Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB0289

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
24-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
11/500225-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden waarvan 6 maanden gevangenisstraf voor het met een auto naar binnen rijden in de huisartsenpost te Dordrecht en de vernieling van een abri. De rechtbank heeft voorts bepaald dat verdachte zich tijdens de proeftijd van 2 jaar moet laten behandelen in een instelling voor psychiatrische patiënten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500225-07

Zittingsdatum: 10 juli 2007

Uitspraak: 24 juli 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1969,

thans gedetineerd in de P.I. Breda, locatie “P.I.V.”, te Breda.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 09 april 2007 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of een of meerdere bezoeker(s) van De huisartsenpost Drechtsteden van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een auto (door de pui) De huisartsenpost Drechtsteden is binnengereden, terwijl zich daar op dat moment die [slachtoffer 1] en/of een of meerdere (andere) perso(o)n(en)/bezoeker(s) bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 09 april 2007 te Dordrecht [slachtoffer 1] en/of een of meerdere bezoeker(s) van De huisartsenpost Drechtsteden heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend met een auto (door de pui) De huisartsenpost Drechtsteden binnengereden, terwijl zich daar op dat moment die [slachtoffer 1] en/of een of meerdere (andere) perso(o)n(en)/bezoeker(s) bevonden;

2.

zij op of omstreeks 09 april 2007 te Dordrecht [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend met een auto (door de pui) De huisartsenpost Drechtsteden binnengereden, terwijl zich daar op dat moment die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (achter de balie) bevonden;

3.

zij op of omstreeks 09 april 2007 te Dordrecht opzettelijk en wederrechtelijk een abri en/of de huisartsenpost van het Albert Schweizer ziekenhuis, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Schweitzer ziekenhuis en/of Huisartsenpost Drechtsteden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met een auto tegen/door die abri en/of (de pui van) die huisartsenpost te rijden.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, ook indien dit inhoudt dat verdachte een psychiatrische behandeling zal ondergaan in “De Mare”.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vorderingen van de benadeelde partijen

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer 1], Albert Schweitzer ziekenhuis en Regionale Huisartsenpost Drechtsteden.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van EUR 500,00 ter zake van immateriële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in haar vordering, omdat verdachte dient te worden vrijgesproken van het betreffende strafbare feit.

De benadeelde partij Albert Schweitzer ziekenhuis vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van EUR 5.000,00 ter zake van materiële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de beoordeling van de vordering.

De benadeelde partij Regionale Huisartsenpost Drechtsteden heeft in het voegingsformulier geen bedrag vermeld. De rechtbank gaat er daarom van uit dat zij geen schadevergoeding vordert van verdachte en zal dit formulier dan ook buiten beschouwing laten.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1. (primair)

op 09 april 2007 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een auto door de pui de huisartsenpost Drechtsteden is binnengereden, terwijl zich daar op dat moment die [slachtoffer 1] bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 09 april 2007 te Dordrecht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een auto door de pui de huisartsenpost Drechtsteden binnengereden, terwijl zich daar op dat moment die [slachtoffer 2] achter de balie bevond;

3.

op 09 april 2007 te Dordrecht opzettelijk en wederrechtelijk een abri van het Albert Schweitzer ziekenhuis, toebehorende aan het Albert Schweitzer ziekenhuis,

heeft vernield

en

de huisartsenpost van het Albert Schweitzer ziekenhuis, toebehorende aan Albert Schweitzer ziekenhuis, heeft beschadigd door met een auto tegen/door die abri en de pui van die huisartsenpost te rijden.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Feit 1

Ten aanzien van dit feit ontbreekt het bewijs dat zich op dat moment, behalve het genoemde [slachtoffer 1], nog een of meerdere andere personen bevonden op de plek in de huisartsenpost waar verdachte met haar auto door de pui de huisartsenpost is binnengereden. De (voorwaardelijke) opzet bij verdachte om ook díe personen van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen kan dan ook niet bewezen worden verklaard.

Feit 2

Met betrekking tot dit feit is niet komen vast te staan dat door de handelwijze van verdachte bij het genoemde [slachtoffer 3] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij van het leven zou worden beroofd, dan wel zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Uit het dossier kan immers onvoldoende worden vastgesteld waar [slachtoffer 3] zich bevond op het moment dat verdachte met haar auto naar binnen reed. Nu dit vereiste ontbreekt kan bedreiging van dit slachtoffer niet bewezen worden verklaard.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverweging

In de avonduren van 9 april 2007 heeft verdachte zich gemeld aan de balie van de huisartsenpost van het Albert Schweitzerziekenhuis te Dordrecht, omdat zij psychische hulp nodig had en onderdak wilde. Twee doktersassistenten en de secretaresse van de spoedeisende hulp zaten voor de balie toen verdachte zich meldde (proces-verbaal van politie, dossiernummer PL1810/07-502411, pagina 16-18).

Tegen de doktersassistente die haar te woord stond zei verdachte: “als ik geen hulp krijg, dan rij ik met mijn auto ergens naar binnen”. Op een gegeven moment werd verdachte in de gelegenheid gesteld om telefonisch met de acute dienst van het RIAGG te praten. Tijdens dat gesprek smeet verdachte de telefoon weg en verliet zij vervolgens de huisartsenpost. Hierop stapte zij in haar auto die buiten stond. Doktersassistente [slachtoffer 1] is naar buiten gelopen om het kenteken van de auto te noteren, waarna zij de huisartsenpost weer is binnengegaan. Vervolgens zag de doktersassistente [slachtoffer 2] dat verdachte hard achteruit kwam rijden en zo de pui in reed van de toegangshal van de huisartsenpost (proces-verbaal van politie, dossiernummer PL1810/07-502411, pagina 28-31).

Ook [slachtoffer 1] zag en hoorde dat de auto van verdachte de pui ramde. Zij dook vervolgens weg en zag dat de auto vlak voor de balie tot stilstaan kwam. [Slachtoffer 1] stond vlak voor de balie en voelde het glas langs haar oren vliegen (proces-verbaal van politie, dossiernummer PL1810/07-502411, pagina 33-35).

Verdachte heeft verklaard dat zij helemaal niet heeft gekeken of er mensen achter de pui van de huisartsenpost stonden (proces-verbaal van politie, dossiernummer PL1810/07-502411, pagina 41-42).

Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte, op het moment dat zij met haar auto achteruit reed, zich ervan bewust was dat zich personen in de huisartsenpost bevonden. Zij had de huisartsenpost immers kort tevoren verlaten. Verdachte reed ‘met een bloedvaart’ achteruit, waarmee zij het risico heeft genomen dat zij niet volledig zou kunnen waarnemen wie of wat zich achter de auto zou bevinden.

Verdachte heeft zich aldus willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij met haar auto zou inrijden op [slachtoffer 1] die zich direct achter de pui van de huisartsenpost bevond. Dit zou er toe hebben kunnen leiden dat aan haar zodanig letsel zou worden toegebracht dat zij daardoor zou komen te overlijden. Het is slechts aan de adequate reactie van het slachtoffer, die tijdig wist weg te duiken, te danken dat de auto van verdachte haar niet heeft geraakt.

Aldus heeft verdachte door haar handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans op het doden van het slachtoffer aanvaard, zodat de rechtbank opzet, in de zin van voorwaardelijk opzet, bewezen acht.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. (primair)

POGING TOT DOODSLAG;

2.

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT;

3.

OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GOED DAT GEHEEL OF TEN DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT, VERNIELEN

en

OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GOED DAT GEHEEL OF TEN DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT, BESCHADIGEN.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 De rapporten van de deskundigen

Uit het door dr. B.A. Blansjaar, psychiater, over verdachte uitgebracht rapport van 7 mei 2007 komt onder meer -zakelijk weergegeven- het navolgende naar voren:

Verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens in de vorm van een cluster B persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale kenmerken en een chronische posttraumatische stress-stoornis en/of een dissociatieve stoornis. Naar het oordeel van rapporteur kan verdachte verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht voor het ten laste gelegde, voor zover bewezen.

Uit het door prof.dr. J.J. Baneke, psycholoog, over verdachte uitgebracht rapport van 19 mei 2007 komt eveneens naar voren dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in casu van een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis, van een posttraumatische stress-stoornis, mogelijk van afhankelijkheid en/of misbruik van middelen (in remissie), in elk geval wel van een verhoogd risico op verslaving. Op basis van het onderzoek wordt geadviseerd verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van voormelde rapporten op grond van de onderbouwing ervan. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en de rapporten van voornoemde deskundigen, voldoende vast is komen te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten slechts in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door haar gepleegde strafbare feiten.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 9 augustus 2007 is verdachte met haar auto door de pui van de huisartsenpost van het Albert Schweitzerziekenhuis te Dordrecht binnengereden, omdat haar roep om psychische hulp, in haar beleving, te lang op zich liet wachten. Op dat moment stond een doktersassistente bij de balie kort achter de pui van de huisartsenpost. Zij kon ternauwernood wegduiken toen de auto binnenreed. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op deze doktersassistente. Dat het bij een poging is gebleven is niet de verdienste van verdachte geweest, maar louter te danken aan de snelle reactie van het slachtoffer om weg te springen.

Een andere doktersassistente, die zich achter de balie in de huisartsenpost bevond, zag de auto van verdachte op zich afkomen en was heel bang dat de auto door de balie heen zou rijden. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan bedreiging van dit slachtoffer. Nadat verdachte de pui van de huisartsenpost had geramd is zij vooruit weggereden en is zij tegen een abri van het ziekenhuis gereden. De vernieling van de abri en de beschadiging van de huisartsenpost zijn eveneens strafbare feiten die een bestraffing rechtvaardigen.

Wat de persoon van de verdachte betreft heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van het voorlichtingsrapport van de reclassering d.d. 28 juni 2007, alsmede op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. Zoals hiervoor overwogen kunnen de bewezen verklaarde feiten slechts in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.

De deskundigen hebben zich tevens uitgelaten over de afdoening van deze zaak. Zij hebben geadviseerd aan verdachte, in het kader van een voorwaardelijk strafdeel, verplichte reclasseringsbegeleiding op te leggen, ook indien dit inhoudt dat verdachte een psychiatrische behandeling zal moeten ondergaan. Verdachte heeft verklaard bereid te zijn hieraan mee te werken. De rechtbank kan zich vinden in het advies van de deskundigen en zal dit dan ook opnemen in de uiteindelijke strafoplegging.

In de strafoplegging zal de rechtbank tot uitdrukking brengen dat zij het van het grootste belang acht dat verdachte op een zo kort mogelijke termijn kan aanvangen met een psychiatrische behandeling, bij voorkeur aansluitend op de op te leggen vrijheidsstraf.

Het is daarom dat de rechtbank tot een andere strafoplegging komt dan door de officier van justitie is geëist.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

7.2 De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partijen zijn ontvankelijk in de vorderingen, nu aan verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd en aan de benadeelde partijen rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door de betreffende bewezen verklaarde strafbare feiten toegebrachte schade.

De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen integraal toewijzen, nu de vorderingen niet zijn betwist en evenmin onrechtmatig of ongegrond voorkomen.

Naast toewijzing van deze civiele vorderingen zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding telkens tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. In de draagkracht van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verdachte het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel in termijnen mag voldoen, zoals nader in het dictum zal worden aangegeven.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregelen zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24a, 24c, 36f, 45, 57, 285, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

* een GEVANGENISSTRAF voor de duur van ACHTTIEN MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten ZES MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarden;

* stelt daarbij als BIJZONDERE VOORWAARDE dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, haar te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat nodig oordeelt;

* stelt daarbij als BIJZONDERE VOORWAARDE dat de veroordeelde tijdens de proeftijd een (intramurale) psychiatrische behandeling zal ondergaan bij “De Mare”, forensisch psychiatrische afdeling van de GGZ te Halsteren of een soortgelijke instelling, maximaal voor een termijn gelijk aan de proeftijd;

verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van EUR 500,00 (vijfhonderd), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

* legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EUR 500,00 (vijfhonderd) ten behoeve van [slachtoffer 1];

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

* veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan Albert Schweitzer ziekenhuis, een bedrag van EUR 5.000,00 (vijfduizend), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

* legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EUR 5.000,00 (vijfduizend) ten behoeve van Albert Schweitzer ziekenhuis;

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 55 dagen;

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

* bepaalt dat de veroordeelde het totaalbedrag van de schadevergoedingsmaatregelen in 22 gedeelten van elk groot EUR 250,00 (tweehonderdvijftig) mag voldoen, waarbij de termijn voor betaling van het tweede en de volgende gedeelten wordt vastgesteld op 1 maand.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. M.M. Moolenburgh-Pelser en mr. P.L. van Dijke, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juli 2007.