Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA9121

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
AWB 05/1414
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. De rechtbank leidt uit het verhandelde ter zitting af dat verweerder de brief van 23 april 2005 aanmerkt als een kennisgeving in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Verordening, en daarmee als een besluit in de zin van de Awb, en dat dit ook door de gemachtigde van eiseres zo is begrepen. De rechtbank stelt evenwel vast dat de kennisgeving niet op juiste wijze, in de zin van artikel 3:40, gelezen in samenhang met artikel 3:41 van de Awb, bekendgemaakt, nu deze niet aan de juiste belastingplichtige, in dit geval eiseres, is verzonden. De rechtspersoon (eiseres) is gevestigd aan het woonadres van haar gemachtigde. De brief is echter gericht aan de gemachtigde, tevens bestuurder, van eiseres in persoon. De bekendmaking aan de bestuurder van de rechtspersoon kan niet gelden als bekendmaking aan de rechtspersoon zelf. Voorts blijkt uit dit schrijven evenmin waarop de verhoging van het termijnbedrag is gebaseerd. Dit klemt temeer nu eiseres in de kennisgeving in het geheel niet wordt genoemd.

2. Gezien het feit dat eiseres is gevestigd op het particuliere adres van de gemachtigde, had verweerder in dit geval moeten bezien of de bedrijfsmatige activiteiten van eiseres niet zozeer tot de persoonlijke levenssfeer van haar gemachtigde behoren, dat in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat daarmee buiten het particuliere huishouden wordt getreden, zodat van een bedrijf (en bedrijfsmatig afval) geen sprake meer is. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 10 augustus 2001 (BB 2001, 963; LJN: AB3222). Derhalve valt niet op voorhand in te zien dat de invordering van de afvalstoffenheffing als in het onderhavige geval ten aanzien van eiseres als rechtspersoon (BV) kan geschieden door de invordering bij de natuurlijke persoon die op hetzelfde adres woonachtig is. Hieraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat die persoon bestuurder is van de BV.

3. Gezien het vorenstaande was het naar het oordeel van de rechtbank wenselijk geweest indien de gemachtigde van eiseres in verband met het bezwaar was gehoord. In dit verband is van belang dat in de kennisgeving van 23 april 2005, voor zover daarbij al sprake is van een besluit, geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder eiseres ten onrechte heeft ontvangen in haar bezwaar. Gelet hierop is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1383

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 05/1414

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[XXX],

statutair gevestigd te Dordrecht, eiseres,

gemachtigde: [YYY], wonende te Dordrecht,

tegen

De directeur van Netwerk NV als heffingsambtenaar van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: W.J.H. Middelbeek, werkzaam bij de gemeente Dordrecht.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij schrijven van 15 april 2005 van de gemeente Dordrecht is eiseres medegedeeld dat, indien zij zich niet kan verenigen met de afwijzing van haar verzoek om vrijstelling van het reinigingsrecht, zij daartegen bezwaar kan indienen bij verweerder. Tevens is medegedeeld dat bezwaar maken eerst mogelijk is vanaf het moment dat eiseres door energiebedrijf Eneco (hierna: Eneco) in kennis is gesteld van de verhoging van het voorschotbedrag.

Bij brief van 23 april 2005 is de gemachtigde van eiseres door de manager 'klantendesk zakelijk' van Eneco medegedeeld dat het termijnbedrag met ingang van 16 mei 2005 wordt gewijzigd van € 270,- naar € 301,-.

Bij brief van 13 mei 2005 (ingekomen op 29 mei 2005) heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de brief van 23 april 2005.

Bij besluit van 10 oktober 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 20 november 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Partijen zijn op 24 augustus 2006 opgeroepen, teneinde in het kader van het vooronderzoek inlichtingen te verstrekken, waarna de zaak ter behandeling is verwezen naar een zitting.

De zaak is op 16 april 2007 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiseres is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van M.W. de Koster en A. Cheret.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, zij geschiedt op een andere geschikte wijze.

Ingevolge artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

Ingevolge artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden in verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

De Verordening op de heffing en invordering van reinigingsrecht 2005 (hierna: de Verordening) is vastgesteld in de openbare vergadering van 7 december 2004 en in werking getreden op 1 januari 2005.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Verordening wordt voor de toepassing van de Verordening verstaan onder bedrijf: een natuurlijke dan wel rechtspersoon niet zijnde een particuliere huishouding.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Verordening wordt voor de toepassing van de Verordening verstaan onder bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen, afvalwater, autowrakken of gevaarlijke afvalstoffen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt onder de naam "reinigingsrecht" van bedrijven een recht geheven voor de dienst die door de gemeente aan die bedrijven wordt verleend ten aanzien van de inzameling en verwerking van bedrijfsafvalstoffen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt het recht geheven van het bedrijf op wiens aanvraag dan wel ten behoeve waarvan de inzameling en verwerking van de afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid geschiedt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Verordening wordt het recht geheven door middel van een schriftelijke, gedagtekende kennisgeving. Als kennisgeving wordt mede aangemerkt de eindafrekeningnota van het energiebedrijf.

Ingevolge artikel 7 van de Verordening wordt het recht niet geheven van bedrijven die in het bezit zijn van een geldig contract met een erkende inzamelaar en die geen gebruik maken van de gemeentelijke inzamelvoorzieningen.

2.2. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard, omdat uit de door verweerder ingewonnen en door eiseres aangeleverde informatie is gebleken dat eiseres bedrijfsafval aanbiedt op het adres [adres]. Eiseres heeft voor deze locatie geen geldig afvalcontract met een erkende afvalinzamelaar. Volgens vaste jurisprudentie is het niet toegestaan bedrijfsmatig (papier)afval mee te geven met de inzameldienst voor huishoudelijk afval. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat de aanslag reinigingsrecht terecht is.

2.3. Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft daartoe aangevoerd dat op voornoemd adres geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden en aldus geen bedrijfsafval wordt aangeboden. Sinds 31 mei 2003 is eiseres als vennoot gedefungeerd uit de Maatschap (Loodsenassociatie Rotterdam-Rijnmond) in verband met functioneel leeftijdsontslag (flo) van haar bestuurder. Daardoor heeft eiseres als bedrijf geen personeel en inkomsten meer en is niet meer economisch actief. Eiseres verwijst in dit verband naar het wijzigingsformulier van 5 november 2005, zoals zij dat aan de Kamer van Koophandel heeft doen toekomen en de brief van 3 februari 2005 gericht aan de Belastingdienst Rotterdam-Rijnmond. Eiseres laat hieruit volgen dat zij zich niet ontdoet, althans geen voornemens heeft zich te ontdoen of moet ontdoen van afvalstoffen, dan wel bedrijfsafvalstoffen. Eiseres beroept zich op artikel 7, onder d, van de Verordening, waarin beleidsruimte wordt gegeven voor vrijstelling van het reinigingsrecht. Verder stelt eiseres dat in de Verordening de branche-indeling onvoldoende is uitgesplitst. Daarnaast voert eiseres aan dat de brief van 23 april 2005 niet als besluit kan worden aangemerkt. Voor zover van een besluit sprake is, is dit afkomstig van een daartoe niet bevoegd bestuursorgaan.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

De brief van 23 april 2005 strekt ertoe dat aan de belastingplichtige de verplichting wordt opgelegd het hogere maandelijkse termijnbedrag te voldoen. De rechtbank leidt uit het verhandelde ter zitting af dat verweerder de brief van 23 april 2005 aanmerkt als een kennisgeving in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Verordening, en daarmee als een besluit in de zin van de Awb, en dat dit ook door de gemachtigde van eiseres zo is begrepen.

De rechtbank stelt evenwel vast dat de kennisgeving niet op juiste wijze, in de zin van artikel 3:40, gelezen in samenhang met artikel 3:41 van de Awb, bekendgemaakt, nu deze niet aan de juiste belastingplichtige, in dit geval eiseres, is verzonden. De rechtspersoon [XXX] (eiseres) is gevestigd aan het woonadres van haar gemachtigde. De brief is echter gericht aan de gemachtigde, tevens bestuurder, van eiseres in persoon. De bekendmaking aan de bestuurder van de rechtspersoon kan niet gelden als bekendmaking aan de rechtspersoon zelf.

Voorts blijkt uit dit schrijven evenmin waarop de verhoging van het termijnbedrag is gebaseerd. Dit klemt temeer nu eiseres in de kennisgeving in het geheel niet wordt genoemd.

De rechtbank merkt op dat de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft verklaard dat eiseres als rechtspersoon nog een zaak in behandeling heeft en dat er nog een auto in de BV zit. Verweerders stelling dat er gezien de gegevens van de Kamer van Koophandel nog twee werknemers bij de BV werkzaam zijn, en aldus sprake is van een bedrijf, laat echter onverlet dat (de gemachtigde van) eiseres niet meer de mogelijkheid had om hiervoor tegenbewijs aan te voeren. Gezien voorts het feit dat eiseres is gevestigd op het particuliere adres van de gemachtigde, had verweerder dan ook in het geval van eiseres moeten bezien of de bedrijfsmatige activiteiten van eiseres niet zozeer tot de persoonlijke levenssfeer van haar gemachtigde behoren, dat in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat daarmee buiten het particuliere huishouden wordt getreden, zodat van een bedrijf (en bedrijfsmatig afval) geen sprake meer is. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 10 augustus 2001 (BB 2001, 963; LJN: AB3222).

Derhalve valt niet op voorhand in te zien dat de invordering van de afvalstoffenheffing als in het onderhavige geval ten aanzien van eiseres als rechtspersoon (BV) kan geschieden door de invordering bij de natuurlijke persoon die op hetzelfde adres woonachtig is. Hieraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat die persoon bestuurder is van de BV.

Gezien het vorenstaande was het naar het oordeel van de rechtbank wenselijk geweest indien de gemachtigde van eiseres in verband met het bezwaar was gehoord. In dit verband is van belang dat in de kennisgeving van 23 april 2005, voor zover daarbij al sprake is van een besluit, geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder eiseres ten onrechte heeft ontvangen in haar bezwaar. Gelet hierop is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

Nu verweerder bij het nemen van een nieuw besluit niet anders kan beslissen dan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren, acht de rechtbank termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en het bezwaarschrift van eiseres alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient de verweerder op de voet van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet is gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt die voor vergoeding op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in aanmerking komen.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 10 oktober 2005;

- verklaart het bezwaar van 13 mei 2005 alsnog niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de gemeente Dordrecht aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, en door deze en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te

's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.