Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA9128

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/500 en AWB 06/666 t/m AWB 06/689
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BL4275, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. De kennelijke opvatting van eiseres dat reeds de betaling van een vergoeding voor het gebruik van de kade (en loswal) uit hoofde van een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente Oud-Beijerland eraan in de weg staat dat zij belastingplichtige is vanwege het gebruik van de kade als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, is onjuist. Die situatie doet zich slechts voor indien de kade door die overeenkomst aan de bestemming voor de openbare dienst is onttrokken (vergelijk: HR 5 september 2003; BNB 2004, 23).

2. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich kennelijk en terecht op het standpunt dat de kade “voor de openbare dienst bestemd” is als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de kade de bestemming voor de openbare dienst heeft verloren door de overeenkomst tussen M.en de gemeente O., althans is niet gebleken van een recht op een zodanig exclusief gebruik dat de kade geacht kan worden daardoor aan de bestemming voor de openbare dienst te zijn onttrokken. Voorts is van belang dat het vereiste van voorafgaande toestemming door de gemeente (de havenmeester) voor het innemen van een ligplaats in de haven, naar verweerder onbetwist heeft toegelicht, in Nederlandse havens in het algemeen en ook in de onderhavige haven gebruikelijk is voor schepen die er niet hun thuishaven hebben. Reeds om die reden doet dit vereiste niet af aan de bestemming voor de openbare dienst. Evenmin blijkt het door eiseres gestelde exclusieve gebruiksrecht uit de wijze waarop de partijen bij de overeenkomst daaraan uitvoering hebben gegeven. Voorts staat als niet door eiseres betwist vast dat verweerder stelselmatig andere (rechts-)personen dan eiseres in de heffing van havengeld heeft betrokken, voor het gebruik van de kade, hetgeen niet wijst op een zodanig exclusief gebruiksrecht voor eiseres dat de kade daardoor geacht moet worden aan de openbare dienst te zijn onttrokken. Nu de kade niet als gevolg van voormelde overeenkomst aan de openbare dienst is onttrokken noch daarvan anderszins is gebleken, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de kade een bij de haven behorend voor de scheepvaart bestemd gemeentelijk werk is als bedoeld in artikel 2 van de Verordening. Verweerder is dus bevoegd tot heffing.

3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres in de heffing van de havengelden mogen betrekken. Ingevolge artikel 3 van de Verordening zijn belastingplichtig voor het gebruik van de kade met vaartuigen: de schipper, de reder, de eigenaar van het schip, degene aan wie het schip in gebruik is gegeven, of degene die als vertegenwoordiger van één van dezen optreedt. Daaruit volgt dat verweerder (...) bevoegd is voor hetzelfde belastbare feit havengeld te heffen van een ruime kring van (rechts-)personen. De vraag ten laste van wie (...) in een concreet geval belasting moet worden geheven kan worden beantwoord aan de hand van een beleidsregel of op basis van een bestendige gedragslijn of omstandigheden en gemaakte afspraken, waarbij overwegingen van praktische uitvoerbaarheid van de heffing een rol kunnen spelen. De last van het bewijs dienaangaande rust in beginsel op verweerder. In het licht van alle feiten en omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank zodanige feiten aannemelijk gemaakt dat zij op grond daarvan eiseres voor het gebruik van de kade () terecht heeft aangemerkt als belastingplichtige en ten laste van haar (...) de in geding zijnde havengelden heeft mogen heffen. (...) De enkele ontkenning door eiseres dat haar uitvoerder in het overleg met de havenmeester heeft ingestemd met de aanwijzing van eiseres als belastingplichtige in de aanhangige gevallen, heeft onvoldoende overtuigingskracht. De rechtbank acht genoegzaam aannemelijk gemaakt dat verweerder ten aanzien van de in geschil zijnde aanslagen havengeld heeft gehandeld overeenkomstig haar bestendige gedragslijn als in deze uitspraak omschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 06/500 en AWB 06/666 t/m AWB 06/689

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[XXX],

gevestigd te Gorinchem, eiseres,

gemachtigde: mr. P. de Boorder, advocaat te Rotterdam,

tegen

De heffingsambtenaar van de gemeente Oud-Beijerland, verweerder,

gemachtigde: mr. J.R. Vermeulen, advocaat te Rotterdam.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 31 december 2005, 13 mei 2004, 18 maart 2004, 22 april 2004, 25 februari 2004, 13 juli 2004 (2x), 10 augustus 2004, 8 september 2004, 12 oktober 2004, 23 november 2004 (2x), 31 december 2004, 14 maart 2005 (3x), 15 maart 2005, 19 april 2005, 4 mei 2005, 2 juni 2005, 29 juni 2005, 2 augustus 2005, 22 augustus 2005, 26 september 2005, 22 november 2005 (2x) en 31 december 2005 (2x) heeft verweerder aan eiseres aanslagen opgelegd ter zake van havengeld over de periode januari 2004 tot en met december 2005, met respectieve aanslagnummers 23052085, 23040460, 23040267, 23040382, 23040157, 23040720, 23040721, 23040887, 23040997, 23041108, 23041592, 23041588, 23042080, 23050266, 23050267, 23050268, 23050298, 23050461, 23050575, 23050664, 23050793, 23050947, 23051083, 23051197, 23051800, 23051802, 23051938 en 23052043 (hierna: de aanslagen).

Tegen deze aanslagen heeft eiseres bij respectieve brieven van 25 januari 2006, 19 mei 2004, 23 maart 2004, 26 april 2004, 17 maart 2004, 16 juli 2004 (2x), 13 augustus 2004, 10 september 2004, 13 oktober 2004, 25 november 2004 (2x), 18 januari 2005, 18 maart 2005 (2x), 25 april 2005, 12 mei 2005, 7 juni 2005, 30 juni 2005, 3 augustus 2005, 25 augustus 2005, 27 september 2005, 25 november 2005, 9 januari 2006 en 11 januari 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluiten van 7 maart 2006 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten heeft eiseres bij brief van 30 maart 2006, ingekomen op 3 april 2006, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaken zijn op 8 november 2006 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek heropend en daarbij bepaald dat het onderzoek wordt voortgezet ter zitting van 16 april 2007.

Op 16 april 2007 zijn de zaken opnieuw behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiseres is ter zitting verschenen, vertegenwoordigd door [YYY], statutair directeur, vergezeld van [ZZZ], administratief medewerkster, en bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van M. El Hachmioui, werkzaam bij de gemeente Oud-Beijerland.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 216 van de Gemeentewet besluit de raad tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening.

Ingevolge artikel 219, eerste lid, van de Gemeentewet worden, behalve de gemeentelijke belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten dan deze geschiedt, geen andere belastingen geheven dan die bedoeld in de tweede en derde paragraaf van dit hoofdstuk.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat behoudens het bepaalde in andere wetten dan deze en in de tweede en derde paragraaf van dit hoofdstuk de gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.

Ingevolge artikel 229, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden voor de toepassing van deze paragraaf en de eerste en vierde paragraaf van dit hoofdstuk de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als gemeentelijke belastingen.

Ingevolge artikel 229a van de Gemeentewet kunnen de rechten, bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven door de gemeente die het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen toestaat of de diensten verleent, ongeacht of het belastbare feit zich binnen of buiten het grondgebied van de gemeente voordoet.

Ingevolge artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden in verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

2.1.2. De Verordening havengelden 2004 is vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 3 november 2003 en in werking getreden op 1 januari 2004. De Verordening havengelden 2005 is vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 1 november 2004 en in werking getreden op 1 januari 2005.

Ingevolge artikel 2 van de Verordening havengelden 2004 en de Verordening Havengelden 2005 (hierna: de Verordening) wordt onder de naam havengeld een recht geheven ter zake van het gebruik met vaartuigen van de gemeentehaven alsmede van de bij die haven behorende voor de scheepvaart bestemde gemeentelijke werken.

Ingevolge artikel 3 van de Verordening is belastingplichtig degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt of degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht. Daaronder te verstaan de schipper, de reder, de eigenaar van het schip, degene aan wie het schip in gebruik is gegeven, of degene die als vertegenwoordiger van één van dezen optreedt.

2.2. Bestreden besluiten

De bestreden besluiten strekken tot handhaving van de beslissing dat geen aanleiding of rechtsgrond bestaat om de bestreden aanslagen havengelden te verminderen. Daartoe stelt verweerder, kort gezegd, dat de met eiseres in 1984 gesloten overeenkomst, aangaande het gebruiksrecht van de kade en de loswal (hierna tezamen: de kade) door eiseres, niet kan worden aangemerkt als een toezegging van de gemeente om geen havengelden te heffen. De overeenkomst ziet op de mate van exclusiviteit van het gebruik van de kade door eiseres. Hierbij is volgens verweerder van belang dat eiseres een of meerdere trechters heeft geplaatst waarin zij materialen mag opslaan. Bovendien heeft verweerder bij het bepalen van de hoogte van de gebruiksvergoeding rekening gehouden met het gegeven dat eveneens havengelden worden geheven. Verweerder benadrukt dat met deze overeenkomst geenszins is bedoeld het openbare karakter van de kade te beperken.

2.3. Gronden van beroep

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat de nota's niet in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 229 van de Gemeentewet en de eerdergenoemde Verordening. Eiseres is van mening dat zij geen belastingplichtige is in de zin van de Verordening, omdat zij een gebruiksvergoeding betaalt aan [BB], welke vennootschap de kade huurt van de gemeente Oud-Beijerland.

Ter zitting van 8 november 2006 heeft eiseres voorts aangevoerd dat eiseres zand lost dat wordt aangevoerd door schepen onder meer toebehorend aan [BB] en [CC] alsook aan derden. Nu de belastingplicht uitsluitend ziet op vaartuigen heeft de gemeente kennelijk gemakshalve, maar zonder een daartoe strekkende regeling tussen partijen en dus zonder geldige titel, het gebruik van schepen die zand aanvoeren toegerekend aan eiseres. Uit het gebruik van de kade blijkt, aldus eiseres, dat deze niet vrij toegankelijk is. Slechts incidenteel wordt door eiseres gebruik door derden toegestaan, met name aan schepen van het Rode Kruis of de Zonnebloem. Dit zijn geen partyschepen en evenmin worden de bedrijfsactiviteiten van eiseres afgestemd op het ontvangen van deze schepen.

2.4. De overeenkomst

In de openbare vergadering van 2 juli 1984 heeft de raad van Oud-Beijerland als volgt besloten:

'aan [BB]. te Zwijndrecht met ingang van 1 januari 1984 tot wederopzegging in gebruik te geven de kade en de buitendijks gelegen loswal ter oppervlakte van plm. 1000 m² alsmede een gedeelte aangrenzend oppervlaktewater één en ander zoals is aangegeven op aangehechte tekening en onder de volgende voorwaarden: (...)'.

Deze voorwaarden luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

'1. voor het recht van gebruik van de kade en loswal is jaarlijks een bedrag verschuldigd van f 10.000,--, welk bedrag jaarlijks trendmatig wordt verhoogd c.q. verlaagd met het percentage waarmede de havengelden worden aangepast, alsmede een bedrag van f 750,-- per jaar voor het aangrenzende oppervlaktewater, welk bedrag bij eventuele verhoging van het jaarlijks aan de Inspektie van de Domeinen verschuldigde tarief eveneens wordt aangepast;

2. de gemeente behoudt zich het recht voor om op elk gewenst moment en voor elk door de gemeente gewenst doel van de kade en loswal gebruik te maken of te laten maken gedurende een door burgemeester en wethouders te bepalen tijdsperiode;

3. het onderhoud van de kade en loswal komt voor rekening van [BB]. en moet ten genoegen van burgemeester en wethouders worden uitgevoerd.'

Bij brief van 24 september 1984 heeft [BB] aan het college van burgemeester en wethouders van Oud-Beijerland inzake punt 2 van de hiervoor bedoelde overeenkomst als volgt bericht:

'De geest van het onder punt 2 gestelde is naar onze mening dat [BB] moet toestaan dat incidenteel de gemeente of na verkregen toestemming door de gemeente door derden gebruik kan worden gemaakt van de kade, loswal en oppervlaktewater zoals het laden en lossen van zware constructies, ligplaats geven aan het hospitaalschip de Henry Dunant etc.

Naar onze mening is onder punt 2 geenszins bedoeld dat collega bedrijven van de kade, loswal en oppervlaktewater (waarvoor een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten tussen [XXX] en de gemeente Oud-Beijerland) gebruik mogen maken die gelijksoortige produkten verhandelen als door ons bedrijf worden verhandeld zoals zand, grint, klei, slakken en andere bouwmaterialen.'

Bij brief van 26 oktober 1984 heeft het college aan [BB] als volgt medegedeeld:

"Naar aanleiding van uw bovengenoemde brief delen wij u mede, dat punt 2 van het besluit van de raad dezer gemeente d.d. 2 juli 1984, door ons zal worden geïnterpreteerd zoals door u in de 3e alinea van uw brief is uiteengezet."

2.5. Beoordeling

2.5.1. De kennelijke opvatting van eiseres dat reeds de betaling door [BB] van een vergoeding voor het gebruik van de kade en loswal (hierna: de kade) uit hoofde van een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente Oud-Beijerland eraan in de weg staat dat zij belastingplichtige is vanwege het gebruik van de kade als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, is onjuist. Die situatie doet zich slechts voor indien de kade door die overeenkomst aan de bestemming voor de openbare dienst is onttrokken (vergelijk: HR 5 september 2003; BNB 2004, 23).

2.5.2 Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich kennelijk en terecht op het standpunt dat de kade "voor de openbare dienst bestemd" is als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet.

De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de kade de bestemming voor de openbare dienst heeft verloren door de overeenkomst tussen [BB] en de gemeente Oud-Beijerland volgens het besluit van de raad van 2 juli 2004, als nader uitgelegd in de brief van [BB] aan het college van burgemeester en wethouders van 24 september 1984 en de reactie daarop van voormeld college bij brief van 26 oktober 1984. Niet is gebleken dat [BB] en de gemeente een exclusief gebruiksrecht zijn overeengekomen, althans een recht op een zodanig exclusief gebruik dat de kade geacht kan worden daardoor aan de bestemming voor de openbare dienst te zijn onttrokken.

De bewoording van voormeld raadsbesluit duidt geenszins op een dergelijke uitleg. Ook aan de bewoordingen van voormelde brief van [BB] en van de reactie daarop van het college kan redelijkerwijze niet jegens de gemeente de verwachting van een dergelijk exclusief gebruiksrecht worden ontleend, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat de reactie van het college van 26 oktober 1984 inhoudelijk is geaccordeerd door de raad. Zonder zo'n akkoord van de raad, onder overigens gelijkblijvende omstandigheden, kan in beginsel niet worden aangenomen dat de gemeente akkoord is gegaan met een - gemeten naar de bewoordingen van het raadsbesluit - zo ingrijpende wijziging van de overeenkomst als door eiseres voorgestaan.

Voorts is van belang dat het vereiste van voorafgaande toestemming door de gemeente (de havenmeester) voor het innemen van een ligplaats in de haven, naar verweerder onbetwist heeft toegelicht, in Nederlandse havens in het algemeen en ook in de onderhavige haven gebruikelijk is voor schepen die er niet hun thuishaven hebben. Reeds om die reden doet het vereiste van voorafgaande toestemming door de havenmeester voor het gebruik van de kade door derden niet af aan de bestemming voor de openbare dienst. Gesteld noch gebleken is dat [BB] het door de havenmeester toegestane gebruik niet in beginsel heeft te dulden.

Evenmin blijkt het door eiseres gestelde exclusieve gebruiksrecht uit de wijze waarop de partijen bij de overeenkomst daaraan uitvoering hebben gegeven. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik door [BB] dan wel het gebruik door eiseres gedurende een zodanig lange periode is neergekomen op een (vrijwel) exclusief gebruiksrecht, dat [BB] daaraan redelijkerwijs de verwachting kan ontlenen dat de kade haar bestemming voor de openbare dienst heeft verloren. Ook de instemming van de gemeente met het aanbrengen van een hekwerk wijst daar niet op, nu deze in 2003 na een dodelijk ongeval is gerealiseerd ter voorkoming van ongelukken van spelende kinderen. Overigens is de kade overdag voor eenieder toegankelijk.

Voorts staat als niet door eiseres betwist vast dat verweerder, volgens de overgelegde jaaroverzichten, stelselmatig andere (rechts-)personen dan eiseres in de heffing van havengeld heeft betrokken voor gebruik van de kade, indien die andere (rechts-)personen naar de opvatting van verweerder belastingplichtig waren. Ook dit feit wijst er niet op dat [BB] een zodanig exclusief gebruiksrecht heeft bedongen van de gemeente dat de kade daardoor geacht moet worden aan de openbare dienst te zijn onttrokken.

Voor zover eiseres heeft willen betogen dat de ingevolge voormelde overeenkomst verschuldigde gebruiksvergoeding mede zou strekken ter voldoening of ter vervanging van havengelden, is van een dergelijke strekking niet gebleken. Eiseres heeft ook niet verweerders stelling betwist dat, zakelijk weergegeven, deze gebruiksvergoeding niet onevenredig hoog is voor hetgeen [BB] volgens verweerder heeft bedongen, in het bijzonder het recht om zaken ter plekke op te slaan en de uitsluiting van gebruik van de kade door concurrenten.

Evenmin heeft eiseres betwist dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor het gebruik van de kade er rekening mee heeft gehouden dat havengelden worden geheven.

2.5.3 Nu de kade niet als gevolg van voormelde overeenkomst aan de openbare dienst is onttrokken noch daarvan anderszins is gebleken stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de kade een bij de haven behorend voor de scheepvaart bestemd gemeentelijk werk is als bedoeld in artikel 2 van de Verordening. Verweerder is dus bevoegd tot heffing.

2.5.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres in de heffing van de havengelden mogen betrekken.

Ingevolge artikel 3 van de Verordening zijn belastingplichtig voor het gebruik van de kade met vaartuigen: de schipper, de reder, de eigenaar van het schip, degene aan wie het schip in gebruik is gegeven, of degene die als vertegenwoordiger van één van dezen optreedt. Daaruit volgt dat verweerder, met name wanneer het gaat om bedrijfsmatig gebruik, bevoegd is voor hetzelfde belastbare feit havengeld te heffen van een ruime kring van (rechts-)personen. De vraag ten laste van wie uit deze kring van belastingplichtigen in een concreet geval belasting moet worden geheven kan worden beantwoord aan de hand van een beleidsregel of op basis van een bestendige gedragslijn of omstandigheden en gemaakte afspraken, waarbij overwegingen van praktische uitvoerbaarheid van de heffing een rol kunnen spelen. De last van het bewijs dienaangaande rust in beginsel op verweerder.

Volgens verweerder is de feitelijke gang van zaken bij de heffing van havengelden voor het gebruik van de kade, dat de havenmeester in overleg treedt met de schipper en met de uitvoerder van eiseres en dat in overleg wordt vastgesteld aan wie de rekening voor het havengeld moet worden gestuurd. De betwisting door eiseres dat haar uitvoerder ooit zou hebben aangegeven dat de rekening voor het havengeld aan eiseres moest worden gestuurd of dat die uitvoerder daartoe bevoegd zou zijn houdt niet in, dat eiseres betwist dat er telkens overleg plaats vindt. Aldus staat vast, gelet op de door verweerder overgelegde staten van geheven havengeld over de periode 1997-2006, dat verweerder in elk geval vanaf 1997 eiseres in de heffing van havengeld wegens gebruik van de kade heeft betrokken alsmede andere (rechts-)personen, telkens op aanwijzing van de havenmeester na overleg met de desbetreffende schipper en de uitvoerder van eiseres.

In het licht van de overige feiten en omstandigheden heeft verweerder aldus naar het oordeel van de rechtbank zodanige feiten aannemelijk gemaakt dat zij op grond daarvan eiseres voor het gebruik van de kade in de onderhavige gevallen terecht heeft aangemerkt als belastingplichtige en ten laste van haar - uit de diverse belastingplichtigen die in beginsel voor ieder belastbaar feit aanwijsbaar zijn - de in geding zijnde havengelden heeft mogen heffen.

Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres niet in rechte is opgekomen tegen enige heffing uit de periode vóór 2004, te weten de periode 1997-2003.

Ook is van belang dat de op- en overslag van zaken op de kade niet de enige activiteiten van eiseres zijn. De omzet van eiseres wordt volgens haar accountantsverklaring nagenoeg geheel bepaald door "overslag c.q. handel in zand en grind" en eiseres kan naar zij heeft erkend dus ook eigenares zijn van die zaken.

Voorts maakt eiseres deel uit van een samenhangend geheel van rechtspersonen waarvan onder meer [BB] deel uitmaakt, die houdster is van 50 % van de aandelen in eiseres. [BB] heeft, naar verweerder onbetwist heeft gesteld, in de periode 1984-1997 zonder protest havengelden voldaan naast de gebruiksvergoeding volgens haar overeenkomst met de gemeente. Ook wordt het zand dat eiseres op de kade overslaat onder meer in schepen van [BB] aangevoerd. Tegen die achtergrond is het standpunt van eiseres dat onderlinge afspraken niet relevant zijn voor de vraag welke rechtspersoon belastingplichtig is in de zin van artikel 3 van de Verordening, onjuist. Genoemd artikel 3 houdt ook uitdrukkelijk rekening met de mogelijkheid van belastingplichtigen op basis van afspraken tussen betrokkenen. De geschetste achtergrond van eiseres draagt dus bij aan de aannemelijkheid van de juistheid van de aanwijzing door de havenmeester van eiseres als belastingplichtige na diens overleg met de schipper en met de uitvoerder van eiseres.

Ook aan het feit dat eiseres niet eerder dan ter zitting van 8 november 2006 heeft gesteld dat zij niet belastingplichtig is in de zin van artikel 3 van de Verordening, omdat zij op de kade alleen zand en dergelijke overslaat, komt in dit verband betekenis toe. Vanaf de eerste in geding zijnde aanslag tot die datum heeft eiseres slechts aangevoerd dat zij niet belastingplichtig is vanwege meergenoemde overeenkomst van [BB] met de gemeente. Tot 8 november 2006 behoefde verweerder derhalve, gelet op hetgeen de rechtbank onder 2.5.2 en 2.5.3 heeft overwogen, geen aanleiding te zien jegens eiseres te komen tot een heroverweging van de gevolgde gedragslijn.

In het licht van vorenstaande feiten en omstandigheden heeft de enkele ontkenning door eiseres dat haar uitvoerder in het overleg met de havenmeester heeft ingestemd met de aanwijzing van eiseres als belastingplichtige in de aanhangige gevallen, onvoldoende overtuigingskracht. Het kennelijke betoog van eiseres dat verweerder niet op eventuele uitlatingen van haar uitvoerder af mocht gaan vanwege diens onbevoegdheid faalt in het licht van de jarenlange gang van zaken als hiervoor omschreven.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank genoegzaam aannemelijk dat verweerder ten aanzien van de in geschil zijnde aanslagen havengeld heeft gehandeld overeenkomstig haar bestendige gedragslijn als hiervoor omschreven. Daaraan doet niet af dat verweerder in het licht van de gemotiveerde ontkenning door eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres de havengelden heeft voldaan. De heffing van havengelden staat los van de vraag wie betaalt en los van de invordering. De rechtmatigheid van de heffing moet binnen het eigen toetsingskader worden getoetst.

De rechtbank acht de bestendige gedragslijn van verweerder niet kennelijk onredelijk. Deze is naar verweerder heeft gesteld mede ingegeven door praktische redenen. Als hiervoor overwogen is praktische uitvoerbaarheid van de heffing een valide argument indien er een keus moet worden gemaakt uit meerdere (bedrijfsmatige) belastingplichtigen.

Verweerder heeft zich voorts kennelijk en terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die zouden nopen tot afwijking van voormelde bestendige gedragslijn. Van de door eiseres gestelde strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake, reeds omdat in het geval waaraan eiseres refereert de desbetreffende kade, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, eigendom is van het genoemde bedrijf.

2.5.5 De rechtbank acht onjuist verweerders opvatting, dat de eerst ter zitting van 8 november 2006 door eiseres aangevoerde stelling dat zij niet belastingplichtig zou zijn in de zin van artikel 3 van de Verordening wegens strijd met de goede procesorde buiten behandeling zou moeten blijven. Deze opvatting stuit reeds af op de noodzaak het onderzoek te heropenen in verband met de stellingen van partijen over de overeenkomst tussen [BB] en de gemeente.

2.5.6 De beroepen zijn derhalve ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, en door deze en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.