van de optie koopovereenkomst op [gedaagde1], [gedaagde2], [gedaagde3], [gedaagde4] en [gedaagde5] hoofdelijk de plicht rust de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van Mi Castillo-Rheu Spa jegens [eiser] na te komen. Dit geldt te meer voor [gedaagde1] omdat hij zijn partners bij de overeenkomst heeft vertegenwoordigd. Daarnaast is [gedaagde6] (de rechtbank leest: [gedaagde5]) hoofdelijk daartoe gehouden omdat hij zich de inleg van [eiser] onrechtmatig heeft toegeëigend en deze daardoor schade heeft geleden.

3.1.3. Subsidiair stelt [eiser] dat [gedaagden samen] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door met elkaar op listige wijze samen te spannen om hem zijn spaargeld te ontfutselen. Hij voert daartoe het volgende aan.

[gedaagden samen] hebben nauw samengewerkt om [eiser] tot deelname aan het project en het sluiten van de optie koopovereenkomst te bewegen. [gedaagden samen] weigeren [eiser] voor de verdwijning van zijn inleg te compenseren, terwijl zij wisten althans behoorden te weten dat deelname aanzienlijke financiële risico's meebracht en hebben nagelaten [eiser] voor het sluiten van de optie koopovereenkomst daarop te wijzen. Voorts hebben [gedaagden samen] toegestaan dat die overeenkomst (mede) in hun naam werd gesloten en hebben zij een brochure in het verkeer gebracht die misleidende dan wel onjuiste cq. onvolledige informatie bevat.

3.1.4. Meer subsidiair stelt [eiser] dat [gedaagden samen] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door de door hem gestorte inleg weg te (laten) sluizen terwijl daartegenover geen enkele waarborg stond dat dit bij eventuele annulering voor restitutie beschikbaar zou blijven en dat geld op die manier aan verhaal te ontrekken.

3.1.5. Daarnaast stelt [eiser] dat op [gedaagde3] en [gedaagde4] als professioneel makelaars een bijzondere zorgplicht rustte om hem te behoeden voor het aangaan van overeenkomsten als de onderhavige. Die zorgplicht zijn zij niet nagekomen.

3.2. [eiser] heeft het gevorderde bedrag van € 326.851,88 als volgt gespecificeerd:

restitutie hoofdsom € 283.862,-

achterstallige contractuele rente van 7,5 % per jaar

van 1 februari 2005 tot 1 mei 2005 € 10.644,-

wettelijke vertragingsrente van 7,5% conform artikel

6:119 lid 3 BW vanaf 1 mei 2005 tot 15 februari 2006 € 16.973,39

overeengekomen gemaakte incassokosten volgens

paragraaf 4I overeenkomst:

kosten rechtsbijstand tot aan 8 februari 2006 € 15.372,49

__________ € 326.851,88

3.3. De conclusie van [gedaagde1] strekt primair tot onbevoegdverklaring en (meer en meest) subsidiair tot afwijzing van de vordering, alles met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3.4. De conclusie van [gedaagde2] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3.5. De conclusie van [gedaagde6] en [gedaagde5] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3.6. Op de verweren wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in het incident

3.7. [eiser] baseert de bevoegdheid van deze rechtbank om van de vordering kennis te nemen op artikel 108 lid 2 Rv en artikel 15 lid 1 sub c juncto artikel 16 lid 1 van de EG Verordening (nr. 44/2001) van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: EEX-verordening).

3.8. [gedaagde1] bestrijdt de toepasselijkheid van de voormelde bepalingen en stelt dat deze rechtbank op grond van de forumkeuze in artikel 5 van de optie koopovereenkomst niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4. De beoordeling

4.1. in het incident

4.1.1. Aangezien artikel 5 van de optie koopovereenkomst een gerecht in Spanje als de bevoegde rechter aanwijst, dient daarop de EEX-verordening te worden toegepast en mist het door [eiser] aangehaalde artikel 108 lid 2 Rv toepassing.

4.1.2. Aan de in de EEX-verordening gebruikte begrippen - waaronder dat van "consument" in de zin van artikel 15 tot en met artikel 17 EEX-verordering - moet met het oog op de eenvormige toepassing van de verordening in alle lidstaten een autonome uitleg worden gegeven, waarbij hoofdzakelijk aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en de doelstelling van de verordening. De regeling van artikel 15 t/m 17 EEX-verordening heeft tot doel een passende bescherming te bieden aan de consument die ten opzichte van zijn beroepsmatige wederpartij als economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractspartij wordt beschouwd en derhalve niet mag worden afgehouden van het instellen van een rechtsvordering door hem te verplichten zijn vordering aanhangig te maken voor de gerechten van de staat op het grondgebied waarvan zijn wederpartij woonplaats heeft. Volgens vaste rechtspraak volgt hieruit dat het begrip "consument" eng moet worden uitgelegd, waarbij aansluiting moet worden gezocht bij de positie van deze persoon in een bepaalde overeenkomst, rekening houdend met de aard en het doel daarvan, maar niet met de subjectieve situatie van de persoon. Onder de bijzondere regeling ter bescherming van de consument als zwakke partij vallen enkel overeenkomsten die, los en onafhankelijk van enige beroepsmatige activiteit of doelstelling, uitsluitend worden gesloten om te voorzien in de consumptiebehoeften van een persoon als particulier, terwijl deze bescherming in geval van overeenkomsten met een beroepsmatig doel niet gerechtvaardigd is.

4.1.3. [eiser] stelt dat hij door middel van de optie koopovereenkomst deelnam aan het project te Spanje en tevens dat het hem daarbij om het rendement van zijn belegging en niet om het gebruik van de woning ging. In het midden kan blijven of die aard en dat doel van de overeenkomst tussen [eiser] en Mi Castillo-Rheu Spa meebrengt dat van [eiser] in een positie verkeert dat hem vorenbedoelde bescherming dient te worden geboden. Met de aard en het doel van de overeenkomst tussen [eiser] en Mi Castillo-Rheu Spa is immers nog niet de aard en het doel van de contractuele relatie tussen [eiser] en [gedaagden samen] gegeven, waarop de vordering primair is gebaseerd. Gesteld noch gebleken is dat die relatie meer inhoudt dan de in artikel 6 sub A van de optie koopovereenkomst neergelegde hoofdelijke verbintenis van [gedaagden samen] tot nakoming van de verplichtingen uit die overeenkomst. De strekking en het doel daarvan die het meest voor de hand ligt is het verschaffen van zekerheid aan [eiser] en door hem zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een andere conclusie zouden kunnen leiden. In de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagden samen] die aan de vordering ten grondslag wordt gelegd valt derhalve geen voorziening in een consumptiebehoefte van [eiser] als particulier te ontdekken.

4.1.4. Uit het vorenstaande volgt dat [eiser] niet kan worden aangemerkt als "consument" in de zin van de artikelen 15 t/m 17 EEX-verordening, zodat de bevoegdheid van deze rechtbank niet op die artikelen kan worden gebaseerd.

4.1.5. Niet in geschil is dat het in artikel 5 van de optie koopovereenkomst neergelegde forumkeuzebeding van toepassing is in het geval dat, ondanks de betwisting van [gedaagde1], komt vast te staan dat hij zichzelf bij die overeenkomst jegens [eiser] verbonden heeft. De geldigheid van het forumkeuzebeding in dat geval is niet in geschil en ook ambtshalve toetsing aan artikel 23 EEX-verordening geeft geen aanleiding daarover anders te beslissen. Indien komt vast te staan dat [gedaagde1], zoals [eiser] stelt, de optie koopovereenkomst ook namens zichzelf heeft ondertekend is immers aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 23 EEX-verordening voldaan.

4.1.6. Op grond van vorenbedoeld forumkeuzebeding en artikel 23 EEX-verordening zijn de rechtbanken in Torrevieja, Spanje, exclusief bevoegd kennis te nemen van de vordering die is gebaseerd op artikel 6 sub A van de optie koopovereenkomst, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Dit forumkeuzebeding mist echter toepassing voor zover de vordering op onrechtmatige daad is gebaseerd.

4.1.7. Indien sprake is van een grensoverschrijdend karakter van het gestelde onrechtmatig handelen, doet dat niet af aan de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de daarop gebaseerde vordering tegen [gedaagde1]. [gedaagde1] is immers overeenkomstig de hoofdregel van artikel 2 EEX-verordening gedagvaard voor een gerecht in Nederland en de bevoegdheid van deze rechtbank volgens de nationale bevoegdheidsregels is niet door [gedaagde1] bestreden.

4.1.8. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van [gedaagde1] op de onbevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de vordering die is gebaseerd op artikel 6 sub A van de optie overeenkomst slaagt, maar faalt ten aanzien van de vordering tegen [gedaagde1] uit onrechtmatige daad.

4.1.9. Nu partijen in het incident ieder deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in het incident worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten zullen dienen te dragen.

in de hoofdzaak

4.2. de bevoegdheid ten aanzien van de vordering tegen de overige gedaagden

4.2.1. [gedaagde2] is overeenkomstig de hoofdregel van artikel 2 EEX-verordening gedagvaard voor een gerecht in Nederland en heeft (relatieve) bevoegdheid van deze rechtbank niet bestreden. Het forumkeuzebeding van artikel 5 van de optie koopovereenkomst kan aan de bevoegdheid van deze rechtbank niet af doen. Voor zover dat artikel van toepassing is, is deze rechtbank immers bevoegd op grond van artikel 24 EEX-verordening, dat derogeert aan artikel 23 van die verordening.

4.2.2. [gedaagde6] en [gedaagde5] zijn in rechte voor deze rechtbank verschenen zonder de bevoegdheid van de rechtbank te betwisten, zodat de rechtbank op grond van artikel 24 EEX-verordening bevoegd is kennis te nemen van de vordering tegen hen. Zoals hiervoor overwogen kan het forumkeuzebeding van artikel 5 van de optie koopovereenkomst daar niet aan af doen.

4.2.3. Op grond van hetgeen onder 4.1.1 t/m 4.1.4 is overwogen kan de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vordering tegen [gedaagde3] en [gedaagde4] niet, zoals [eiser] stelt, worden gebaseerd op artikel 108 lid 2 Rv en artikelen 15 en 16 EEX-verordening. Er vanuit gaande dat [gedaagde1], zoals [eiser] stelt, bij de ondertekening van de optie koopovereenkomst [gedaagde3] en [gedaagde4] heeft vertegenwoordigd, is er voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 23 EEX-verordening.

4.2.4. Op grond van vorenbedoeld forumkeuzebeding en artikel 23 EEX-verordening zijn de rechtbanken in Torrevieja, Spanje, exclusief bevoegd kennis te nemen van de vordering die is gebaseerd op artikel 6 sub A van de optie koopovereenkomst, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Het laatste is niet gesteld. Ingevolge artikel 4 lid 1 EEX-verordening geldt de voormelde exclusieve bevoegdheid ook voor de op de artikel 6 sub A van de optie overeenkomst gebaseerde vordering tegen [gedaagde3] en [gedaagde4]. De rechtbank dient zich derhalve ambtshalve onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de vordering tegen [gedaagde3] en [gedaagde4] die is gebaseerd op artikel 6 sub A van de optie overeenkomst.

4.2.5. Het vorenbedoelde forumkeuzebeding mist toepassing voor zover de vordering op onrechtmatige daad is gebaseerd. Nu de woon- en verblijfplaats van [gedaagde3] en [gedaagde4] binnen en buiten Nederland onbekend is, zijn -bij gebreke van toepasselijkheid van artikel 22 of 23 EEX-verordening- op die vordering de nationale bevoegdheidsregels van toepassing. Op grond van artikel 7 Rv en artikel 107 Rv is deze rechtbank bevoegd. Een grensoverschrijdend karakter van het gestelde onrechtmatig handelen, doet daaraan niet af.

4.2.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vordering tegen [gedaagde2], [gedaagde6] en [gedaagde5] en de vordering tegen [gedaagde3] en [gedaagde4] uit onrechtmatige daad.

4.3. artikel 6 sub A van de optie overeenkomst

4.3.1. [eiser], [gedaagde2] en [gedaagde5] hebben uitdrukkelijk gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht. Op de verbintenis uit hoofde van artikel 6 sub A van de optie overeenkomst, alsmede het bestaan en de geldigheid daarvan, dient derhalve Nederlands recht te worden toegepast.

4.3.2. [gedaagde5] betwist dat hij zich persoonlijk heeft verbonden tot nakoming van de verplichtingen van Mi Castillo-Rheu Spa uit de optie koopovereenkomst. Hij voert daartoe aan dat hij door de ondertekening van de overeenkomst door [gedaagde1] niet persoonlijk kan zijn gebonden. Daar tegenover stelt [eiser] dat hij op grond van verklaringen en gedragingen van [gedaagde1] en [gedaagde5] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde5] daartoe aan [gedaagde1] toereikende volmacht had verleend. Nu [gedaagde5] dit bestrijdt, zal [eiser] bewijs voor die stelling dienen te leveren.

4.3.3. Indien [eiser] in het voormelde bewijs slaagt, staat daarmee vast dat [gedaagde5] zich hoofdelijk heeft verbonden tot nakoming van de verplichtingen uit de optie koopovereenkomst indien Mi Castillo-Rheu Spa die verplichtingen niet kan nakomen. Door [gedaagde5] is immers niet gesteld dat hij bij het aangaan van de borg niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf zou hebben gehandeld, zodat het bestaan van de borgtocht ook door andere middelen dan een door hem ondertekend geschrift kan worden bewezen.

4.3.4. [gedaagde2] betwist eveneens dat hij zich persoonlijk heeft verbonden tot nakoming van de verplichtingen van Mi Castillo-Rheu Spa uit de optie koopovereenkomst. Hij voert daartoe aan dat hij geen partij is bij de optie koopovereenkomst en dat Mi Castillo-Rheu Spa noch [gedaagde1] bevoegd was hem te vertegenwoordigen. Daarnaast doet [gedaagde2] een beroep op de vernietiging van de rechtshandeling op grond van artikel 1:88 BW jo. artikel 1:89 BW bij brief van zijn echtgenote van 25 september 2005.

4.3.5. In reactie op het eerste verweer van [gedaagde2] stelt [eiser] dat hij op grond van verklaringen en gedragingen van [gedaagde1] en [gedaagde2] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde2] daartoe aan [gedaagde1] toereikende volmacht hadden verleend. Voorts bestrijdt [eiser] dat de vernietiging van de borgstelling door de echtgenote van [gedaagde2] het daarmee beoogde rechtsgevolg heeft. Hij stelt daartoe dat de rechtshandeling geen toestemming van de echtgenote van [gedaagde2] behoefde, omdat [gedaagde2] handelde als professionele speler op de projectontwikkelingsmarkt.

4.3.6. Nu [gedaagde2] betwist dat [gedaagde1] bevoegd was hem te vertegenwoordigen dient [eiser] in beginsel bewijs te leveren van zijn stelling dat hij op grond van verklaringen en gedragingen van [gedaagde1] en [gedaagde2] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde2] daartoe aan [gedaagde1] toereikende volmacht had verleend. Dit bewijs kan echter achterwege blijven nu het beroep van [gedaagde2] op de vernietiging van de borgstelling door zijn echtgenote slaagt. Hoofdregel is immers dat een echtgenoot die zich verbindt als borg de toestemming van de andere echtgenoot behoeft. Het ligt derhalve op de weg van [eiser] voldoende feiten of omstandigheden te stellen waaruit volgt dat in het onderhavige geval een uitzondering op deze hoofdregel geldt en de toestemming van de echtgenote van [gedaagde2] niet was vereist. Door enkel te stellen dat [gedaagde2] handelde als professionele speler op de projectontwikkelingsmarkt heeft [eiser] daaraan niet voldaan. Daargelaten dat hij deze stelling niet heeft gemotiveerd, volgt zonder toelichting daaruit immers niet dat [gedaagde2] zich in de normale uitoefening van zijn beroep en bedrijf als borg voor een schuld van Mi Castillo-Rheu Spa heeft verbonden. De bedoelde toelichting ontbreekt en andere gronden die meebrengen dat de door de echtgenote van [gedaagde2] ingeroepen vernietiging rechtsgevolg ontbeert, zijn niet door [eiser] gesteld.

4.3.7. Op grond van het vorenstaande wordt de gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde2] uit hoofde van artikel 6 sub A van de optie koopovereenkomst verworpen.

4.4. het grensoverschrijdend karakter van het gestelde onrechtmatig handelen

Het gestelde onrechtmatige handelen van [gedaagden samen] kan niet los worden gezien van de deelname van [eiser] aan het project te Spanje en het in het kader daarvan door [eiser] naar de vestiging van Mi Castillo-Rheu Spa in Spanje overgemaakte geld. Hiermee is gegeven dat het gestelde onrechtmatig handelen een grensoverschrijdend karakter heeft. Naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt een vordering uit onrechtmatige daad, behoudens rechtskeuze, in beginsel beheerst door het recht van het land waar de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden. Deze regel is ook neergelegd in art. 3 lid 1 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD).

4.5. de vordering uit onrechtmatige daad tegen [gedaagde1] en [gedaagde2]

4.5.1. [eiser] en [gedaagde2] hebben uitdrukkelijk gekozen voor toepasselijkheid van Nederlands recht. [gedaagde1] heeft voor toepasselijkheid daarvan gekozen indien deze rechtbank zich bevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen. Aan deze voorwaarde is ten aanzien van de vordering tegen [gedaagde1] uit onrechtmatige daad voldaan. Ingevolge artikel 6 WCOD is op grond van deze rechtskeuze op de vordering uit onrechtmatige daad tegen [gedaagde1] en [gedaagde2] Nederlands recht van toepassing.

4.5.2. [gedaagde1] en [gedaagde2] betwisten ieder dat zij onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld. Zij voeren daartoe aan dat zij te goeder trouw zijn geweest en dat het feit dat Mi Castillo-Rheu Spa haar verplichtingen jegens [eiser] niet kan nakomen is veroorzaakt door [gedaagde5]. [gedaagde5] heeft, zo stellen [gedaagde1] en [gedaagde2], geld, waaronder de inleg van [eiser], dat door Mi Castillo-Rheu Spa aan hem was overgemaakt zich wederrechtelijk toegeëigend. Dit geld is naar [gedaagde5] overgemaakt ten einde de benodigde en overeengekomen kapitaalverzekering af te sluiten. [gedaagde1] en [gedaagde2] hebben daarvan aangifte gedaan bij de Duitse autoriteiten. De gestelde gedragingen van [gedaagde5] zijn niet door [eiser] weersproken en sluiten aan bij hetgeen [eiser] omtrent [gedaagde5] heeft gesteld. In dit licht bezien heeft [eiser] het door hem gestelde onrechtmatige handelen van [gedaagde1] en [gedaagde2] onvoldoende gemotiveerd. Niet gesteld is immers dat [gedaagde1] en [gedaagde2] voormelde gedraging van [gedaagde5] hebben voorzien of behoorden te voorzien. Voorts volgt uit hetgeen [eiser] ter adstructie van het onrechtmatig handelen van onder meer [gedaagde1] en [gedaagde2] heeft aangevoerd niet dat [gedaagde1] en/of [gedaagde2], los van voormelde gedraging van [gedaagde5], bekend was of behoorde te zijn met het bestaan van een kans dat [eiser] door de gemaakte reclame, het sluiten van de optie koopovereenkomst en/of de uitvoering daarvan de gestelde schade zou worden toegebracht en dat die kans [gedaagde1] en/of [gedaagde2] had behoren te weerhouden van medewerking daaraan.

4.5.3. Op grond van het vorenstaande wordt de gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde1] en [gedaagde2] uit hoofde van onrechtmatig handelen jegens [eiser] verworpen. Mede gelet op hetgeen onder 4.3.7 is overwogen volgt hieruit dat de vordering tegen [gedaagde1], voor zover de rechtbank bevoegd is daarvan kennis te nemen, en de vordering tegen [gedaagde2] voor afwijzing gereed liggen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van de hoofdzaak tegen [gedaagde2] en [gedaagde1].

4.6. de vordering uit onrechtmatige daad tegen [gedaagde5] en [gedaagde6]

4.6.1. [eiser], [gedaagde5] en [gedaagde6] hebben uitdrukkelijk gekozen voor toepasselijkheid van Nederlands recht. Ingevolge artikel 6 WCOD is op grond van deze rechtskeuze op de vordering uit onrechtmatige daad tegen [gedaagde5] en [gedaagde6] Nederlands recht van toepassing.

4.6.2. Uit het feit dat [eiser] de onder 4.5.2. vermelde gedragingen van [gedaagde5] niet heeft weersproken en zijn beroep op de aangifte tegen [gedaagde5] en de strafrechterlijke veroordeling van [gedaagde5] leidt de rechtbank af dat de stelling van [eiser] dat [gedaagde6] zich onrechtmatig geld heeft toegeëigend, waardoor [eiser] schade heeft geleden, berust op een kennelijke verschrijving en dat [eiser] kennelijk bedoeld te stellen dat [gedaagde5] dat heeft gedaan.

4.6.3. [gedaagde6] betwist dat hij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en voert als verweer aan dat hij op geen andere wijze bij het project betrokken is geweest dan als adviseur van zijn zoon, [gedaagde5]. [eiser] heeft daartegen slechts aangevoerd dat [gedaagde6] van de hoed en de rand wist en de zaak dirigeerde. Voor zover [eiser] daarmee heeft bedoeld te betogen dat [gedaagde6] de gedragingen van [gedaagde5] en/of andere gedaagden heeft bepaald, is die stelling niet gemotiveerd en dient deze derhalve verworpen te worden. Onder deze omstandigheden kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden ingezien dat [gedaagde6] een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de deelname van [eiser] aan het project, het sluiten van de optie koopovereenkomst en/of de financiële gang van zaken binnen Mi Castillo-Rheu Spa.

4.6.4. Op grond van het vorenstaande wordt het door [eiser] gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde6] verworpen. De vordering tegen hem ligt derhalve eveneens voor afwijzing gereed. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de hoofdzaak tegen [gedaagde6].

4.6.5. [gedaagde5] betwist niet dat hij geld uit het project heeft ontvangen en dat hij in Duitsland strafrechterlijk is veroordeeld. Wel betwist hij dat specifiek de inleg van [eiser] aan hem is overgemaakt, dat de strafzaak in Duitsland verband houdt met de optie koopovereenkomst tussen [eiser] en Mi Castillo-Rheu Spa en dat het mislukken van het project aan zijn gedragingen is te wijten. Tevens betwist dat hij voor deze procedure kennis heeft genomen van de optie overeenkomst.

4.6.6. Indien komt vast te staan dat [gedaagde5] zich door Mi Castillo-Rheu Spa aan hem overgemaakt geld onrechtmatig heeft toegeëigend levert dat handelen niet zonder meer een onrechtmatige daad jegens [eiser] op. Daarvoor is vereist dat die gedraging van [gedaagde5] in de betreffende omstandigheden een feitencomplex oplevert dat in de verhouding tot [eiser] zelfstandig aan één van de onrechtmatigheidscriteria van art. 162 lid 2 BW voldoet. Naar het oordeel van de rechtbank zal daarvan eerst sprake zijn indien Mi Castillo-Rheu Spa door die onrechtmatige toeëigening haar verplichtingen jegens [eiser] niet kan/kon nakomen en [gedaagde5] dat ten tijde van die onrechtmatige toeëigening voorzag of behoorde te voorzien. Daarbij is niet van belang of het geld dat [gedaagde5] zich zou hebben toegeëigend specifiek de inleg van [eiser] betrof.

4.6.7. Gelet op het vorenstaande zal [eiser] dienen te bewijzen dat [gedaagde5] zich door Mi Castillo-Rheu Spa aan hem overgemaakt geld onrechtmatig heeft toegeëigend en dat Mi Castillo-Rheu Spa daardoor haar verplichtingen jegens [eiser] niet kan/kon nakomen, hetgeen [gedaagde5] ten tijde van de onrechtmatige toeeïgening voorzag of behoorde te voorzien. [eiser] zal ambtshalve in de gelegenheid worden gesteld dit bewijs te leveren.

4.6.8. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat het afschrift van het vonnis van de Duitse strafrechter dat door [gedaagde2] is overgelegd [eiser] niet tot bewijs kan dienen zolang [gedaagde5] geen afschrift daarvan heeft ontvangen en daarop heeft kunnen reageren. Hieraan is vooralsnog niet voldaan nu [gedaagde5] geen wederpartij van [gedaagde2] is en hij derhalve geen afschrift van het processtuk met die productie heeft ontvangen.

4.6.9. Indien [eiser] in het vorenbedoelde bewijs slaagt, staat daarmee het onrechtmatig handelen van [gedaagde5] jegens [eiser] en zijn aansprakelijkheid voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden vast. Indien [eiser] niet in dat bewijs slaagt dient het door hem gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde5] als onvoldoende gemotiveerd verworpen te worden. Indien ondanks de betwisting van [gedaagde5] al zou komen vast te staan dat hij heeft meegewerkt aan de voor het project gemaakte reclame, het sluiten van optie koopovereenkomst en/of de uitvoering daarvan, blijkt uit de stellingen van [eiser] immers niet dat [gedaagde5] bekend was of behoorde te zijn met het bestaan van een kans dat [eiser] daardoor de gestelde schade zou worden toegebracht en dat die kans hem had behoren te weerhouden van vorenbedoelde medewerking.

4.7. de vordering uit onrechtmatige daad tegen [gedaagde3] en [gedaagde4]

4.7.1. Niet gebleken is van een rechtskeuze van [gedaagde3] en [gedaagde4]. De keuze van [eiser] voor Nederlands recht is op grond van het bepaalde in artikel 6 WCOD onvoldoende om dat recht toe te passen.

4.7.2. Door [eiser] gestelde alhier geleden vermogensschade is onvoldoende om toepassing van de in het tweede lid van artikel 3 WCOD neergelegde uitzondering op de voormelde hoofdregel te rechtvaardigen.

4.7.3. Uit de stellingen [eiser] blijkt vooralsnog onvoldoende in welke Staat het onrechtmatig handelen van [gedaagde3] en [gedaagde4] heeft plaatsgevonden. Niet duidelijk is derhalve welk recht op de vordering uit onrechtmatige daad jegens [gedaagde3] en [gedaagde4] dient toe worden toegepast. [eiser] zal zich daarover nader dienen uit te laten. Voor zover [eiser] concludeert dat een ander dan het Nederlands recht van toepassing is, dient hij zich daarbij tevens uit te laten over de inhoud van dat recht dat relevant is voor de op onrechtmatige daad gebaseerde vordering.

4.8. voortgang van de procedure

4.8.1. Uit proceseconomische overwegingen zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld het onder 4.6.7 bedoelde bewijs tegelijk met het onder 4.3.2 bedoelde bewijs te leveren. Na die bewijslevering zal [eiser] zich dienen uit te laten als vermeld onder 4.7.3.

4.8.2. Uit het oogpunt van proceseconomie, waaronder de wenselijkheid van concentratie van de procedure en beperking van het aantal in te stellen rechtsmiddelen, ziet de rechtbank ervan af de afwijzing van de vorderingen tegen [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde6] in een deelvonnis neer te leggen.

4.8.3. Elke nadere beslissing wordt aangehouden totdat voormelde bewijslevering heeft plaatsgevonden en [eiser] zich heeft uitgelaten als hiervoor bedoeld.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering tegen [gedaagde1] voor zover die is gebaseerd op artikel 6 sub A van de optie koopovereenkomst;

verklaart zich voor het overige bevoegd kennis te nemen van de vordering tegen [gedaagde1],

bepaalt dat partijen ieder de eigen kosten van het incident dienen te dragen,

in de hoofdzaak

draagt [eiser] op te bewijzen, desgewenst door middel van getuigen:

a. dat hij op grond van verklaringen en gedragingen van [gedaagde1] en [gedaagde5] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde5] aan [gedaagde1] toereikende volmacht had verleend om [gedaagde5] hoofdelijk te verbinden tot nakoming van de verplichtingen van Mi Castillo-Rheu Spa uit de optie koopovereenkomst,

althans,

b. dat [gedaagde5] zich door Mi Castillo-Rheu Spa aan hem overgemaakt geld onrechtmatig heeft toegeëigend en dat Mi Castillo-Rheu Spa daardoor haar verplichtingen jegens [eiser] niet kan/kon nakomen, hetgeen [gedaagde5] ten tijde van de onrechtmatige toeeïgening voorzag of behoorde te voorzien.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 5 september 2007 om [eiser] in de gelegenheid te stellen alsdan

bij akte bewijsstukken over te leggen

en/of

de namen en woonplaatsen van de voor te brengen getuigen op te geven en de verhinderdata van die getuigen en van beide partijen en hun raadslieden in de daaropvolgende vier maanden mede te delen;

bepaalt dat het eventuele getuigenverhoor zal worden gehouden voor mr. J. Visser, die daartoe zal overgaan op een nader te bepalen datum en tijdstip in het gebouw van de rechtbank aan het Steegoversloot 36 te Dordrecht;

bepaalt dat [eiser] zich na de bewijslevering dient uit te laten als vermeld onder 4.7.3;

houdt elke nadere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Visser en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2007.