Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB0301

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
24-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
11/500736-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 27-jarige vrouw veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren terzake zware mishandeling, begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat juist zij, als persoon bij wie de kinderen zich veilig zouden moeten voelen, zich zo heeft misdragen. Dat een zodanige volstrekt onveilige thuissituatie de kinderen niet alleen fysiek, maar ook psychisch schade heeft toegebracht, is evident en blijkt ook wel uit de brief van Bureau Jeugdzorg Zuid Holland. Uit deze brief komt naar voren dat de kinderen extreem angstig en claimend gedrag vertonen naar hun directe opvoeders en zich krampachtig gedragen om maar bij de opvoeders in de gunst te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500736-06

Zittingsdata : 5 juni 2007 en 11 juli 2007

Uitspraak : 24 juli 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de gewijzigde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1980,

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I.V Huis van Bewaring Nieuwersluis, te Nieuwersluis.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

16 december 2004 tot en met 22 december 2006 te Gorinchem en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] (geboren op 19 maart 2002),

zijnde haar, verdachtes, (stief)kind,

(telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een breuk van de linker ellepijp (periode 01 oktober 2006 - 22 december 2006) en/of

- een fractuur aan het linker spaakbeen), heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] (telkens) opzettelijk

- te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of duwen tegen haar lichaam en/of

- krachtig aan haar onderarm(en) omhoog te trekken en/of

- stevig vast te pakken bij haar pols(en);

2.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

19 maart 2002 tot en met 22 december 2006 te Gorinchem en/of elders in

Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd

[slachtoffer 1] (geboren op 19 maart 2002), zijnde haar, verdachtes,

(stief)kind, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [slachtoffer 1] (telkens) opzettelijk

- te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of duwen tegen haar

lichaam en/of

- krachtig aan haar onderarm(en) omhoog te trekken en/of

- stevig vast te pakken bij haar pols(en),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

19 maart 2002 tot en met 22 december 2006 te Gorinchem en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 1]

(geboren op 19 maart 2002), zijnde haar, verdachtes, (stief)kind,

- heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of geduwd

tegen haar lichaam en/of

- krachtig aan haar onderarm(en) omhoog heeft getrokken en/of

- stevig heeft vastgepakt bij haar pols(en),

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

3.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

16 december 2004 tot en met 22 december 2006 te Gorinchem en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] (geboren op

16 december 2004), zijnde haar, verdachtes, (stief)kind,

(telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een botbreuk rechter grote teen en/of een afscheuring van het buitenste

gedeelte van het botuiteinde richting uiteinde rechter grote teen en/of een botbreuk basis rechter grote teen (periode 01 juni 2006 - 22 december 2006) en/of

- een breuk van een botuitsteeksel vooraan het rechter schouderblad

(periode 01 oktober 2006 - 22 december 2006) en/of

- bloeduitstortingen in de spieren van de rechterarm in de omgeving van het ellebooggewricht en/of meervoudige botafscheuringen aan het uiteinde van de rechter en/of linker ellepijp (periode 01 november 2006 - 22 december 2006) en/of

- meerdere ribbreuken (periode 01 oktober 2006 - 22 december 2006) en/of

- een leverscheuring (periode 01 december 2006 - 22 december 2006) en/of

- verlies van een tand (periode 01 januari 2006 - 01 september 2006) heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2] (telkens) opzettelijk

- te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of duwen tegen haar lichaam en/of

- op haar te(e)n(en) te trappen en/of te staan en/of

- krachtig door elkaar te schudden en/of

- met zeer veel geweld aan haar arm(en) te trekken en/of

- ter hoogte van haar borstkas krachtig samen te drukken en/of te omklemmen;

4.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

16 december 2004 tot en met 22 december 2006 te Gorinchem en/of elders in

Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd

[slachtoffer 2] (geboren op 16 december 2004), zijnde haar,

verdachtes, (stief)kind, (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen,

met dat opzet die [slachtoffer 2] (telkens)

- te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of duwen tegen haar

lichaam en/of

- op haar te(e)n(en) te trappen en/of te staan en/of

- krachtig door elkaar te schudden en/of

- met zeer veel geweld aan haar arm(en) te trekken en/of

- ter hoogte van haar borstkas krachtig samen te drukken en/of te omklemmen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

16 december 2004 tot en met 22 december 2006 te Gorinchem en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk mishandelend een persoon, te weten

[slachtoffer 2] (geboren op 16 december 2004), zijnde haar,

verdachtes, (stief)kind,

- heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of geduwd

tegen haar lichaam en/of

- op haar te(e)n(en) heeft getrapt en/of te gestaan en/of

- krachtig door elkaar heeft geschud en/of

- met zeer veel geweld aan haar arm(en) heeft getrokken en/of

- ter hoogte van haar borstkas krachtig heeft samen gedrukt en/of omklemd,

waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - feit 1, 2 primair, 3 en 4 primair ten laste gelegde bewezen achtend- een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren gevorderd.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair en 4 primair en subsidiair ten laste is gelegd.

Naast hetgeen onder 1 en 3 ten laste is gelegd en hierna door de rechtbank bewezen wordt verklaard, welke feiten hebben geleid tot de in die onderdelen van de tenlastelegging gespecificeerde letsels, heeft de rechtbank geen andere zelfstandige handelingen in dezelfde periode kunnen vaststellen, die naast de bewezen te verklaren feiten nog andere pogingen tot zware mishandeling of mishandelingen zouden opleveren. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van die feiten.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van

16 december 2004 tot en met 22 december 2006 te Gorinchem

aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] (geboren op 19 maart 2002),

zijnde haar, verdachtes, (stief)kind,

(telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een breuk van de linker ellepijp (periode 01 oktober 2006 - 22 december 2006) en

- een fractuur aan het linker spaakbeen,

heeft toegebracht,

door die [slachtoffer 1] (telkens) opzettelijk

- te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of duwen tegen haar

lichaam en/of

- krachtig aan haar onderarm(en) omhoog te trekken;

3.

op tijdstip(pen) in de periode van

16 december 2004 tot en met 22 december 2006 te Gorinchem

aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] (geboren op

16 december 2004), zijnde haar, verdachtes, (stief)kind,

(telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een botbreuk rechter grote teen en een afscheuring van het buitenste

gedeelte van het botuiteinde richting uiteinde rechter grote teen en

een botbreuk basis rechter grote teen (periode 01 juni 2006 - 22 december 2006) en

- een breuk van een botuitsteeksel vooraan het rechter schouderblad

(periode 01 oktober 2006 - 22 december 2006) en

- meervoudige botafscheuringen aan het uiteinde van de

rechterellepijp (periode 01 november 2006 - 22 december 2006) en

- meerdere ribbreuken (periode 01 oktober 2006 - 22 december 2006) en

- een leverscheuring (periode 01 december 2006 - 22 december 2006)heeft toegebracht,

door die [slachtoffer 2] (telkens) opzettelijk

- te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of duwen tegen haar

lichaam en/of

- op haar te(e)n(en) te trappen en/of te staan en/of

- krachtig door elkaar te schudden en/of

- met zeer veel geweld aan haar arm(en) te trekken en/of

- ter hoogte van haar borstkas krachtig samen te drukken en te omklemmen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 Nadere bewijsoverweging

Op 8 december 2006 komt bij de politie een anonieme melding binnen dat twee kinderen - de vierjarige [slachtoffer 1] en haar tweejarige zusje [slachtoffer 2] - stelselmatig door hun stiefmoeder zouden worden mishandeld. Hiervan wordt het Advies & Meldpunt Kindermishandeling (AMK) in kennis gesteld, waarna namens de Raad van de Kinderbescherming aangifte tegen de ouders wordt gedaan. De politie hoort kennissen, de oppas en buurtgenoten van het gezin, die in meerderheid verklaren dat er vaak ruzie werd gemaakt, dat de kinderen regelmatig verwondingen hadden en niet voldoende te eten kregen. Getuige [getuige 1], die regelmatig bij het gezin over de vloer kwam, verklaart als volgt:

"Kort nadat [verdachte] in huis is gekomen is het in mijn ogen fout gelopen. (...) [slachtoffer 1] had altijd verwondingen, eigenlijk constant bulten, schrammen, striemen, zere arm en dan weer een zeer been. Altijd was het kind gevallen. Het kind was broodmager, fatsoenlijk eten kreeg het nooit. Op de dag dat ik het AMK belde, had ze een zeer pijnlijke rechterarm. Op haar rechter voorhoofd had het kind een grote bult. Op een gegeven moment moest [slachtoffer 1] een knopje aandoen van de videorecorder. Ze wist niet elke knop ze moest indrukken. Het meisje zat op haar knieën voor het apparaat. [verdachte] werd pissig. Ze liep op het kind af. Het kind kromp in elkaar. [verdachte] pakte het kind bij het achterhoofd en sloeg met het hoofdje op de vloer. Resultaat een gigantische bult. Volgens mij had [slachtoffer 2] het nog zwaarder te verduren dan [slachtoffer 1]. (...) [verdachte] had de gewoonte [slachtoffer 2] recht in haar gezicht te slaan. Ik heb dit ook gezien dat zij ze sloeg. Verder weet ik dat er steeds weer wonden waren boven op haar hoofd, dicht geslagen ogen, bulten, 2 of 3 maal uitgeslagen tanden. Een armpje waar iets mee was, een beentje wat in het gips zat. Verder altijd striemen, blauwe plekken en broodmager." (PL1820/06-136503, pag. 167 e.v.)

Vervolgens is in opdracht van de officier van justitie een onderzoek ingesteld door forensisch geneeskundigen R.A.C. Bilo en H.G.T. Nijs van Forum Educatief, waarvan de resultaten in een forensisch-medische rapportage, d.d. 23 mei 2007, zijn neergelegd. Voornoemde deskundigen concluderen op grond van hun onderzoek betreffende [slachtoffer 1] - kort samengevat - het volgende:

"Aan de linker ellepijp wordt op of omstreeks 19 december 2006 een breuk geconstateerd met tekenen van genezing, van 2-8 weken oud. Voorts waren er aanwijzingen voor een "bowing fracture" van het linkerspaakbeen van onbekende ouderdom. Voor de breuk van de ellepijp, die gepaard moet zijn gegaan met evidente heftige pijnklachten en duidelijk merkbaar verminderd gebruik van de arm, is geen medische hulp gezocht. Wij kwalificeren dit als het onthouden van medische zorg (ernstige verwaarlozing). Een niet accidentele oorzaak (dus toegebracht letsel) is - gelet op het ontbreken van een plausibele verklaring, en de door moeder opgelegde geheimhouding voor [slachtoffer 1] - veel waarschijnlijker dan een accidentele."

De conclusies met betrekking tot het letsel van [slachtoffer 2] luiden als volgt:

"(...) Medio augustus 2006 wordt een torusfractuur van de grote teen en een klein botbreukje van de rechter grote teen geconstateerd. Gelet op de zeldzaamheid van de torusfractuur en het feit dat de verklaringen over de toedracht wisselen, is niet-accidenteel (dus toegebracht) letsel zeer waarschijnlijk. (...)

Omstreeks december 2006 wordt een leverlaceratie (scheur) geconstateerd. Dit letsel is conservatief, zonder operatief ingrijpen, behandeld. Het letsel was 1/2 - 2 dagen oud. Een ontstaan 1-2 weken eerder, zoals door een val uit een stapelbed of een val van een trap, kan met zekerheid worden uitgesloten. Voorts zijn deze verklaringen voor de laceratie niet plausibel. Derhalve is een niet-accidentele oorzaak zeer waarschijnlijk. (...)

Op beeldvormend onderzoek tijdens de ziekenhuisopname in december 2006 wordt een breuk van een uitsteeksel van het schouderblak (de rechtbank leest: schouderblad) geconstateerd (acromion). Dit is een zeldzame botbreuk die vrijwel bewijzend is voor mishandeling, waarvoor geen plausibele verklaring is gegeven. Derhalve betreft het niet-accidenteel letsel, dat mogelijk is ontstaan door het kind krachtig door elkaar te schudden of met zeer veel geweld aan de armen te trekken. (...)

Boven en onder het rechter ellebooggewricht worden uitgebreide verkalkingen in de weke delen geconstateerd. Dit letsel is vermoedelijk een gevolg van meervoudig en krachtig uitwendig geweld, gepaard gaande met inwendige bloedingen in (de omgeving van) of een breuk bij het ellebooggewricht. (...)

Er zijn zeer sterke aanwijzingen voor meerdere 'schudincidenten', op grond van de zeer sterke aanwijzingen voor 'classical metaphyseal lesions' (CMLs) van de botten van beide bovenarmen. Voorts zijn er ribfracturen geconstateerd, zowel links als rechts aan de achterzijde, met een verschillende ouderdom (tenminste 1-2 weken verschil), welke bewijzend zijn voor toegebracht letsel, met name 'schudletsel'. Een val uit een stapelbed is niet plausibel. De ribfracturen zijn met een interval van minimaal 1-2 weken ontstaan, zodat sprake is geweest van herhaalde geweldsinwerkingen. (...)"

Eerdergenoemde getuigenverklaringen en de duidelijke conclusies van de deskundigen, in samenhang met de afwezigheid van een plausibele alternatieve oorzaak voor het letsel, kunnen naar het oordeel van de rechtbank tot geen andere conclusie leiden dan dat het bij de kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geconstateerde letsel is ontstaan als gevolg van een stelselmatige mishandeling door verdachte.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte het bij de kinderen geconstateerde zwaar lichamelijk letsel opzettelijk heeft toegebracht door de in de bewezenverklaring van feit 1 en 3 genoemde handelingen.

4.4 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1 en 3 telkens:

ZWARE MISHANDELING, BEGAAN TEGEN HAAR KIND, MEERMALEN GEPLEEGD.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Rapportage van deskundige

Omtrent de persoon en de persoonlijkheid van verdachte is op 30 januari 2007 een rapport uitgebracht door de heer Th. J.G. Bakkum, forensisch psychiater. Uit dit rapport komt onder meer het volgende naar voren - zakelijk weergegeven - :

"Uit de stukken en ook wel uit het incident, dat betrokkene vertelt wanneer zij zichzelf met een pan sloeg, komen aanwijzingen voor problemen in de impulsbeheersing bij betrokkene. Op het moment van onderzoek maakt betrokkene een redelijk beheerste en goed georiënteerde indruk, en is zij spaarzaam met informatie, geeft hoogstwaarschijnlijk geen volledige opening van zaken omtrent haar motieven en belevingen."

Voorts is psychologisch onderzoek verricht door drs. A.F.J.M. Zwegers - GZ-psycholoog. De conclusies van de naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde rapportage d.d. 20 maart 2007 luiden - samengevat -:

"Als de levensomstandigheden van oorzakelijke betekenis geweest zouden zijn bij het ten laste gelegde dan is het niet ondenkbaar dat die omstandigheden op enig moment recidive zullen uitlokken, uiteraard voorlopig alleen als de kinderen naar die situatie zouden terugkeren.

Er werden onvoldoende aanwijzingen gevonden om van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van betrokkene's geestvermogens te kunnen spreken. Er zijn geen aanwijzingen dat er ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van betrokkene's geestvermogens. Het is niet waarschijnlijk dat betrokkene's gedrag ten tijde van het ten laste gelegde werd beïnvloed door een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling. Betrokkene kan beschouwd worden als volledig toerekeningsvatbaar. Er bestaat geen recidivegevaar vanuit een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling."

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennis genomen van de conclusie van voornoemde deskundigen met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte en kan zich daarmee verenigen, zodat de rechtbank deze conclusie als na te melden overneemt.

Zij is derhalve van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige de bewezenverklaarde feiten volledig aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar voor de door haar gepleegde strafbare feiten.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stelselmatige mishandeling van haar nog zeer jonge (stief)kinderen, waardoor die kinderen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Het op een dergelijke wijze bejegenen van weerloze kinderen is volstrekt ontoelaatbaar, en de rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat juist zij, als persoon bij wie de kinderen zich veilig zouden moeten voelen, zich zo heeft misdragen. Dat een zodanige volstrekt onveilige thuissituatie de kinderen niet alleen fysiek, maar ook psychisch schade heeft toegebracht, is evident en blijkt ook wel uit de brief van Bureau Jeugdzorg Zuid Holland, afdeling jeugdbescherming, d.d. 1 juni 2007. Uit deze brief komt naar voren dat de kinderen extreem angstig en claimend gedrag vertonen naar hun directe opvoeders en zich krampachtig gedragen om maar bij de opvoeders in de gunst te komen.

De rechtbank acht een dergelijke handelwijze van een moeder - ook al is zij niet de biologische moeder - tegenover de aan haar zorg toevertrouwde en volledig van haar afhankelijk zijnde kinderen, onbegrijpelijk en verbijsterend. Dergelijke feiten brengen niet alleen in de naaste omgeving, maar ook in de samenleving verontwaardiging teweeg.

Wat de persoonlijke omstandigheden van verdachte betreft heeft de rechtbank rekening gehouden met hetgeen uit de rapportages en ter terechtzitting omtrent verdachtes persoon is gebleken en heeft zij acht geslagen op het feit dat verdachte blijkens een op haar naam staand uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 1 maart 2007 nog niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts gelet op de volstrekt ontkennende houding van verdachte en op de omstandigheid dat verdachte niet geïnteresseerd lijkt te zijn in het welzijn van de kinderen, maar zich uitsluitend lijkt te bekommeren om de gevolgen die deze strafzaak voor haar persoonlijk kan hebben. Een dergelijke houding doet de rechtbank vrezen dat het risico op herhaling van het plegen van strafbare feiten in de gezins- of relationele sfeer

reëel is.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezen geachte feiten en zal zij een gevangenisstraf van na te melden duur opleggen. Vanwege het door de rechtbank aanwezig geachte herhalingsgevaar zal zij een gedeelte van die straf voorwaardelijk opleggen en zal zij daaraan een proeftijd van 3 jaar verbinden.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 57, 302, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair en 4 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

* een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VIERENTWINTIG (24) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten ACHT (8) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op DRIE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

mr. P.L. van Dijke en mr. A.J. Japenga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Hooge, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juli 2007.