Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BB0178

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
47908 / HA ZA 03-2105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EYI c.s. stelt dat zij met X Belgie en X Nederland een rompovereenkomst heeft gesloten, om te gaan samenwerken bij de vervaardiging en verkoop van polyester jachten. Deze samenwerking is niet van de grond gekomen en de besprekingen tussen partijen zijn beeindigd.

EYI c.s. stelt dat X c.s. in verzuim is ten aanzien van de nakoming van de overeenkomst. Subsidiair beroept zij zich op onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen.

Zij vordert verklaringen voor recht en schadevergoeding ter grootte van € 2.453.288,68.

* Bewijswaardering inzake het al dan niet tot stand komen van de samenwerkingsovereenkomst:

geen wilsovereenstemming bereikt.

* Ook geen onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen. EYI c.s. konden niet gerechtvaardigd vertrouwen op totstandkomen overeenkomst. (Dit blijkt onder meer uit een verklaring van de jachtontwer wiens naam + ontwerp beweerdelijk gebruikt mocht gaan worden.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 47908 / HA ZA 03-2105

vonnis van de meervoudige kamer van 27 juni 2007

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

EXCLUSIVE YACHTS INTERNATIONAL N.V.,

gevestigd te Zelzate (België),

2. [Eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Eiser 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. S. Visser,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. HOLDING MAATSCHAPPIJ [X],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJ [X],

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

[X] SCHIPYARDS [plaats] N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] (België),

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] (België),

gedaagden,

procureur mr. J.A. Visser.

Partijen zullen hierna EYI c.s. (eisers 1 t/m 3), EYI (eiseres 1), [Eiser 3] (eiser 3), [X] c.s. (gedaagden 1 t/m 4), [X] (gedaagden 1 t/m 3), [X] Nederland (gedaagden 1 en 2), [X] België (gedaagde 3) en [gedaagde 4] (gedaagde 4) genoemd worden. Eiser 2 wordt in de stukken, waaronder het door hem ondertekende procesverbaal van de comparitie van partijen en de door hem getekende verklaring in het voorlopig getuigenverhoor, regelmatig aangeduid als "[Eiser 2]" (in plaats van "[Eiser 2]"). Derhalve wordt hij hierna "[Eiser 2]" genoemd.

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- rolbeslissing van 13 december 2006 en de daarin genoemde stukken,

- de conclusie van dupliek en de daarbij overgelegde producties

- de akte uitlating producties van de zijde van EYI c.s..

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1 [Eiser 2] en [Eiser 3] zijn beiden bestuurder van EYI. Tevens zijn zij beiden bestuurder van de vennootschap naar Nederlands recht Exclusive Yachts Import Benelux B.V..

2.2 [gedaagde 4] is bedrijfsleider van [X] België.

2.[[aandeelhouder]] (hierna: "[[aandeelhouder]]") is hoofdaandeelhouder van de vennootschap naar Belgisch recht Crea Yachting N.V. (hierna: "Crea") .

2.4 [jachtenont[jachtenontwerper] (hierna: "[jachtenontwerper]") is een jachtenontwerper uit Engeland.

2.5 [X] België is eigenaar van een scheepswerf in [vestigingsplaats] (België).

2.6 Vanaf oktober 2001 tot en met november 2002 hebben diverse gesprekken plaatsgevonden tussen [Eiser 3] en [Eiser 2] enerzijds en [gedaagde 4] anderzijds. Daarbij is onder meer gesproken over afbouw van het hierna te noemen casco en over de mogelijkheden van samenwerking bij de bouw van polyester jachten.

2.7 Er is eind 2001 door EYI, althans [Eiser 3] en [Eiser 2], een jacht Lancer 50 bij [X] België gestald. Aan dit jacht heeft [X] België reparaties verricht. Daarna is het jacht omstreeks mei 2002 weggehaald.

2.8 Op 28 februari 2002 is een huurovereenkomst voor aan [X] België toebehorende kantoorruimte tot stand gekomen tussen onder meer Exclusive Yachts Import Benelux B.V. en [X] België (hierna: "de huurovereenkomst"). De huurovereenkomst is in augustus 2002 geëindigd.

2.9 Crea heeft het casco van een boot volgens ontwerp van [jachtenontwerper] op de werf van [X] België geplaatst (hierna: "het Casco"). [jachtenontwerper] had Crea het recht verleend het Casco onder zijn naam af te bouwen en op de markt te brengen. [X] België heeft op verzoek van [Eiser 3] en [Eiser 2] een offerte uitgebracht voor het afbouwen van het Casco. Nadat deze kostenopgave te hoog was bevonden, is het Casco op 27 oktober 2002 weggehaald van de werf van [X] België.

2.10 In april 2002 hebben [Eiser 3] en [Eiser 2] in het maandblad "Motorboot" een advertentie geplaatst. Deze advertentie bevat onder meer een foto van een romp van een jacht met daarboven de kop "[[bedrijfsnaam jachtenontwerper]] 58" en daaronder de tekst "[[bedrijfsnaam jachtenontwerper]] SERIES FROM 50 FT. TO 80 FT".

2.11Op 30 mei 2002 heeft er bij de ABN AMRO Bank (hierna: "de bank") in [plaats] een bespreking plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: [gedaagde 4], [Eiser 3], [Eiser 2] en namens de bank [[medewerker van de bank]] (hierna: "[medewerker van de bank]").

2.12 Op 2 september 2002 is EYI opgericht.

2.13 Na een aanmaning door EYI in haar brief van 15 november 2002 aan [X] België, heeft [X] België, althans [gedaagde 4] te kennen gegeven dat er tussen partijen in het geheel geen overeenstemming tot stand was gekomen over samenwerking.

3. De vordering

3.1 EYI c.s. vordert, na wijziging van eis, dat bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en tegen behoorlijk bewijs van kwijting:

a) wordt verklaard voor recht dat er tussen partijen zodanige afspraken zijn gemaakt dat er een overeenkomst tot stand is gekomen, althans dat het niet dooronderhandelen van [X] c.s. zonder het aanbieden van schadevergoeding onrechtmatig is;

b) wordt verklaard voor recht dat [X] c.s. jegens EYI c.s. onrechtmatig heeft gehandeld, althans toerekenbaar tekort is geschoten in de op haar rustende verbintenissen;

c) [X] hoofdelijk, althans [gedaagde 4], wordt veroordeeld om aan EYI c.s. te betalen

€ 2.453.288,68, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.451.838,68 vanaf

1 januari 2005 tot de dag der algehele voldoening;

d) met veroordeling van [X] c.s. in de kosten van deze procedure.

Zij stelt daartoe het volgende.

3.2 EYI c.s. heeft met [X] c.s., door tussenkomst van [gedaagde 4], mondeling een overeenkomst tot samenwerking gesloten conform het door EYI c.s. opgestelde bedrijfsplan. Tijdens een bespreking op 30 mei 2002 is afgesproken dat er een overeenkomst was op basis van een aantal punten, die hierna onder 4.2 aan de orde komen.

3.3 Aldus is er een "rompovereenkomst" tot stand gekomen, aangezien de wederzijdse verplichtingen voldoende bepaalbaar zijn. Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.

3.4 Bovengenoemde punten zijn steeds met de daartoe namens [X] gemachtigde [gedaagde 4] besproken en totstandgekomen. Er is door [X] c.s. geen enkel voorbehoud gemaakt, behalve dat men nog diende te kiezen tussen de besproken opties voor de juridische constructie. Dit zou door de juridische afdelingen van [X] Nederland gebeuren. Afgesproken was dat na het kiezen van de juiste bedrijfsopzet door partijen medio september 2002 tot het ondertekenen van overeenkomsten zou worden overgegaan. In november 2002 heeft [gedaagde 4] aan EYI c.s. meegedeeld dat er binnen een week bericht zou zijn over de keuze voor de juridische uitwerking "vanuit [vestigingsplaats]".

3.5 [X] c.s. verkeert in verzuim ten aanzien van de nakoming van de op haar rustende verbintenissen.

3.6 Voorzover er al enige reden zou bestaan om te twijfelen of er een overeenkomst bestaat, dan nog zijn er tussen partijen zodanig verregaande afspraken gemaakt dat het afbreken van de onderhandelingen onder de gegeven omstandigheden onrechtmatig is. Door het tijdsverloop en door de houding van [X] c.s. acht EYI c.s. een vruchtbare samenwerking inmiddels niet langer mogelijk. EYI c.s. vordert derhalve vergoeding van de door haar geleden integrale schade, zoals vastgesteld in de bij conclusie van repliek overgelegde schadestaat.

3.7 Zelfs in het geval dat de rechtbank mocht oordelen dat de overeenkomst niet tot stand is gekomen en dat het rechtmatig was de onderhandelingen af te breken, was het onrechtmatig om de onderhandelingen af te breken zonder daarvoor een redelijke compensatie te bieden voor de gedane investeringen, gemaakte kosten en reële verwachte winst.

3.8 Op verzoek van [X] c.s. is een voorlopig getuigenverhoor gehouden. [X] c.s. is niet geslaagd in het door haar aangeboden bewijs. Voorzover de rechtbank een bewijsopdracht zou geven die anders luidt dan het bewijsaanbod door [X] c.s., dient uit de afgelegde verklaringen in het voorlopig getuigenverhoor te worden afgeleid dat EYI c.s. geslaagd geacht kan worden in het leveren van het bewijs dat wel een overeenkomst tot stand is gekomen, danwel dat er zodanige afspraken lagen dat het [X] c.s. niet vrijstond de onderhandelingen af te breken.

Het verweer

3.9 De conclusie van [X] c.s., zoals aangevuld bij conclusie van dupliek, strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van EYI c.s. in haar vordering, althans tot ontzegging van de vordering aan EYI c.s., althans in het geval dat geoordeeld wordt dat er tussen partijen een samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen: tot vernietiging van deze overeenkomst wegens bedrog, met veroordeling van EYI c.s. in de kosten van het geding. Zij voert als verweer het volgende aan.

3.10 Als bedrijfsleider/volmachtdrager van [X] België was [gedaagde 4] slechts bevoegd om [X] België te vertegenwoordigen. Die bevoegdheid was beperkt tot € 50.000,= per overeenkomst. De gepretendeerde samenwerkingsovereenkomst gaat die bevoegdheid te boven. [X] België noch [X] Nederland heeft ooit bij EYI c.s. de schijn opgewekt dat [gedaagde 4] hen mocht vertegenwoordigen. Een eventuele overeenkomst zou nooit tussen [X] Nederland en EYI c.s. zijn gesloten. [gedaagde 4] is de gepretendeerde samenwerkingsovereenkomst derhalve niet aangegaan namens [X] België, niet namens [X] Nederland en ook niet op eigen naam.

3.11 Op 18 oktober 2001 kwam [X] België in de persoon van [gedaagde 4] in contact met EYI c.s.. EYI c.s. was in eerste instantie op zoek naar kantoorruimte en naar ruimte voor winterstalling van een jacht (Lancer 50). Zo is de huurovereenkomst totstandgekomen en zijn door [X] België reparaties aan de Lancer 50 verricht. Daarnaast werd het Casco bij [X] België gestald, met de vraag of [X] België dit zou kunnen afbouwen.

3.12 [gedaagde 4] was op zoek naar een bestemming voor de stilgelegde werf van [X] België. Er was sprake van een oriënterende fase waarbij onder meer werd onderzocht of [X] België zich zou gaan bezighouden met de bouw van kleinere jachten van 20 tot 35 meter. Daarbij diende ook nog een keuze gemaakt te worden voor het materiaal van de te bouwen jachten. EYI c.s. was geïnteresseerd om met [X] België een samenwerkingsovereenkomst aan te gaan, indien [X] België zou kiezen voor de bouw van kleinere polyester jachten.

3.13 [gedaagde 4] heeft in zijn gesprekken met [Eiser 3] en [Eiser 2] steeds uitdrukkelijk naar voren gebracht dat er nog geen keuze over de bestemming van [X] België was gemaakt en dat de beslissingen daarover door [X] Nederland werden genomen. De gesprekken met [Eiser 3] en [Eiser 2] waren geen onderhandelingen maar oriënterende gesprekken. De precontractuele fase was nog niet ingetreden.

3.14 Het doel van het gesprek met de bank was voor [gedaagde 4] incasso van openstaande huur en andere facturen.

3.15 Van het door EYI c.s. overgelegde bedrijfsplan en de nader uitgewerkte details kan niet worden aangenomen dat een grote onderneming als [X] dit als serieuze stukken beschouwt in het kader van een samenwerkingsovereenkomst in de orde van grootte zoals door EYI c.s. geschetst. Deze stukken voorzien ook niet in de basisvoorwaarden waarover een beslissing moet zijn genomen, voordat besloten kan worden een productielijn voor het bouwen van jachten op te starten. Dergelijke basisvoorwaarden zijn ook niet tijdens de oriënterende gesprekken van [gedaagde 4] met [Eiser 3] en [Eiser 2] aan de orde geweest.

3.16 Uit de schriftelijke verklaringen van [jachtenontwerper] blijkt dat EYI c.s. en [[aandeelhouder]] tijdens de oriënterende gesprekken valse informatie aan [X] België hebben verstrekt om het totstandkomen van een overeenkomst te bewerkstelligen. Voorzover er sprake is van een overeenkomst van partijen, dan is deze vernietigbaar wegens bedrog. EYI c.s. kon er ook niet van uit gaan dat een overeenkomst tot stand zou kunnen komen. Derhalve kan er geen sprake zijn van schending van de precontractuele goede trouw door [X] c.s..

3.17 [X] c.s. betwist dat EYI c.s. schade heeft geleden en betwist de hoogte van de gestelde schade.

4. De beoordeling van het geschil

Toepasselijk recht

4.1 EYI c.s. heeft gesteld dat op de overeenkomst die zij primair aan haar eis ten grondslag legt, Nederlands recht van toepassing is. Dat brengt met zich dat ook vragen omtrent de totstandkoming van die overeenkomst en omtrent de precontractuele fase, zoals subsidiair aan de eis ten grondslag gelegd, naar Nederlands recht beoordeeld moeten worden. [X] c.s. heeft zich niet uitgelaten over het toepasselijk recht maar zij verwijst bij haar verweer naar Nederlands recht. De rechtbank zal partijen daarin volgen en hun geschillen naar Nederlands recht beoordelen.

Totstandkoming wilsovereenstemming?

4.2 Volgens EYI c.s. is er op 30 mei 2002 een rompovereenkomst gesloten op de volgende basis:

- [X] zou met behulp van het concept "[jachtenontwerper]" onder de naam [jachtenontwerper] boten gaan bouwen, waaronder al een 58-voetsjacht in het najaar van 2002;

- EYI c.s., althans [Eiser 3] en [Eiser 2], zouden op basis van exclusiviteit de boten en toebehoren aan de man brengen. Van de verkoopprijs was een marge van minimaal 10% bestemd voor de verkoopactiviteiten. Deze zou al dan niet door tussenkomst van enige vennootschap aan [Eiser 3] en [Eiser 2] toevloeien;

- [X] zou EYI c.s. de reguliere verkoopkosten vergoeden vanaf medio september 2002, voorzover die kosten niet gedekt zouden zijn door de door EYI c.s. gerealiseerde marge. De genoemde kosten waren begroot op 262.092,= per jaar;

- er was al een eindprijs voor het te realiseren product bepaald.

4.3 Tijdens de comparitie van partijen heeft de raadsman van EYI c.s. aangegeven dat de oorspronkelijke afspraken zijn gemaakt door [Eiser 3] en [Eiser 2], nu EYI pas later is opgericht.

4.4 Bij een beroep op het totstandkomen van een rompovereenkomst doet zich de vraag voor of ten aanzien van een overeenkomst, waarin een aantal onderling samenhangende verbintenissen moet worden geregeld, overeenstemming omtrent één of meer onderdelen een rompovereenkomst doet ontstaan, zolang omtrent andere onderdelen nog geen overeenstemming bestaat. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de bedoeling van partijen, zoals deze moet worden aangenomen op grond van: (i) de betekenis van hetgeen wel en niet geregeld is, (ii) het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en (iii) de verdere omstandigheden van het geval. Nu [X] c.s. enige wilsovereenstemming tussen partijen betwist, wordt eerst onderzocht of partijen over één of meer van de door EYI c.s. gestelde onderwerpen wilsovereenstemming hebben bereikt. Dit hangt af van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden.

4.5 Krachtens de hoofdregel van artikel 150 Rv. draagt EYI c.s. de bewijslast voor het totstandkomen van de door haar gestelde rompovereenkomst en derhalve ook voor het bereiken van de door haar gestelde wilsovereenstemming.

4.6 Daarbij wordt het volgende overwogen. Nu [gedaagde 4] de bedrijfsleider was van [X] België, mochten [Eiser 3] en [Eiser 2] er in beginsel op vertrouwen dat [gedaagde 4] [X] België mocht vertegenwoordigen. Echter, uit de stellingen van EYI c.s. blijkt dat het voor [Eiser 3] en [Eiser 2] duidelijk was dat [gedaagde 4] voor het daadwerkelijk overeenkomen van de gestelde samenwerking in elk geval toestemming behoefde van [X] Nederland. Voor het bewijs van het bereiken van wilsovereenstemming met [X] België is derhalve vereist dat komt vast te staan dat [Eiser 3] en [Eiser 2] gerechtvaardigd op toestemming daarvoor van [X] Nederland mochten vertrouwen. Als onbetwist door [X] c.s. staat vast, dat de heren [X][G] in dit kader bevoegd waren om die eventuele toestemming namens [X] Nederland te geven.

4.7 Voor het bereiken van wilsovereenstemming met [X] Nederland is in elk geval vereist, dat [Eiser 3] en [Eiser 2] op grond van een verklaring of gedraging van [X] Nederland hebben aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten aannemen, dat een toereikende volmacht aan [gedaagde 4] was verleend om een overeenkomst in naam van [X] Nederland te sluiten. Nu EYI c.s. niets stelt over een dergelijke verklaring of gedraging van [X] Nederland en ook overigens uit de getuigenverklaringen niets naar voren is gekomen dat tot een andere lezing leidt, kan van enige overeenkomst met [X] Nederland als partij geen sprake zijn. Derhalve worden de vorderingen voorzover ingesteld tegen [X] Nederland afgewezen.

4.8 Ten bewijze van de inhoud van de volgens EYI c.s. mondeling bereikte wilsovereenstemming, beroept EYI c.s. zich op het door haar bij akte van 7 mei 2003 overgelegde stuk dat zij aanduidt als bedrijfsplan (hierna: "het bedrijfsplan"). De gestelde wilsovereenstemming betreft een overeenkomst tussen partijen die nog nooit eerder hebben samengewerkt, en gaat over het in samenwerking met andere partijen opzetten van een productielijn van jachten, waarmee aanzienlijke bedragen gemoeid zijn. Hoewel niet vereist, zal een dergelijke veelomvattende overeenkomst in de regel door middel van een schriftelijk contract worden gesloten. Indien dit niet het geval is zal een dergelijke overeenkomst op zijn minst worden voorbereid door op enig moment tijdens de onderhandelingen op schrift te stellen wat de belangrijkste punten van de overeen te komen samenwerking zijn. Anders dan EYI c.s. stelt, kan het bedrijfsplan niet als een zodanig document in het kader van de onderhandelingen tussen partijen worden beschouwd. Het bedrijfsplan is een handgeschreven, slecht leesbaar en weinig professioneel ogend stuk. Het bevat een korte introductie van [Eiser 3], [Eiser 2] en [gedaagde 4] en van het mogelijke product. Voorts geeft het een globale schets van toekomstige mogelijkheden. In het bedrijfsplan is vermeld dat het gaat om een "globale bedrijfspresentatie". EYI c.s. geeft zelf ook aan dat het bedrijfsplan met name begrotingen bevat voor de toekomst. Derhalve kan voor het bewijs van de door EYI c.s. gestelde wilsovereenstemming, aan het bedrijfsplan weinig waarde worden toegekend. Het voorgaande betekent bovendien dat aan de overige door EYI c.s. naar voren gebrachte bewijsmiddelen hoge eisen worden gesteld, nu er geen sprake is van een schriftelijk contract of deugdelijk voorbereidend document en de gestelde wilsovereenstemming ondubbelzinnig dient vast te staan.

4.9 Ten aanzien van de getuigenverklaringen van [Eiser 3] en [Eiser 2] wordt vooropgesteld dat zij partijgetuigen zijn in de zin van artikel 164 Rv. Dit betekent dat hun verklaringen alleen dan bewijs in het voordeel van EYI c.s. kunnen opleveren, indien er aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zodanige essentiële punten betreft dat het de partijgetuigenverklaringen voldoende geloofwaardig maakt.

4.10 [Eiser 3] en [Eiser 2] hebben beiden verklaard dat er overeenstemming bestond over samenwerking. Hun verklaringen zijn echter niet consistent en bovendien onduidelijk over de partijen tussen wie en de onderwerpen waarover wilsovereenstemming zou zijn bereikt. Geen van beiden heeft verklaard zelf contact te hebben gehad met [X] Nederland.

4.11 [Eiser 3] heeft verklaard: "(...)Op een gegeven moment heeft [V] gezegd: "het licht staat op groen". Dit zei hij nadat hij een gesprek had gehad met dhr. [G] en [K] [X]. Dit betekende dat wij de samenwerking konden aanvatten op dezelfde manier waarop het op papier is gezet." Deze verklaring wijst op toestemming van de zijde van [X] Nederland maar daarbij is onvoldoende duidelijk op welke partijen en welke onderwerpen deze toestemming betrekking heeft. Onduidelijk is ook op welke schriftelijke vastlegging [Eiser 3] doelt. Voorzover hij doelt op het bedrijfsplan, is hierboven al overwogen dat dit een beperkte waarde heeft. Over het in productie nemen van de boten heeft [Eiser 3] verklaard: " De boten konden in productie genomen worden.". Echter, in tegenstelling hiermee heeft hij ook verklaard: "Na juni 2002 vroeg ik aan [V] wanneer wij konden beginnen met de verkoop. (...) Elke keer zei hij dat hij naar [vestigingsplaats] moest om dat te bespreken. Wij hadden wel afgesproken dat wij pas konden beginnen met bouwen als er een getekend contract was." Over de prijs van de te bouwen jachten heeft [Eiser 3] verklaard dat partijen het eens waren over een prijs van € 1.460.000,= exclusief BTW. Daartegenover heeft hij verklaard dat [gedaagde 4] hem vroeg of hij met de kostenprognose kon leven. Duidelijk is dat [Eiser 3] daarbij doelt op de overgelegde kostenprognose van € 1.464.506,--. [Eiser 3] heeft verklaard dat hij tegen [gedaagde 4] heeft gezegd dat hij met deze prijs kon leven en dat [gedaagde 4] daarbij zei dat er wellicht nog € 100.000,= van af kon. Dit duidt erop dat de prijs nog niet definitief was vastgesteld.

4.12 [Eiser 2] heeft onder meer verklaard: "Na een aantal gesprekken heeft [V] gezegd:"Het plan ziet er goed uit". Hij vertelde dat hij contact had gehad met de directie in [vestigingsplaats] en hij zei:"Het licht staat op groen (...)Tijdens die lunch heeft [[aandeelhouder]] concreet de vraag gesteld aan [V] hoe het zat met de overeenkomst. Toen heeft [V] gezegd. "Die zaak is rond". (...) [V] heeft ook gezegd dhr. Dh[K] [X] ook op de hoogte was van onze plannen wat betreft de bouw van polyester boten."

Niet duidelijk is waarvoor volgens [Eiser 2] groen licht werd gegeven. De verklaring wijst bovendien veeleer op plannen, dan op een al gesloten overeenkomst. Ten aanzien van de eindgebruikerprijs heeft [Eiser 2] verklaard dat [gedaagde 4] een eindgebruikerprijs heeft genoemd van € 1.460.000,= en dat [gedaagde 4] daarbij heeft gezegd dat de prijs nog wel ongeveer € 100.000,= lager zou kunnen worden. Evenals bij de verklaring van [Eiser 3] duidt dit erop dat er nog geen definitieve overeenstemming bestond over de prijs.

4.13 Vervolgens zijn de verklaringen van [medewerker van de bank] het meest relevant ten aanzien van het al dan niet bereiken van wilsovereenstemming, omdat EYI c.s. stelt dat deze is bereikt op 30 mei 2002 en het gesprek met [medewerker van de bank] ook op die datum heeft plaatsgevonden. Overigens wordt uit de stellingen van EYI c.s. onvoldoende duidelijk of zij bedoelt dat overeenstemming is bereikt voorafgaand aan of tijdens het gesprek met [medewerker van de bank].

4.14 De schriftelijke verklaringen van [medewerker van de bank] zijn niet consistent. In de schriftelijke verklaring van 11 november 2002 spreekt hij enerzijds over "de definitieve samenwerking tussen Exclusive Yachts int. (met name; R. [Eiser 2] en D. [Eiser 3]) en [X] Shipyards [vestigingsplaats]." Maar anderzijds verklaart hij hierover: "Het betrof hier meer specifiek de inhoud van het door R. [Eiser 2] geschreven voorstel tot samenwerking (...)". Voorts verklaart hij: "Dhr. [gedaagde 4] heeft duidelijk medegedeeld dat voor wat betreft de samenwerking zoals omschreven in het voorstel het licht op groen stond. Waarbij hij als uiterlijke termijn gesteld had medio september 2002 voor het officieel bekrachtigen van de overeenkomst." In de verklaring van 3 december 2002 verklaart hij "dat er een overeenkomst was waarbij [X] medio september de exploitatiekosten (.......) zou gaan dragen. Dat deze overeenkomst louter nog door de juridische dienst van [X] Shipyards op papier gezet diende te worden." Uit de bewoordingen, zoals "voorstel tot samenwerking" en "officieel bekrachtigen" en uit de verklaring dat de overeenkomst nog op papier gezet diende te worden, kan worden afgeleid dat [medewerker van de bank] de mededelingen van [gedaagde 4] aldus heeft begrepen, dat er nog geen sprake was van definitieve overeenstemming over samenwerking. Uit de context van het geheel blijkt voorts dat [medewerker van de bank] met "voorstel" doelt op het bedrijfsplan. Zoals hierboven al overwogen kan aan het bedrijfsplan onvoldoende waarde worden gehecht ten aanzien van de inhoud van de gestelde wilsovereenstemming.

4.15 In zijn verklaring in het voorlopig getuigenverhoor is [medewerker van de bank] nog minder stellig dan in zijn schriftelijke verklaringen. Dit blijkt onder meer uit de volgende passages: "Het doel van de bespreking was om te kijken hoe ze tot een overeenkomst konden komen en wat daar in vastgelegd zou worden. Ik was bij die bespreking aanwezig om uit de eerste hand te horen hoe het er m.b.t. de overeenkomst voorstond. (...) De bespreking is gevoerd aan de hand van een door [R.] [Eiser 2] geschreven conceptplan. (....) De heer [gedaagde 4] heeft gezegd dat de samenwerking sowieso rond kwam, maar dat de vorm waarin nog onduidelijk was.(...)" Uit deze verklaring kan niet méér worden afgeleid dan dat in de bespreking de verwachting is uitgesproken dat de gepresenteerde plannen zouden uitmonden in enige vorm van samenwerking. Voorts blijkt uit de verklaring van [medewerker van de bank] niet dat [gedaagde 4] tijdens de bespreking verklaringen heeft afgelegd op grond waarvan [Eiser 3] en [Eiser 2] op toestemming van [X] Nederland mochten vertrouwen.

4.16 De schriftelijke verklaring van [[aandeelhouder]] en zijn getuigenverklaring bevatten tegenstrijdigheden. Zijn schriftelijke verklaring heeft betrekking op een lunch van 6 juni 2002, waarbij volgens zijn verklaring [gedaagde 4], [Eiser 3] en [Eiser 2] aanwezig waren. Hierover heeft [[aandeelhouder]] verklaard: "Tijdens het gesprek heeft de Heer D. [gedaagde 4] mij bevestigd dat voor wat betreft het bouwen en verkopen van jachten tot 35 meter een samenwerkingsovereenkomst tot stand was gekomen tussen bovengenoemde partijen. De lijn van polyester jachten tot 25 meter onder de naam [jachtenontwerper] [X] zou hiervan deel gaan uitmaken." Echter, in diezelfde verklaring heeft hij tevens gesteld: "De Heer D. [gedaagde 4] verklaarde verder het één en ander nog juridisch en organisatorisch te willen laten nakijken vooraleer de exacte vorm van samenwerking vast te leggen." Ten aanzien van de prijs van de door [X] België aan het Casco te verrichten werkzaamheden heeft hij verklaard: "(...) met als volgende stap een exacte opgave door [X] Shipyards [vestigingsplaats] van de kostprijs van de afwerking. (...) Eventuele werkzaamheden zouden snel na het kennen van de kostprijs kunnen starten." Blijkens deze verklaring was er nog weinig duidelijkheid over de prijs van afbouw van het Casco en was de afbouw afhankelijk van overeenstemming over deze prijs. Dit staat haaks op de stellingen van EYI c.s. dat er in mei 2002 al een eindprijs voor de te bouwen boten was bepaald. Voorzover EYI c.s. met haar stelling dat er in mei 2002 al overeenstemming bestond over afbouw van een jacht in het najaar doelt op afbouw van het Casco, is de verklaring van [[aandeelhouder]] eveneens tegenstrijdig met deze stelling. Ten aanzien van [X] Nederland verklaart [[aandeelhouder]]: "(...) Deze samenwerking zou volgens de Heer D. [gedaagde 4] uitvoerig zijn besproken met de bevoegde bestuursorganen van [X] Gorkum, meer in het bijzonder met de Heer C. de Groot en de Heer C. [X] zelf. (...)" Nu bespreken iets anders is dan toestemming verkrijgen, kan dit niet worden opgevat als een verklaring van [gedaagde 4] tegenover [[aandeelhouder]], [Eiser 3] en [Eiser 2] dat er sprake was van enige toestemming van [X] Nederland.

4.17 Ook de getuigenverklaring van [[aandeelhouder]] wijst in de richting van een nog niet gesloten overeenkomst. Zo heeft hij verklaard: Het doel van de lunch was het bespreken van de status van de onderhandelingen. [V] heeft tijdens die lunch gezegd: "Wij zijn ver in het beslissingsproces.(...) Na de lunch in juni 2002 heb ik dhr. [V] nog één keer gezien. (....) Ik hoorde van [Eiser 2] en [Eiser 3] dat de gesprekken met [V] over samenwerking doorgingen.(...)"

Ten aanzien van [X] Nederland heeft [[aandeelhouder]] onder meer verklaard: [V] heeft gezegd dat de juridische dienst van [X] aan het bekijken was in welke vorm de samenwerking gegoten zou moeten worden. De heer [V] heeft gezegd dat [X] zou gaan samenwerken met EYI op het gebied van produceren van jachten tot 35 meter van aluminium of staal en polyester jachten tot 25 meter. [V] heeft gezegd dat hij hierover met d[G] van [X] heeft gesproken en ook met dh[K] [X]. Volgens [V] was de beslissing om samen te werken genomen maar was er nog niet besloten in welke vorm dat zou gebeuren. Ik heb zelf nooit contact gehad met iemand anders van [X] dan [V]." Ook hieruit blijkt dat [[aandeelhouder]] uit de mededelingen van [gedaagde 4] opmaakte dat er slechts met [X] Nederland gesproken was en dat [X] Nederland de (vorm van) samenwerking nog onvoldoende duidelijk vond. Tevens blijkt dat [[aandeelhouder]] ten aanzien van eventuele toestemming door [X] Nederland geen eigen wetenschap heeft, nu hij niemand van [X] Nederland heeft gesproken.

4.18 Getuige G. [S.] (hierna: "[S.]") heeft in het voorlopig getuigenverhoor verklaard: "Ik weet niet of er uiteindelijk een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [Eiser 2] en [Eiser 3] enerzijds en DSO anderzijds". Derhalve kan zijn verklaring niet bijdragen aan bewijs van het bereiken van wilsovereenstemming door partijen. Nu [S.] in zijn getuigenverklaring heeft gesteld dat hij niet weet of er uiteindelijk een overeenkomst tot stand is gekomen, kan een eerdere verklaring op tape daaraan geen afbreuk doen. Derhalve kan het aanbod van EYI c.s. betreffende deze tape buiten beschouwing blijven.

4.19 [gedaagde 4] heeft in zijn verklaring als getuige het bereiken van wilsovereenstemming uitdrukkelijk ontkend. Hij heeft onder meer verklaard: "Ik heb wel gesproken met EYI over een vorm van samenwerking, maar we zijn nooit tot overeenstemming gekomen. Ik heb geen contract getekend. Op 8 november 2002 heb ik een bespreking gehad met de heer [X] van de holding. Wij spraken af dat ik een haalbaarheidsonderzoek zou doen (...) Er waren openstaande facturen m.b.t. de huur en reparaties aan een schip. Ik heb daarover een gesprek gehad met EYI in aanwezigheid van de accountmanager van de bank (...) Er is niet gesproken over een definitieve overeenkomst. Er is wel gesproken over mogelijkheden voor samenwerking in de toekomst, mits er goedkeuring was van de holding in Nederland. Ik heb geen definitieve toezegging gedaan, niet over kosten en niet over de manier van samenwerken. Er was geen formeel groen licht. Als de heer [naam] zegt (...) dat ik heb gezegd dat het licht op groen stond dan klopt dat niet. Ik heb nooit gezegd: "Wij gaan een overeenkomst aan m.b.t. het afbouwen van polyesterjachten". Ik heb nooit gezegd: "Wij hebben een deal". (....) Als ik al het woord deal gebruikt zou hebben, bedoelde ik daar geen overeenkomst mee.(....) Ik heb voor 8 november 2002 tegen EYI gezegd dat er door [X] Holding nog geen keuze was gemaakt voor aluminium-, staal- of polyesterjachten.(...)"

4.20 Wat er ook zij van de stellingen van EYI c.s. over hetgeen [gedaagde 4] nog heeft verklaard op de door EYI c.s. ter griffie van deze rechtbank gedeponeerde geluidsband, deze geluidsband is in een zodanige staat dat zij niet kan worden beluisterd. EYI c.s. heeft in de loop van de procedure nog verwezen naar andere geluidsopname(n) waarop onder meer [gedaagde 4] te beluisteren zou zijn. Voor het door een partij in het geding brengen van een geluidsband door middel van het deponeren daarvan ter griffie, met het doel daardoor bewijs te leveren, is geen verzoek of opdracht van de rechter vereist. Nu EYI c.s. niet de mogelijkheden heeft benut om deze geluidsopname(n) uit eigen beweging over te leggen, zal zij in deze stand van de procedure niet meer in de gelegenheid worden gesteld om dit alsnog te doen.

4.21 Behalve op bovengenoemde schriftelijke verklaringen en de verklaringen in het voorlopig getuigenverhoor, beroept EYI c.s. zich nog op de volgende omstandigheden:

- de berekening van de zijde van [X], zoals overgelegd bij de akte van 7 mei 2003,

- het bij [X] België plaatsen van het Casco,

- de door EYI c.s. geplaatste advertentie in het blad Motorboot,

- afspraken met de fabrikant van het casco via [[aandeelhouder]],

- afspraken met [jachtenontwerper] over het gebruik van diens naam, en

- het na het einde van de huurovereenkomst voortgezette gebruik van de gehuurde ruimte.

Ten aanzien van deze omstandigheden wordt als volgt overwogen.

4.22 Het feit dat de door EYI c.s. bedoelde berekening is gemaakt en het plaatsen van het Casco bij [X] België zijn evenzeer verenigbaar met de lezing van [X] c.s. dat er slechts sprake was van besprekingen over het Casco. Bovendien vormt de omstandigheid dat het Casco al in oktober 2002 is weggehaald, nadat de offerte van [X] c.s. voor het afbouwen te hoog was bevonden, een sterke aanwijzing voor de juistheid van de lezing van [X] c.s..

4.23 Uit de bewuste advertentie blijkt niet dat er sprake is van de door EYI c.s. gestelde samenwerking. Voorts is gesteld noch gebleken dat [gedaagde 4] of [X] c.s. bij het plaatsen van de advertentie betrokken is geweest.

4.24 Ten aanzien van de gestelde afspraken met een fabrikant is onduidelijk of gedoeld wordt op de fabrikant van het Casco of een fabrikant van andere casco's. Wat hier van zij, ten aanzien van de gestelde afspraken met de fabrikant en met [jachtenontwerper] is gesteld noch gebleken dat deze afspraken (mede) door [X] c.s. zouden zijn gemaakt. Eventuele afspraken van de zijde van EYI c.s. met dergelijke derden vormen geen bewijs voor wilsovereenstemming tussen [Eiser 3] en[Eiser 2] enerzijds en [X] België en/of [X] Nederland anderzijds. Het nadere bewijsaanbod van EYI c.s. ten aanzien van de genoemde afspraken wordt dan ook gepasseerd.

4.25 Ongeacht of het gebruik van de gehuurde ruimte inderdaad na beëindiging van de huurovereenkomst is voortgezet door EYI c.s., is dit geen aanwijzing dat er sprake is van wilsovereenstemming over de door EYI c.s. gestelde onderwerpen.

4.26 Gelet op het voorgaande kunnen de door EYI c.s. aangevoerde omstandigheden noch apart, noch in onderlinge samenhang beschouwd tot bewijs dienen van de door EYI c.s. gestelde wilsovereenstemming.

4.27 In haar conclusie van repliek herhaalt EYI c.s. haar bewijsaanbod ten aanzien van het totstandkomen van de door haar gestelde rompovereenkomst. Er heeft een uitgebreid voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Aangezien alle partijen bij dit verhoor aanwezig of vertegenwoordigd zijn geweest, hebben de daar afgelegde getuigenverklaringen dezelfde bewijskracht als verklaringen die op de gewone wijze in een aanhangig geding zijn afgelegd. Gelet op hetgeen [X] c.s. heeft aangeboden te bewijzen in het voorlopig getuigenverhoor, is in het verhoor uitdrukkelijk de vraag aan de orde gekomen of de door EYI c.s. gestelde wilsovereenstemming is bereikt. Bovendien zijn in het verhoor aan de zijde van EYI c.s. alle door EYI c.s. in haar bij dagvaarding gedane bewijsaanbod bij naam genoemde getuigen gehoord. Het door EYI c.s. nog aangeboden bewijs door middel van het horen van mogelijke klanten voor de te bouwen jachten is onvoldoende onderbouwd en onvoldoende relevant om tot het bewijs van het bereiken van wilsovereenstemming te kunnen leiden en wordt daarom gepasseerd.

4.28 Op grond van al het voorgaande wordt het volgende overwogen. Met de aangevoerde bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang beschouwd- is niet het bewijs geleverd dat op 30 mei 2002 of op enig ander moment wilsovereenstemming is ontstaan tussen [Eiser 3] en [Eiser 2] enerzijds en [X] België anderzijds over de door EYI c.s. gestelde samenwerkingsovereenkomst.

Precontractuele fase

4.29 Als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Dit is een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf.

4.30 Anders dan [X] c.s. stelt, is bovengenoemde maatstaf niet alleen van toepassing indien partijen met elkaar "onderhandelen". Ook als partijen anders dan door onderhandelingen betrokken zijn bij het voorbereiden van een tussen hen te sluiten overeenkomst, dient bij het beoordelen van het staken van die voorbereidingen deze maatstaf te worden gehanteerd. [gedaagde 4] heeft gedurende een periode van meer dan een jaar diverse besprekingen gevoerd met [Eiser 3] en [Eiser 2], waarbij de mogelijke samenwerking bij de afbouw van polyester jachten uitdrukkelijk aan de orde kwam. [gedaagde 4] heeft hierover ook inhoudelijk gesproken met [X] Nederland. Gelet op deze omstandigheden en op het beeld dat uit de getuigenverklaringen naar voren is gekomen over de gevoerde besprekingen, moet het ervoor worden gehouden dat er sprake was van een rechtens relevante precontractuele fase en dat het beëindigen van de besprekingen dient te worden getoetst aan bovengenoemde maatstaf.. Daarbij kan in het midden blijven of er wel of geen sprake was van daadwerkelijke onderhandelingen.

4.31 Zoals ook blijkt uit de stellingen van EYI c.s., was het bouwen van jachten onder de naam [jachtenontwerper] en volgens het concept [jachtenontwerper] één van de belangrijkste onderdelen van de door EYI c.s. gestelde overeenkomst. Bij conclusie van dupliek heeft [X] c.s. over dit onderwerp twee verklaringen van [jachtenontwerper] overgelegd en aanvullend verweer gevoerd. Aangezien het een verweer ten principale is en er al eerder verweer ten principale is gevoerd, komt dit niet in strijd met het beginsel van concentratie van verweer bij antwoord. Dit geldt eens te meer nu deze verklaringen niet bij conclusie van antwoord van 4 juni 2003 overgelegd konden worden, nu zij dateren van eind januari 2007. Voorts is EYI c.s. in de gelegenheid gesteld zich over de overgelegde verklaringen uit te laten. Derhalve kunnen deze verklaringen in de beoordeling van het geschil worden betrokken.

4.32 De schriftelijke verklaring van 29 januari 2007 van [jachtenontwerper] luidt, voor zover van belang, als volgt : "Only through my company can a person get a plan of a design of one of my boats, which is necessary to complete it. (...)It is not true what Mr [Eiser 3] and Mr. [Eiser 2] say, that they have contacted me and that I wanted very much to work with them. Mr [Eiser 3] did ask me in February 2002 on behalf of Crea Yachts for the plans of the Sunquest 58/62. I have sent Crea Yachts the plans. They are therefore entitled to build one boat Sunquest 58/62 in accordance with my plans. I have a copy of the invoice which is attached tot this statement. (...) You say that Mr. [Eiser 3] and Mr. [Eiser 2] have written a business plan and that my name also occurs in this plan. They have never consulted me about this. I know nothing about this. (...)You show me an advertisement with among other things the text 'Bennet 58'(.........) and '[jachtenontwerper] series from 50 FT tot 80 FT'. I see they use my name. The do not have the right to do this. I have never given them permission to do so I have never done any business with EYI or Mr. [Eiser 3] or Mr. [Eiser 2] or Mr. [[aandeelhouder]] or Crea Yachts except for the plans of one Sunquest 58/62 to Crea Yachts." In een aanvullende verklaring van 31 januari 2007 heeft [jachtenontwerper] onder meer verklaard: "I also would like tot stress that it is not possible to speak about a [jachtenontwerper] 68 or 78 design. My designs stop at 60-62 foot."

4.33 EYI c.s. laat zich slechts summier uit over de verklaring van [jachtenontwerper]. Zij stelt dat [Eiser 3] tweemaal telefonisch en eenmaal een persoonlijke bespreking heeft gehad met [jachtenontwerper]. Besproken zou zijn dat de naam van [jachtenontwerper] zou kunnen worden verbonden aan het ontwerp van het schip, tegen betaling van een vergoeding daarvoor. EYI c.s. stelt verder dat met [jachtenontwerper] overeenstemming bestond over het tarief voor het gebruik van de naam voor het kleinste jacht van de serie en dat over grotere jachten met hem (nog) niet is gesproken. Deze stellingen van EYI c.s. vormen geen weerlegging van de verklaring van [jachtenontwerper], nu zij zo gelezen kunnen worden dat [jachtenontwerper] toestemming heeft gegeven om zijn naam te verbinden aan het nog af te bouwen Casco. In het licht van de verklaringen van [jachtenontwerper] en de uitlatingen hierover van EYI c.s., is het bewijsaanbod van EYI c.s. over de contacten met [jachtenontwerper] niet relevant en niet ter zake dienend, zodat hieraan wordt voorbijgegaan.

4.34 Gezien het bovenstaande wordt vastgesteld: dat [jachtenontwerper] slechts heeft gesproken met [Eiser 3], dat [jachtenontwerper] slechts toestemming heeft gegeven voor het afbouwen van het Casco volgens het concept [jachtenontwerper] en dat over verdere samenwerking ten aanzien van het bouwen van meerdere boten volgens dit concept niet met [jachtenontwerper] is gesproken. Tevens wordt vastgesteld dat de ontwerpen van de door EYI c.s. genoemde grotere jachten ([jachtenontwerper] 68 en 78) niet bestaan.

4.35 Het voorgaande betekent dat er geen sprake kan zijn geweest van gerechtvaardigd vertrouwen van [Eiser 3] en [Eiser 2] in het totstandkomen van de door EYI c.s. gestelde overeenkomst, nu het afbouwen van meerdere jachten volgens het concept [jachtenontwerper] en onder de naam [jachtenontwerper] daarvan een essentieel onderdeel vormde. Bovendien blijkt uit de getuigenverklaringen van [Eiser 3] en [Eiser 2] dat zij bij [gedaagde 4] een onjuiste indruk hebben gewekt over afspraken met [jachtenontwerper]. Aldus hebben [Eiser 3] en [Eiser 2] hun gedrag niet laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van hun mogelijk toekomstige contractspartij. Reeds vanwege de hiervoor genoemde redenen komt EYI c.s. geen beroep toe op een verplichting van [X] c.s. tot vergoeding van door EYI c.s. geleden schade als gevolg van het afbreken van de besprekingen. Derhalve kunnen de overige stellingen van EYI c.s. over de precontractuele fase onbesproken blijven en wordt aan het bewijsaanbod van EYI c.s. ter zake van de contacten met Bishop en de hoogte van de schade niet meer toegekomen.

Conclusie

4.36 Gelet op al het bovenstaande worden de vorderingen van EYI c.s. afgewezen.

4.37 Als de in het ongelijk gestelde partij zal EYI c.s. worden veroordeeld in de proceskosten.

4.38 De rechter voor wie het voorlopig getuigenverhoor is gehouden, maakt wegens zijn vertrek uit de rechtbank geen deel uit van de meervoudige kamer die dit vonnis wijst.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt EYI c.s. in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [X] c.s. bepaald op € 16.055,= (5 punten, tarief VIII) aan salaris van de procureur en € 4.929,50 aan verschotten, waarvan € 262,50 aan taxen en € 4.667,= aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.J.P. van Essen, P.W. van Baal en P.M. Arnoldus-Smit en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 juni 2007.