Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA9438

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
AWB 07/516
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betrokken ambtenaar is geschorst in zijn ambt en de toegang tot de werkplek ontzegd. Naar aanleiding van nader onderzoek is hem strafontslag gegeven wegens het onjuist respectievelijk frauduleus declareren van kosten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers handelen met betrekking tot het declareren van koek, snoep en chips alsmede het indienen van twee beschadigde bonnen aangemerkt kan worden als plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim vormt echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende grond voor de vaststelling dat sprake is van zeer ernstig dan wel ernstig plichtsverzuim. Oplegging van de zwaarste straf van ongevraagd ontslag acht de voorzieningenrechter onder de omstandigheden van dit geval onevenredig ten opzichte van het plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/516

uitspraak van de voorzieningenrechter

inza[XXX],

wonende te Barendrecht, verzoeker,

gemachtigde: mr. M. Wiersma, advocaat te Rotterdam,

tegen

het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en

Waardebepaling, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W.C. van Kleef, werkzaam bij Van Kleef & Partners BV

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 19 oktober 2006 verzoeker geschorst in zijn ambt en hem met onmiddellijke ingang de toegang tot de werkplek ontzegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 23 oktober 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Verweerder heeft bij besluit van 23 januari 2007 verzoeker met onmiddellijke ingang de disciplinaire maatregel van ongevraagd ontslag opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 29 januari 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 29 januari 2007 heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Bij uitspraak van 7 maart 2007 is het verzoek is toegewezen waarbij het besluit van 23 januari 2007 is geschorst tot zes weken na de dag waarop de beslissing op bezwaar is verzonden.

Bij brief van 3 april 2007 heeft verzoeker een beroepschrift ingediend tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar van 29 januari 2007.

Bij besluit van 11 mei 2007 heeft verweerder beslist op de bezwaren van 23 oktober 2006 en 29 januari 2007 en ongegrond verklaard.

De voorzieningenrechter acht het beroep van 3 april 2007 van verzoeker op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb mede gericht tegen het besluit van 11 mei 2007.

Bij brief van 29 mei 2007 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 21 juni 2007 ter zitting behandeld.

Verzoeker is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, bijgestaan door A.J. Verzijl, directeur bedrijfsvoering van het SVHW en mr. B. de Bruin.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Artikel 1 van de Verordening dienstreizen SVHW (hierna: de Verordening) luidt, voorzover van belang, als volgt:

In deze verordening wordt verstaan onder:

a) Werkgever: SVHW;

b) Medewerker: de ambtenaar in de zin van artikel 1.1.1 onder a SAW;

d) Dienstreis: de noodzakelijke verplaatsing van de medewerker voor het verrichten van dienst buiten de standplaats, alsmede het verblijf buiten de standplaats in verband met dezelfde dienstverrichting. De verplaatsing en het verblijf moeten het gevolg zijn van een opdracht door de bevoegd leidinggevende of achteraf door de bevoegd leidinggevende zijn goedgekeurd.

Artikel 5 van de Verordening luidt, voorzover van belang, als volgt:

1. Indien aan dienstreizen verblijfkosten zijn verbonden, worden deze vergoed conform de vergoedingsbedragen zoals vermeld in het uitvoeringsbesluit, welke zijn afgeleid van de Reisregeling binnenland.

2. Kosten voor ontbijt, lunch, diner en overnachting worden slechts vergoed, indien de werkzaamheden waarvoor de dienstreis wordt gemaakt redelijkerwijs niet kunnen worden volbracht, zonder genoemde maaltijden of overnachting buiten de standplaats of woning plaats te laten vinden.

Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Verordening dienstreizen SVHW (hierna: het Uitvoeringsbesluit) luidt, voorzover van belang, als volgt:

2. Voor verblijfskosten worden maximale vergoedingen conform de bedragen in artikel 5 van Reisregeling binnenland gehanteerd. Met ingang van 1 januari 2005 wordt maximaal per dag aan verblijfskosten vergoed voor:

b. lunch: € 10,96;

d. koffie/thee overdag: € 3,48.

3. Om voor vergoeding van verblijfskosten in aanmerking te komen, moet de werknemer de gemaakte kosten met nota's aantoonbaar maken.

Artikel 5 van de Reisregeling binnenland (hierna: Reisregeling), zoals dat gold van 1 januari 2005 tot en met 31 januari 2005, luidt, voorzover van belang, als volgt:

1. De vergoeding wegens verblijfskosten als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het besluit omvat voor ieder vol etmaal dat de dienstreis duurt een bedrag van € 3,56 voor kleine uitgaven overdag (dagcomponent) (...) vermeerderd met:

a. € 11,21 voor een lunch (lunchcomponent);

Artikel 5 van de Reisregeling, zoals dat gold van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006, luidt, voorzover van belang, als volgt:

1. De vergoeding wegens verblijfkosten als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het besluit

omvat voor ieder vol etmaal dat de dienstreis duurt een bedrag van € 3,64 voor kleine uitgaven overdag (dagcomponent) (...) vermeerderd met:

a. € 11,46 voor een lunch (lunchcomponent);

Ingevolge artikel 6.2.1, eerste lid, van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel (hierna: SAW) is de ambtenaar gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

Artikel 7.1.1 van de SAW luidt als volgt:

1. De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel der Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft.

2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 7.1.2, eerste lid, aanhef en onder j, van de SAW kan ongevraagd ontslag als disciplinaire straf worden toegepast.

Artikel 8.2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de SAW luidt als volgt:

Onverminderd het bepaalde in artikel 7.1.2 kan de ambtenaar door het dagelijks bestuur worden geschorst in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.

Artikel 6.2.15 van de SAW luidt als volgt:

Aan de ambtenaar kan door of namens het dagelijks bestuur de toegang tot de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.

2.3 Als gevolg van de fusie van vier waterschappen op 1 januari 2005 is een tiental deurwaarders/bestandcontroleurs, waaronder verzoeker, van het voormalig Zuiveringsschap Zuid-Hollandse Eilanden en Waarden (hierna: ZHEW) bij het reeds bestaande SVHW in dienst gekomen. Bij het ZHEW hadden de medewerkers recht op een maandelijks vaste (forfaitaire) onkostenvergoeding voor verblijfskosten ongeacht de werkelijk gemaakte kosten. Na de overgang naar het SVHW is deze vaste vergoeding komen te vervallen en is een systematiek van declareren op basis van werkelijk gemaakte verblijfskosten ingevoerd.

Eind 2005 waren er bij verweerder signalen binnengekomen dat declaraties van verblijfskosten van de deurwaarders/bestandcontroleurs niet conform de geldende regelgeving waren opgesteld en ingediend.

Nadat in april 2006 een intern onderzoek bij verweerder had plaatsgevonden heeft verweerder Deloitte Bijzonder Onderzoek & Integriteitsadvies B.V. (hierna: Deloitte) een onderzoek laten instellen naar een negental medewerkers, waaronder verzoeker, over de periode juli 2005 tot en met maart 2006. In het kader van dat onderzoek is verzoeker op 6 juli 2006 geïnterviewd.

Op 12 september 2006 heeft Deloitte de rapportage naar aanleiding van het onderzoek inzake verzoeker aan verweerder toegezonden waarin is opgenomen als volgt: "In circa 8% van de door [XXX] gedeclareerde verblijfskosten zijn geen bonnen ter onderbouwing bijgevoegd. Door [XXX] is op de door hem ingediende declaratieformulieren de omschrijvingen "geen bon" niet vermeld. In de Uitvoeringsbesluit is bepaald dat gezien de reguliere werktijden van [XXX] de kosten voor de lunch en koffie/thee overdag declarabel zijn als verblijfskosten. [XXX] heeft meerdere keren de kosten van snoep, loempia's, gegrilde borrelhapjes, oerhammetjes, hotwings en kiploempia's als noodzakelijke verblijfkosten gedeclareerd. Door [XXX] zijn ter onderbouwing van de gemaakte noodzakelijke verblijfskosten, incomplete bonnen (zonder bovenzijde waarop het adres is vermeld) overgelegd waarvan één bon afkomstig is van V&D aan het Beursplein te Rotterdam. Deze locatie (het Beursplein te Rotterdam) behoort niet tot het werkgebied van SVHW, in casu [XXX]."

Op 19 oktober 2006 heeft verweerder een bijeenkomst met de medewerkers belegd waarin de medewerkers zijn geïnformeerd over de verdere voortgang van het onderzoek naar het declaratiegedrag.

Aan het einde van de bijeenkomst, waarbij verzoeker aanwezig was, is aan verzoeker een brief, gedateerd 19 oktober 2006, uitgereikt waarin werd medegedeeld dat mr. H.J.G. Bruens (hierna: Bruens) een nader disciplinair onderzoek naar het declaratiegedrag zou doen en dat verzoeker werd uitgenodigd voor een interview met Bruens op 2 november 2006.

In diezelfde brief heeft verweerder meegedeeld dat hij verzoeker met ingang van 19 oktober 2006 voor de duur van het nadere disciplinaire onderzoek door Bruens en de tijd die nodig was voor de voorbereiding van en (definitieve) besluitvorming daarover was geschorst en dat hem de toegang tot de werkplek was ontzegd. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 23 oktober 2006 bezwaar gemaakt.

Op 2 november 2006 heeft Bruens met verzoeker gesproken.

In het rapport van bevindingen van 22 november 2006 van Bruens wordt met betrekking tot verzoeker het volgende opgemerkt: "Over de heer [XXX] wijkt mijn oordeel ten opzichte van de andere medewerkers af. Hij kon specifiek aangeven hoe de regeling bij het ZHEW was ontstaan en maakte duidelijk, dat hij zijn werkwijze koos los van collega's. Hij kwam als enige dinsdags op kantoor om nieuw werk op te halen en sprak de heer [YYY] daarom niet. Die laatste was er immers 's maandags en nam dan deel aan het MT. Ondanks de afwezigheid van leiding nam betrokkene zijn eigen verantwoordelijkheid en onderscheidde hij zich in positieve zin door zijn productie. Ook had hij een prompt antwoord op mijn vraag over ontbijtkosten.

Uit het rapport van Deloitte BO&I blijken wel enige bonnen die tot discussie aanleiding geven. Het percentage van niet met bonnen belegde kosten is echter duidelijk minder dan bij de rest. Hoewel ik correctie achteraf op zijn plaats acht, acht ik bij betrokkene voldoende normbesef en loyaliteit aanwezig.

Hij gaf er blijk van graag weer aan het werk te willen bij het SVHW. (..)

Samenvattend hebben de heren (..) zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Met uitzondering van dat van de heer [XXX], is dat te kwalificeren als zeer ernstig, respectievelijk ernstig plichtsverzuim. Het plichtsverzuim bestaat kort samengevat daaruit, dat deze medewerkers de nieuwe declaratieregels niet ten volle hebben aanvaard en vervolgens onjuist, respectievelijk frauduleus hebben gedeclareerd."

Bij brief van 27 november 2006 heeft verweerder verzoeker verzocht mede te delen wat de aard was van zijn lunchafspraak op 28 maart 2006 bij het V&D filiaal aan het Beursplein te Rotterdam.

Bij brief van 30 november 2006 heeft verzoeker verweerder medegedeeld dat hij op 28 maart 2006 bij bovengenoemd V&D filiaal heeft geluncht met een privé-relatie. Tijdens deze lunch heeft hij twee broodjes genuttigd en twee drinkconsumpties; het derde broodje was bedoeld voor consumptie later op de dag. Verzoeker heeft uitsluitend eigen consumpties gedeclareerd.

Bij brief van 8 december 2006 heeft verweerder aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt hem disciplinair te straffen met de maatregel van ongevraagd ontslag met onmiddellijke ingang wegens zeer ernstig plichtsverzuim.

Bij brief van 18 december 2006 heeft verzoeker zijn zienswijze ten aanzien van het voornemen tot het opleggen van strafontslag kenbaar gemaakt.

2.4. In het bestreden besluit is het bezwaar tegen het besluit van 19 oktober 2006 ten aanzien van de schorsing en ontzegging van toegang tot de werkplek en het bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2007 ten aanzien van het ontslag, ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich laten adviseren door de heer A.J.M. Kerstens (hierna: Kerstens). Onder verwijzing naar het advies van Kerstens, dat verweerder heeft overgenomen, heeft verweerder de besluiten van 19 oktober 2006 respectievelijk 23 januari 2007 gehandhaafd.

De regels ter zake van het nieuwe declaratiesysteem zijn door middel van een brief van 13 april 2005 overhandigd. De bewering dat verzoeker deze brief met bijlagen niet zou hebben ontvangen acht verweerder bezijden de waarheid. Verweerder stelt dat verzoeker in elk geval vanaf 6 juni 2006 op de hoogte was van de nieuwe declaratieregels. Verweerder merkt op dat nimmer is medegedeeld dat de nieuwe regelgeving inzake de declaraties zou worden geëvalueerd. Verweerder meent dat onder de kosten van lunch en koffie c.q. thee overdag niet kosten voor koek, chips, snacks en snoep worden verstaan. Deze kosten kunnen dan ook niet als noodzakelijke verblijfskosten worden gedeclareerd. Daarnaast wordt verzoeker zwaar aangerekend dat hij (twee) beschadigde bonnen heeft ingediend, met name de beschadigde bon van de V&D, gedateerd 28 maart 2006, waardoor het niet zichtbaar is welk filiaal van V&D dit betrof. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat dit het filiaal was van V&D aan het Beursplein te Rotterdam, derhalve buiten verzoekers werkgebied.

Deze kosten hadden dan ook niet mogen worden gedeclareerd. Ook is verzoekers verklaring omtrent de lunch niet eenduidig. Verzoeker heeft ervoor gekozen de desbetreffende lunch te declareren, hetgeen impliceert dat hij vragen daarover naar waarheid, eer en geweten zonder enig voorbehoud heeft te beantwoorden.

Verweerder verwijst naar een nadere reactie van 7 maart 2007 van Bruens.

Verweerder is van oordeel dat ongeacht het feit dat verzoeker niet is aangesproken op zijn declaratiegedrag, het declaratiegedrag van verzoeker op zichzelf al volstrekt ontoelaatbaar en strafwaardig is te achten, te meer gezien zijn functie. Verweerder is niet gebleken dat het plichtsverzuim niet aan verzoeker kan worden toegerekend.

Verweerder is van oordeel dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim en gezien de aard en de ernst daarvan acht hij de opgelegde disciplinaire maatregel van ongevraagd ontslag niet onevenredig.

Verweerder is voorts van mening dat gelet op hetgeen uit het onderzoek door Deloitte naar voren is gekomen er voldoende aanleiding was om verzoeker gedurende het nadere onderzoek en verdere besluitvorming te schorsen en hem de toegang tot de werkplek te ontzeggen.

2.5 Verzoeker meent dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar plichts-verzuim en voor zover al sprake zou zijn van enig plichtsverzuim de hem verweten gedragingen de maatregel van ontslag niet kunnen rechtvaardigen. Verzoeker blijft bij zijn verklaring dat hem eerst op 6 juni 2005 mededeling is gedaan omtrent de nieuwe declaratieregels. Verzoeker heeft de brief van 13 april 2005 niet ontvangen. Verzoeker merkt op dat zelfs indien hij de Verordening en het Uitvoeringsbesluit bij brief van 13 april 2005 zou hebben ontvangen, hij niet uitsluit dat hem op basis daarvan zonder nadere toelichting niet zonder meer duidelijk zou zijn geweest dat hij met ingang van 1 mei 2005 zijn declaratiegedrag diende te wijzigen. Verzoeker heeft onder het begrip "verblijfskosten" verstaan de kosten voor lunch en kleine uitgaven overdag. Hij verwijst in dit verband naar de Reisregeling binnenland. Verzoeker zegt dat hij uitsluitend heeft gedeclareerd zonder bon in de gevallen die door de heer Bervoets, verweerders directeur, in het gesprek op 6 juni 2005 waren aangegeven. Met betrekking tot de lunch op 28 maart 2006 erkent verzoeker dat hij achteraf gezien wellicht beter direct aan verweerder had kunnen meedelen met wie hij had geluncht. Verzoeker is van mening dat zijn verklaring omtrent de lunch niet maakt dat verweerder hieraan geen geloof meer kan hechten. Verzoeker wijst erop dat Bruens heeft geoordeeld dat verzoeker integer en loyaal is. Voorts is verzoeker van mening dat hij ten onrechte is geschorst en dat hem ten onrechte de toegang tot de werkplek is ontzegd. Voor het handhaven van dit besluit bestond in elk geval na het gesprek met Bruens respectievelijk na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 maart 2007 niet langer voldoende grond. In dit verband voert verzoeker aan dat verweerder in strijd met de regelgeving niet een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing heeft aangegeven.

2.6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Ten aanzien van het strafontslag overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter dient allereerst de vraag te beantwoorden of er sprake is van plichtsverzuim.

Volgens het bestreden besluit bestaat het plichtsverzuim - kort samengevat - eruit dat verzoeker de nieuwe declaratieregels niet ten volle heeft aanvaard en vervolgens onjuist respectievelijk frauduleus kosten heeft gedeclareerd die niet vallen onder de betreffende regelgeving.

Ten aanzien van de ter zitting namens verweerder gedane mededeling dat het verwijt met betrekking tot het declareren van snacks is vervallen, althans dat dit wat verweerder betreft een ondergeschikte discussie betreft en het gestelde in het besluit inzake het indienen van declaraties zonder bon slechts een constatering, en geen verwijt, overweegt de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit in zoverre in beroep geen stand zal kunnen houden.

Met betrekking tot het al dan niet ten volle aanvaarden van de declaratieregels overweegt de voorzieningenrechter dat vaststaat dat verzoeker in ieder geval vanaf de bijeenkomst op 6 juni 2005 met de directeur op de hoogte was van de nieuwe declaratieregels, te weten het declareren met bonnen, en dat hij vanaf dat moment ook in de regel met bonnen heeft gedeclareerd. De volgens verweerder onjuiste declaraties dateren van ruim na 6 juni 2005.

De rechtbank is niet gebleken dat verzoeker gedurende de door Deloitte onderzochte periode van juli 2005 tot en met maart 2006 de nieuwe regelgeving met betrekking tot het declareren niet heeft geaccepteerd. Dat verzoeker op sommige punten in strijd met de regelgeving heeft gedeclareerd kan niet leiden tot de conclusie dat verzoeker de nieuwe declaratieregels niet heeft aanvaard. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in zoverre geen sprake van plichtsverzuim.

Met betrekking tot het verwijt van onjuist respectievelijk frauduleus declareren van kosten die niet vallen onder de betreffende regelgeving overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat de declaratieregels van toepassing zijn zoals die zijn neergelegd in de Verordening en het Uitvoeringsbesluit. In de Verordening en het Uitvoeringsbesluit is, anders dan in de Reisregeling, geen vergoeding opgenomen voor kleine uitgaven overdag zoals koek, snoep en chips. Koek, snoep en chips vallen evenmin onder lunch of koffie en thee als genoemd in artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit.

De door verzoeker gedeclareerde kosten van koek, snoep en chips kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelet hierop niet als noodzakelijke verblijfskosten worden gedeclareerd. In zoverre is sprake van plichtsverzuim.

Met betrekking tot het indienen van de bon van 28 maart 2006 van V&D Beursplein te Rotterdam en de bon van € 1,50 van een bakkerij stelt verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht dat de bonnen beschadigd zijn. Met betrekking tot verweerders stelling dat V&D Beursplein buiten verzoekers werkgebied ligt zodat deze bon niet had mogen worden gedeclareerd overweegt de voorzieningenrechter dat, daargelaten dat noch in de Verordening noch in het Uitvoeringsbesluit is vermeld dat er slechts binnen het werkgebied mag worden geluncht, er is gebleken dat verzoeker op 28 maart 2006 werkzaam was op de Kop van Zuid te Rotterdam, zodat V&D Beursplein zeer nabij zijn werkgebied lag. Met betrekking tot verweerders twijfel ten aanzien van de omvang van de door verzoeker op 28 maart 2006 gedeclareerde lunch, welke, zo heeft de voorzieningenrechter ter zitting kunnen vaststellen, van een flinke omvang is, wijst de voorzieningenrechter er op dat verzoeker ook op 21 december 2005 drie broodjes bij een V&D-vestiging heeft gedeclareerd die door verweerder zijn vergoed. Daarbij komt dat verzoeker heeft aangegeven dat hij het derde op 28 maart 2006 gedeclareerde broodje later op de dag heeft genuttigd. Ook in dit kader merkt de voorzieningenrechter nog op dat noch in de Verordening noch in het Uitvoeringsbesluit wordt aangegeven dat de lunch in een bepaalde periode moet worden gekocht en/of genuttigd.

Ten aanzien van het verwijt van verweerder dat verzoeker heeft nagelaten tijdig openheid van zaken te geven met betrekking tot zijn lunchpartner (te weten zijn echtgenote) op 28 maart 2006 en dat hij daarover tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd overweegt de voorzieningenrechter dat de latere verklaring van verzoeker naar haar oordeel niet betekent dat hieraan geen geloof meer kan worden gehecht.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers handelen met betrekking tot het declareren van koek, snoep en chips alsmede het indienen van twee beschadigde bonnen aangemerkt kan worden als plichtsverzuim.

Dit plichtsverzuim vormt echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende grond voor de vaststelling dat sprake is van zeer ernstig dan wel ernstig plichtsverzuim.

Met betrekking tot de beoordeling van de vraag of evenredigheid bestaat tussen het plichtsverzuim en de opgelegde straf is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder door verzoeker direct met strafontslag te confronteren te snel van dit uiterste middel gebruik heeft gemaakt. De voorzieningenrechter betrekt bij dat oordeel de relatief lichte aard van de gedraging, de omstandigheid dat verzoeker nooit op enige onjuistheid ten aanzien van zijn declaraties is gewezen, het feit dat de declaraties door verweerder zijn uitbetaald en de lange periode waarover het declaratiegedrag van verzoeker is onderzocht alsmede het gedurende 20 jaar goed functioneren van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst in dit kader ook op het rapport van Bruens waaruit blijkt dat verzoeker een andere positie inneemt dan de overige ontslagenen. Blijkens diens nadere reactie van 7 maart 2007 stelt Bruens zich overigens nog steeds op dit standpunt.

Oplegging van de zwaarste straf van ongevraagd ontslag acht de voorzieningenrechter onder de omstandigheden van dit geval onevenredig ten opzichte van het plichtsverzuim.

Gelet op het vorenstaande komt het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het ontslagbesluit in aanmerking voor toewijzing.

Ten aanzien van het besluit tot schorsing en het ontzeggen van de toegang tot de werkplek, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Verweerder heeft verzoeker geschorst in het belang van de dienst en hem de toegang tot de werkplek ontzegd voor de duur van het onderzoek door Bruens en de tijd die nodig was voor de (definitieve) besluitvorming.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder verzoeker gedurende het onderzoek en de besluitvorming heeft kunnen schorsen en hem de toegang tot de werkplek heeft kunnen ontzeggen.

De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de afweging van het belang van verweerder om de schorsing en de werkplekontzegging te laten voortduren en het belang van verzoeker om het schorsingsbesluit en de werkplekontzegging te schorsen. Nu het onderzoek inmiddels is afgerond en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het disciplinaire ontslag bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond meer voor het doen voortduren van de schorsing en de werkplekontzegging. Het is de voorzieningenrechter overigens niet gebleken dat verweerder zijn belang bij voortzetting van de schorsing en de werkplekontzegging heeft afgewogen tegen dat van verzoeker.

De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande eveneens aanleiding de voorlopige voorziening toe te wijzen voor zover die betrekking heeft op de schorsing en de werkplekontzegging.

De voorlopige voorziening wordt derhalve toegewezen.

Dit houdt in dat het de beslissing op bezwaar van 11 mei 2007 alsmede de primaire besluiten van 19 oktober 2006 en 23 januari 2007 worden geschorst totdat op het beroep is beslist.

Om verweerder in de gelegenheid te stellen verzoekers terugkeer voor te bereiden, gaat de schorsing van het besluit van 19 oktober 2006 en van het besluit van 11 mei 2007 voorzover dit betrekking heeft op de schorsing en de werkplekontzegging in één week na verzending van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, in samenhang met artikel 8:84 van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,00 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 322,00 en wegingsfactor 1,5 vanwege het zware gewicht van de zaak).

De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht van € 141,00 door het SVHW wordt vergoed.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht,

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst de beslissing op bezwaar van 11 mei 2007 alsmede de primaire besluiten van 19 oktober 2006 en 23 januari 2007 totdat op het beroep is beslist, met dien verstande dat de schorsing van het besluit van 19 oktober 2006 en van het besluit van 11 mei 2007 voorzover dit betrekking heeft op de schorsing en de werkplekontzegging ingaat één week na verzending van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 966,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst het SVHW aan als rechtspersoon die voormelde proceskosten aan verzoeker moet vergoeden;

- bepaalt dat het SVHW aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.J.M. Marseille, voorzieningenrechter, en door deze en mr. J.M. van Noord-Markesteijn, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2007

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.