Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB0639

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
26-07-2007
Datum publicatie
30-07-2007
Zaaknummer
70497 KG ZA 07-118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Contractueel of wettelijk retentierecht niet aannemelijk. Veroordeling tot staking van beroep op retentierecht in kort gedingis geen declaratoir vonnis. Vorderingen in reconventie ondanks tijdstip waarop deze kenbaar zijn gemaakt toelaatbaar.

Geldvordering: Geen eis in de hoofdzaak ex art. 700 lid 3 Rv. Conservatoir derdenbeslag daardoor vervallen. Desalniettemin recht op en belang bij veroordeling tot opheffing van dat beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 70497 / KG ZA 07-118

Vonnis in kort geding van 26 juli 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DAAN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. M.L. Veldhuijzen,

advocaat mr. M.J.H. Vermeeren te Den Haag,

tegen

[gedaagde],

wonende te Dordrecht,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. V.J. Groot,

advocaat mr. M.H.G. Plieger te Nieuwegein.

Partijen zullen hierna Daan en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. De voorzieningenrechter heeft ter terechtzitting van 5 juli 2007 kennis genomen van de volgende processtukken:

- de dagvaarding 7 juni 2007,

- de pleitnota van Daan,

- de pleitnota van [gedaagde],

- de eis in reconventie,

- de door partijen overgelegde producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Daan drijft een onderneming in het veilen van (roerende) zaken via internet en maakt taxaties en bedrijfswaarderingen.

2.2. [gedaagde] heeft zaken die door Daan werden geveild (verder: veilingobjecten) vervoerd en soms de opslag, het bezemschoon maken en het uitleveren van de veilingobjecten verzorgd. In verband hiermee heeft Daan [gedaagde] toegang gegeven tot een besloten gedeelte van de website van Daan met haar klantenbestand.

2.3. Tussen partijen is verschil van mening ontstaan over de vraag wie voor vorenbedoelde werkzaamheden als opdrachtgever van [gedaagde] dient te worden aangemerkt en hetgeen [gedaagde] uit hoofde van in opdracht van Daan uitgevoerde werkzaamheden heeft te vorderen.

2.4. Vanaf 13 april 2007 houdt [gedaagde] veilingobjecten met een beroep op retentierecht onder zich.

2.5. De openstaande facturen van [gedaagde] aan Daan bedragen thans in totaal in ieder geval € 87.567,10. Daarvan worden facturen met een totaalbedrag van € 16.687,55 niet door Daan bestreden.

2.6. [gedaagde] is met behulp van de website veilingpartners.nl. een onderneming gaan drijven die gelijk is aan de onderneming van Daan. Ter promotie van zijn veilingsite heeft [gedaagde] op of omstreeks 15 mei 2007 e-mails verzonden.

2.7. Met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft Daan op 24 mei 2007 ten laste van [gedaagde] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de ABN AMRO Bank N.V., zulks tot zekerheid van verhaal van een vordering tot schadevergoeding.

3. Het geschil in conventie

3.1. Daan vordert samengevat -:

a. [gedaagde] te veroordelen het beroep op het retentierecht binnen twee dagen na het wijzen van dit vonnis te staken en al het mogelijke te doen om alle onder het retentierecht vastgehouden veilingobjecten vrij te geven, althans in goede justitie de te stellen zekerheid te bepalen waardoor het beroep op retentierecht binnen twee dagen moet worden gestaakt, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

b. [gedaagde] te veroordelen tot restitutie van alle door [gedaagde] van Daan ontvreemde activa waaronder (delen van) de database en de know how van Daan en het staken van het gebruik daarvan binnen twee dagen na het wijzen van dit vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

c. [gedaagde] te veroordelen inlichtingen aan Daan te verstrekken ter zake van veilingobjecten als bedoeld in alinea 7 van de dagvaarding, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

d. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, alsmede in de nakosten tot een bedrag van € 199,- en in de beslagkosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagde] vordert samengevat -:

1) Daan te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] te voldoen een bedrag van € 16.687,55, vermeerderd met wettelijke rente;

2) Daan te veroordelen binnen drie dagen na betekening van dit vonnis alle ten laste van [gedaagde] gelegde (derde)beslagen, waaronder het derdebeslag onder ABN AMRO op te heffen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

3) Daan te veroordelen tot integrale vergoeding van de kosten van deze procedure nader op te maken bij staat, althans tot vergoeding conform het liquidatietarief met inbegrip van de na het vonnis verschuldigde nakosten, in totaal begroot op € 273,-, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de 15de dag na dagtekening van dit vonnis.

4.2. Daan voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

het retentierecht

5.1. Daan stelt zich primair op het standpunt dat [gedaagde] geen retentierecht toekomt. [gedaagde] bestrijdt dat en stelt dat hij zowel op grond van algemene voorwaarden, die ter hand zijn gesteld, als op grond van de wet het recht van retentie toekomt. [gedaagde] doet daarbij een beroep op de Fenex-voorwaarden en een stuk met de titel “Daan veilingen, projectplan nov. 2004” en stelt dat dit stuk in overleg met Daan is opgesteld. Tegenover de betwisting van Daan heeft [gedaagde] het laatste echter niet onderbouwd, zodat de in dat stuk vermelde toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden niet kan worden aangenomen. Andere gronden voor de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden zijn niet door [gedaagde] gesteld.

5.2. Niet in geschil is dat [gedaagde] voor Daan het vervoer van veilingobjecten verzorgde. Aannemelijk is derhalve dat [gedaagde] de zaken die hij met het beroep op retentierecht weigert vrij te geven in verband met vervoersovereenkomsten onder zich heeft gekregen. Een andere reden voor het feit dat [gedaagde] veilingobjecten van Daan onder zich heeft is niet gesteld. Ingevolge artikel 8:1131 lid 2 BW kan [gedaagde] een retentierecht op zaken die hij in verband met vervoersovereenkomsten onder zich heeft slechts uitoefenen voor hetgeen aan hem verschuldigd is of zal worden ter zake het vervoer van die zaken. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat vorderingen van [gedaagde] uit hoofde van andere werkzaamheden, zoals het bezemschoon maken en opslag, daar onder vallen. Daarnaast is wel sprake van openstaande facturen voor vervoer, maar tegenover de betwisting van Daan heeft [gedaagde] niet aannemelijk gemaakt dat die facturen betrekking hebben op vervoer van zaken die hij thans onder zich houdt.

5.3. Op grond van het vorenstaande is aannemelijk dat [gedaagde] uit hoofde van zijn vordering uit de openstaande facturen geen retentierecht toekomt. Het algemene opschortingsrecht van artikel 6:52 BW kan daar niet aan af doen nu voor de zaken die [gedaagde] onder zich heeft artikel 8:1131 BW als lex specialis moet worden beschouwd. Vordering sub a dient derhalve te worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom aan na te melden maximum zal worden gebonden. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd houdt die beslissing geen declaratoir vonnis in. Dat [gedaagde] bij wijze van ordemaatregel de uitoefening van een bevoegdheid dient te staken, houdt immers nog niet in dat een rechtstoestand tussen partijen wordt vastgesteld. Evenmin is sprake van een beslissing over de in geschil zijnde vordering van [gedaagde] op Daan, die partijen in de bodemprocedure bindt.

onrechtmatig handelen

5.4. Daan stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door ten behoeve van zijn nieuwe onderneming gebruik te maken van de know how van Daan en van e-mailadressen uit het klantenbestand van Daan dat zich bevindt in de database van Daan waartoe zij [gedaagde] toegang had gegeven en welk klantenbestand [gedaagde] zich kennelijk heeft toegeëigend. [gedaagde] bestrijdt niet dat hij uit de samenwerking met Daan verkregen know how gebruikt, maar wel dat hij daarmee onrechtmatig jegens Daan handelt. Voorts betwist [gedaagde] dat hij zich delen van de database van Daan heeft toegeëigend en/of e-mailadressen uit het klantenbestand van Daan voor de promotie van zijn veilingsite gebruikt.

5.5. Know how is niet vatbaar voor restitutie als door Daan gevorderd. Voorts staat het [gedaagde] vrij Daan concurrentie aan te doen en is het gebruik dat hij daarbij maakt van know how die gedurende de samenwerking met Daan is verkregen slechts in bijzondere omstandigheden onrechtmatig jegens Daan. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn niet door Daan gesteld.

5.6. Daan heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen dat [gedaagde] het klantenbestand in haar database en/of andere activa heeft ontvreemd. Niet gesteld is immers dat Daan zelf niet langer toegang tot dat bestand heeft en/of andere activa mist.

5.7. Daan heeft bij haar productie 17 en 18 uitdraaien van e-mails overgelegd waarvan het e-mailadres volgens opgave van de geadresseerden uitsluitend aan Daan is verstrekt. Onder deze omstandigheden lag het op de weg van [gedaagde] om zijn verweer dat hij de voor de promotie gebruikte e-mailadressen niet via Daan heeft verkregen, nader te onderbouwen. Nu [gedaagde] dat heeft nagelaten is voldoende aannemelijk dat hij e-mailadressen uit het klantenbestand van Daan heeft gekopieerd en/of heeft gebruikt voor de promotie van zijn veilingsite. Aannemelijk is derhalve dat [gedaagde] de aan hem verleende toegang tot het klantenbestand van Daan heeft gebruikt voor andere doeleinden dan deze aan hem was verschaft, zulks ten nadele van Daan en ten behoeve van zichzelf. Dit onrechtmatig handelen van [gedaagde] rechtvaardigt een veroordeling tot het staken van het gebruik van het klantenbestand van Daan.

5.8. Op grond van het vorenstaande zal vordering sub b als na te melden worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal daarbij worden gematigd en aan een maximum worden gebonden als na te melden.

verstrekken van inlichtingen

5.9. In alinea 7 van de dagvaarding heeft Daan gesteld dat onduidelijk is of bepaalde veilingobjecten door [gedaagde] zijn vervoerd dan wel dat deze nog bij [gedaagde] in opslag staan. Ter zitting zijn partijen niet ingegaan op de vordering van Daan om inlichtingen daarover te verstrekken. Wel heeft Daan verklaard te weten welke veilingobjecten die [gedaagde] jegens Daan tot afgifte is verplicht door [gedaagde] onder zich wordt gehouden. Hieruit volgt dat Daan geen belang meer heeft bij het onder c gevorderde, zodat deze vordering dient te worden afgewezen.

kosten

5.10. Daan maakt aanspraak op vergoeding van de kosten van het door haar ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoir derdenbeslag onder de ABN AMRO Bank N.V.. Voor vergoeding van die kosten is slechts plaats indien aan de formaliteiten voor het leggen van het betreffende beslag is voldaan. Dit is niet aannemelijk nu Daan zich op het standpunt stelt dat het onderhavig kort geding als de hoofdzaak moet worden beschouwd, maar in dit kort geding geen vordering is ingesteld die strekt tot het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening aan de vordering ter verzekering waarvan het conservatoir beslag is gelegd. Hieruit volgt dat de voor het onderhavige beslag voorgeschreven termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak niet in acht is genomen. De door Daan gevorderde vergoeding van beslagkosten dient derhalve afgewezen te worden.

5.11. [gedaagde] zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Daan worden begroot op:

- dagvaarding € 70,85

- vast recht € 251,00

- salaris procureur € 816,00

Totaal € 1.137,85

Wettelijke rente over de proceskosten is [gedaagde] eerst verschuldigd wanneer hij met de voldoening van de proceskosten in verzuim is. Aangezien de proceskosten eerst na de uitspraak van dit vonnis verschuldigd worden, zal de daarover gevorderde wettelijke rente derhalve eerst vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis worden toegewezen.

5.12. De gevorderde veroordeling in de nakosten en vaststelling daarvan dient op grond van artikel 237 lid 3 jo lid 4 Rv afgewezen te worden.

6. De beoordeling in reconventie

de toelaatbaarheid

6.1. Daan heeft zich verzet tegen toelating van de vorderingen in reconventie en daartoe aangevoerd dat deze vordering eerst kort voor de behandeling van het kort geding en derhalve te laat aan hem kenbaar is gemaakt. [gedaagde] bestrijdt dat de vorderingen in reconventie op grond van het tijdstip waarop deze aan Daan is kenbaar gemaakt niet toelaatbaar is.

6.2. In beginsel geldt voor een eis in reconventie in kort geding dat deze zoals in een bodemprocedure kan worden ingesteld bij antwoord. Dit kan echter anders zijn indien de toelating van de vordering in reconventie in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Daarvan zal met name sprake kunnen zijn indien door het moment waarop de vordering kenbaar wordt gemaakt en de aard van het kort geding de verweerder in kort geding onredelijk wordt bemoeilijkt in zijn verdediging. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie ligt dit niet voor de hand en door Daan is ook niet aannemelijk gemaakt dat dit geval zich voordoet. De advocaat van Daan heeft ter zitting meegedeeld geen behoefte te hebben aan de mogelijkheid de vordering met Daan te bespreken en is daar tijdens de zitting niet op teruggekomen.

6.3. Op grond van het vorenstaande wordt het verzet van Daan tegen de toelating van de vorderingen in reconventie verworpen.

geldvordering

6.4. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding moet het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening nodig moet zijn. Bij de afweging van de belangen van partijen dient daarnaast de vraag betrokken te worden naar het risico van de onmogelijkheid van terugbetaling.

6.5. [gedaagde] vordert betaling van het deel van de openstaande facturen dat niet door Daan wordt betwist. Daan heeft als verweer daartegen aangevoerd dat zij dit bedrag vrijwel volledig heeft voldaan en wel door middel van verrekening een vordering op [gedaagde] ter zake van drie openstaande facturen [gedaagde] van in totaal € 6.862,33 en een vordering op [gedaagde] uit hoofde van onverschuldigde betaling van € 9.052,33. Tegenover de betwisting van [gedaagde] heeft Daan deze tegenvorderingen echter niet onderbouwd, zodat de gegrondheid van haar beroep op verrekening niet kan worden aangenomen.

6.6. Tegen de gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119a BW heeft Daan geen verweer gevoerd.

6.7. Daan heeft niet bestreden dat [gedaagde], zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, door het onbetaald laten van zowel de betwiste als de onbetwiste facturen problemen ondervindt. Dit is voldoende om het vereiste spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening aan te kunnen nemen. Tegenover dit spoedeisend belang van [gedaagde] staat slechts een geringe restitutierisico dat Daan bij toewijzing van de vordering heeft. Immers de toe te wijzen vordering zelf wordt niet door Daan bestreden en daarnaast staat een groter bedrag aan bestreden facturen van [gedaagde] open dan het totaalbedrag van de door Daan gepretendeerde tegenvorderingen.

6.8. Op grond van het vorenstaande zal de geldvordering van [gedaagde] als na te melden worden toegewezen. Overeenkomstig de in zoverre niet bestreden vordering van [gedaagde] zal daarbij na te melden betalingsadres worden opgenomen.

opheffing van beslag

6.9. Gesteld noch gebleken is dat Daan ten laste van [gedaagde] een ander conservatoir beslag heeft doen leggen dan het op 24 mei 2007 gelegde conservatoir derdenbeslag onder ABN AMRO Bank N.V. Zowel [gedaagde] als Daan heeft zich op het standpunt gesteld dat het kort geding in conventie voor de vordering waarvoor dat beslag is gelegd als de hoofdzaak moet worden aangemerkt. In conventie is echter geen vordering ingesteld die strekt tot het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening aan de vordering ter verzekering waarvan dat conservatoir beslag is gelegd. Hieruit volgt dat de voor het onderhavige beslag voorgeschreven termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak niet in acht is genomen, zodat het beslag van rechtswege is komen te vervallen. De dagvaarding voor dit kort geding is echter aan ABN AMRO Bank N.V. overbetekend en van laatstgenoemde kan niet zonder meer worden verwacht dat zij zich een oordeel vormt over de vraag of sprake is van een eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 700 lid 3 Rv.. Dat het beslag van rechtswege is vervallen neemt derhalve niet weg dat [gedaagde] recht en belang heeft bij toewijzing van het onder 2 gevorderde voor het geval Daan in het onderhavige beslag mocht volharden. De gevorderde dwangsom zal aan een maximum worden gebonden.

kosten

6.10. Een rechtsgrond voor de vergoeding van de integrale kosten van deze procedure is niet door [gedaagde] gesteld en evenmin gebleken, zodat de daartoe strekkende vordering als ongegrond dient te worden afgewezen.

6.11. Daan zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil aan verschotten en € 408,- aan salaris van de procureur. Overeenkomstig de in zoverre niet bestreden vordering van [gedaagde] zal in de proceskostenveroordeling na te melden betalingsadres worden opgenomen;

6.12. De gevorderde veroordeling in de nakosten en vaststelling daarvan dient op grond van artikel 237 lid 3 jo lid 4 Rv afgewezen te worden.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. veroordeelt [gedaagde] het beroep op het retentierecht binnen twee dagen na de uitspraak van dit vonnis te staken en al het mogelijke te doen om alle onder het retentierecht vastgehouden veilingobjecten direct vrij te geven aan alle kopers c.q. opdrachtgevers van Daan en/of Daan;

7.2. bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom zal verbeuren van € 5.000,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat hij na betekening van dit vonnis in gebreke zal blijven aan de onder 7.1 vermelde veroordeling te voldoen, zulks tot een maximum van € 100.000,-;

7.3. veroordeelt [gedaagde] het gebruik van het klantenbestand uit de database van Daan binnen twee dagen na de uitspraak van dit vonnis te staken;

7.4. bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom zal verbeuren van € 5.000,- voor iedere keer dat hij in strijd handelt met de onder 7.3 vermelde veroordeling, zulks tot een maximum van € 100.000,-;

7.5. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Daan bepaald op € 1.137,85, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

in reconventie

7.6. veroordeelt Daan om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 16.687,55, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over de factuurbedragen waaruit dit bedrag is samengesteld, vanaf de vervaldata van de betreffende facturen tot de voldoening, zulks door overboeking op rekeningnummer ING Bank 68.45.14.508 ten name van de Stichting Beheer Derdengelden Van As advocaten te Nieuwegein;

7.7. veroordeelt Daan binnen drie dagen na betekening van dit vonnis het op 24 mei 2007 ten laste [gedaagde] onder ABN AMRO Bank N.V. gelegde conservartoir derdenbeslag op te heffen;

7.8. bepaalt dat Daan een dwangsom zal verbeuren van € 5.000,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat zij in gebreke blijft aan de onder 7.7 vermelde veroordeling te voldoen, zulks tot een maximum van € 100.000,-;

7.9. veroordeelt Daan in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 408,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening, te voldoen door overboeking op rekeningnummer ING Bank 68.45.14.508 ten name van Stichting Beheer Derdengelden Van As advocaten te Nieuwegein;

in conventie en reconventie

7.10. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.11. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Visser en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2007.