Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB1157

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
27-07-2007
Datum publicatie
06-08-2007
Zaaknummer
Awb 07/25
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht heeft een aanvraag gedaan om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Regeling eenmalige uitkering spoorse doorsnijding. Het project waarvoor eiser deze uitkering heeft aangevraagd betreft de realisatie van een park met een waterpartij, paden en sportvoorzieningen en aanpassingen van ontsluitingswegen boven het spoorwegtracé van de Betuweroute daar waar de Vinexlocatie "De Volgerlanden" wordt ontwikkeld. De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het niet voldoet aan het criterium dat het een bijdrage moet leveren aan de stedelijke bereikbaarheid. Voor dit criterium is bepalend dat het project leidt tot opheffing of vermindering van de barrierewerking van de spoorweginfrastructuur.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat met betrekking tot het project geen sprake is van opheffing of vermindering van de barrièrewerking als bedoeld in de Regeling. De in de toelichting van bijlage 2 gegeven voorbeelden kunnen niet als uitputtend worden beschouwd, maar hieruit blijkt wel dat het dient te gaan om opheffing of vermindering van een feitelijke barrière. Met de bestaande spoortunnel van de Betuweroute is de feitelijke barrièrewerking reeds opgeheven. Het project van eiser houdt verband met de beperking van de gebruiksmogelijkheden van de gronden gelegen boven de spoortunnel, nu op een strook van circa 130 meter niet gebouwd kan worden. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt voor de door eiser voorgestane ruime uitleg van het begrip barrièrewerking. Het project voldoet derhalve niet aan het criterium dat het een bijdrage levert aan de stedelijke bereikbaarheid.

Wetsverwijzingen
Financiële-verhoudingswet 17, geldigheid: 2007-07-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/25

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, eiser,

gemachtigden: M. Schenk en drs. G.H.M. Knippenborg, werkzaam bij de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigden: mr. C. van der Sluis en drs. N. Smith, werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 25 juli 2006 eisers aanvraag voor een uitkering op grond van de Regeling eenmalige uitkering spoorse doorsnijdingen afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 september 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 27 november 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 januari 2007, ingekomen op 8 januari 2007, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

De zaak is op 9 juli 2007 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiser is verschenen bij gemachtigden.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet kunnen eenmalige specifieke uitkeringen worden geregeld bij ministeriële regeling.

Krachtens bovenvermelde bepaling is vastgesteld de Regeling eenmalige uitkering spoorse doorsnijdingen (Stcrt. 2006, nr. 37) (hierna: de Regeling).

In artikel 1, onder c, van de Regeling is bepaald dat in deze regeling wordt verstaan onder project: project gericht op het opheffen of verminderen van knelpunten rondom het spoor met betrekking tot stedelijke bereikbaarheid en/of een verbetering van de kwaliteit van leefomgeving en/of een verbetering van de veiligheid en/of een positief effect op het spoorgebruik.

In artikel 2 van de Regeling is bepaald dat de minister op aanvraag een eenmalige specifieke uitkering ten behoeve van een project kan verstrekken aan gemeenten die aan het spoor gelokaliseerd zijn.

In artikel 7 van de Regeling is het volgende bepaald:

1. Na het verstrijken van de periode van indiening, bedoeld in artikel 5, worden de aanvragen in rangorde geplaatst. Daarbij worden de aanvragen beoordeeld naar de mate waarin de voorgestelde projecten voldoen aan de volgende criteria:

a. de bijdrage aan stedelijke bereikbaarheid;

b. de bijdrage aan kwaliteit van leefomgeving;

c. de bijdrage aan veiligheid;

d. de bijdrage aan het spoorgebruik.

2. De criteria bedoeld in het eerste lid, zijn nader uitgewerkt in bijlage 2 bij deze regeling.

3. Om in de rangorde te kunnen worden opgenomen dient het project in ieder geval een bijdrage te leveren aan de stedelijke bereikbaarheid en een bijdrage aan een van de andere criteria bedoeld in het eerste lid. (...)

7. De minister wijst de resterende aanvragen af.

In bijlage 2 van de Regeling staat vermeld dat voor wat betreft het criterium stedelijke bereikbaarheid wordt bezien in hoeverre het project de barrièrewerking van de spoorweginfrastructuur vermindert of opheft.

1. In hoeverre worden nieuwe of bestaande woonwijken beter ontsloten?

2. In hoeverre worden stedelijke voorzieningen beter ontsloten?

3. In hoeverre wordt de relatie tussen functioneel samenhangende stedelijke gebieden verbeterd?

4. In hoeverre wordt de capaciteit en doorstroming van het onderliggende wegennet verbeterd? Dit element wordt vertaald in wachttijden voor weggebruikers onder te verdelen in gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen en andere weggebruikers.

2.2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de afwijzing van eisers aanvraag gehandhaafd. Verweerder heeft, kort samengevat, overwogen dat het project niet voor de eenmalige uitkering in aanmerking komt, omdat het niet voldoet aan het criterium dat het een bijdrage moet leveren aan de stedelijke bereikbaarheid. Het project leidt naar verweerders mening niet tot een opheffing of vermindering van de barrièrewerking van de spoorweginfrastructuur.

2.3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Daartoe heeft hij, kort gezegd, gesteld dat het project voldoet aan de doelstelling en criteria van de Regeling, zodat verweerder de aanvraag voor subsidie niet heeft kunnen afwijzen op grond van de in het besluit weergegeven argumenten. Eiser is van mening dat in het project sprake is van een gebied waarop geen bebouwing mag plaatsvinden. Als zodanig is er sprake van een barrièrewerking die dient te verdwijnen.

2.4. De rechtbank overweegt het volgende.

Eisers aanvraag heeft betrekking op het voormalige tuinbouwgebied in de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht waar de Vinexlocatie onder de naam 'De Volgerlanden' wordt ontwikkeld. Het reeds gerealiseerde spoorwegtracé van de Betuweroute is, voor zover het deze Vinexlocatie doorsnijdt, volledig ondertunneld. Het te ontwikkelen project betreft de realisatie van een park (het Sophiapark) met een groene kern als basis die wordt voorzien van twee groene uitlopers die zich zullen uitstrekken boven het spoorwegtracé. Verder voorziet het project in de aanleg van een waterpartij, een promenade en paden. In het park zullen sportvoorzieningen, bestaande uit een sporthal met 3 sportvelden, worden aangelegd. De ontsluitingswegen 'Laan van Welhorst' en 'Sophialaan' zullen worden aangepast en 'de Krommeweg' zal worden gereconstrueerd.

Tussen partijen is in geschil of dit project een bijdrage levert aan de stedelijke bereikbaarheid zoals bedoeld in de Regeling. Als toelichting op dit criterium staat in bijlage 2 van de Regeling vermeld dat daartoe wordt bezien in hoeverre het project de barrièrewerking van de spoorweginfrastructuur vermindert of opheft. In de toelichting op bijlage 2 van de Regeling is vermeld dat bij het verminderen van de barrièrewerking gedacht kan worden aan bijvoorbeeld een verdiepte ligging van de spoorweginfrastructuur, tunnels voor verkeer onder het spoor door, voetgangersbruggen of viaducten, maar ook het deels verwijderen van ongebruikte spoorweginfrastructuur. Het opheffen van de barrièrewerking kan alleen als het spoor 'verdwijnt', bijvoorbeeld doordat een tunnel wordt aangelegd waar het spoor in komt te liggen (onder de grond en bedekt) of dat ongebruikte spoorweginfrastructuur wordt verwijderd.

Ter beoordeling staat hoe het hiervoor bedoelde begrip barrièrewerking moet worden uitgelegd. Weliswaar kunnen de in de toelichting van bijlage 2 gegeven voorbeelden niet als uitputtend worden beschouwd, maar hieruit blijkt wel dat het dient te gaan om opheffing of vermindering van een feitelijke barrière. Zoals hiervoor is aangegeven, is met de bestaande spoortunnel van de Betuweroute deze feitelijke barrièrewerking reeds opgeheven. Het project van eiser houdt verband met de beperking van de gebruiksmogelijkheden van de gronden gelegen boven de spoortunnel, nu op een strook van circa 130 meter niet gebouwd kan worden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor de door eiser voorgestane ruime uitleg van het begrip barrièrewerking. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hier geen sprake is van opheffing of vermindering van de barrièrewerking als bedoeld in de Regeling. Het project voldoet derhalve niet aan het criterium dat het een bijdrage levert aan de stedelijke bereikbaarheid.

Voor eisers stelling dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid ziet de rechtbank geen aanleiding. Uit het bestreden besluit komt duidelijk naar voren dat de brief van 19 oktober 2006 (met bijlagen) is betrokken in de besluitvorming.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder eisers aanvraag terecht afgewezen op grond van artikel 7, derde lid juncto zevende lid, van de Regeling.

Het beroep is derhalve ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr.W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. M.G.L. de Vette en J.A.M. van den Berk, leden, en door de voorzitter en E. Naaijen-van Kleunen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.