Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA8190

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
67844/ HA ZA 06-2829
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfgenaam vordert (wettelijke) erfdeel in nalatenschap van vader. Afwijzing vordering. Verzorgingsverplichting ten opzichte van tweede echtgenote prevaleert. Vordering tot opstelling van nalatenschap in verband met vaststellen van erfdeel wordt -gelet op het belang van de dochter en de inhoud van het testament- wel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 67844 / HA ZA 06-2829

Vonnis van 13 juni 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [adres],

eiseres,

procureur mr. J.A. Visser,

tegen

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

procureur mr. C.M. Malipaard.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 februari 2007

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 27 april 2007.

2. De feiten

2.1. Op 28 januari 2001 is [erflater] (hierna: de erflater) overleden onder achterlating van zijn (tweede) echtgenote, [gedaagde], en de twee kinderen uit zijn eerste huwelijk, te weten [eiser] en haar broer, [broer van eiser]. Ten tijde van het overlijden van erflater was hij ruim 25 jaar met [gedaagde] gehuwd.

2.2. De erflater heeft bij testament, verleden op 8 februari 2000 voor notaris mr. H.M.J. Molenaar te [Strijen], als volgt over zijn nalatenschap beschikt:

I. Ik herroep alle vroeger door mij gemaakte testamenten.

II. (...)

III. Gebruik makende van de bij artikel 1167 Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek gegeven bevoegdheid, maak ik bij deze tussen mijn echtgenote, [gedaagde], en mijn afstammelingen de verdeling en scheiding van mijn nalatenschap als volgt:

Ik deel toe:

A. aan mijn voornoemde echtgenote, alle goederen, die tot mijn nalatenschap zullen blijken te behoren, zulks onder de last en de verplichting voor haar, wegens de daardoor plaatshebbende overbedeling:

a. voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen: alle schulden, die ten laste van mijn nalatenschap zullen blijken te bestaan, alsmede de kosten van mijn begrafenis of crematie;

b. aan mijn overige erfgenamen schriftelijk schuldig te erkennen het bedrag van de aan deze toekomende erfdelen, berekend in het saldo van mijn nalatenschap;

B. aan ieder van mijn overige erfgenamen: een vordering in contanten ten laste van mijn genoemde echtgenote wegens de aan deze gedane overbedeling, voor ieder ten bedrage van het hem/haar in het saldo van mijn nalatenschap toekomend erfdeel.

Onder het saldo van mijn nalatenschap zal zijn te verstaan de totale waarde van de op na te melden wijze gewaardeerde activa, verminderde met de ten laste van mijn nalatenschap komende schulden -eventueel vastgesteld op de contante waarde- en de kosten van mijn begrafenis of crematie. De waardering van de activa van mijn nalatenschap zal moeten geschieden in onderling overleg tenzij niet binnen zes maanden na mijn overlijden overeenstemming daaromtrent wordt bereikt. In dat geval dient de waardering plaats te vinden door een in onderling overleg te benoemen deskundige. (...)

Ter voldoening aan mijn verzorgingsverplichting jegens mijn genoemde echtgenote, bepaal ik dat de aan mijn sub B. bedoelde erfgenamen toegedeelde vorderingen in contanten ten laste van mijn genoemde echtgenote eerst opeisbaar zullen zijn bij haar overlijden. De hoofdsom van deze vorderingen zal, behoudens bij overlijden van mijn echtgenote, tevens opeisbaar zijn:

(...)

IV. Voor het geval de hiervoor sub III gemaakte boedelverdeling door één van mijn erfgenamen op grond van het bepaalde bij artikel 1170 Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, of om welke andere reden dan ook, in rechten mocht worden betwist, zal deze erfgenaam uit mijn nalatenschap nimmer meer mogen genieten dan zijn Wettelijk erfdeel, onder instandhouding van mijn hiervoor sub III gemaakte boedelverdeling, met dien verstande, dat het erfdeel van de betrokken legitimaris dan, voorzover nodig mocht blijken te zijn, opeisbaar zal zijn bij mijn overlijden. Het door het in de vorige zin bepaalde eventueel vrijvallende gedeelte van mijn nalatenschap vermaak ik aan mijn echtgenote voornoemd, boven het haar toekomende erfdeel.

V. (...)

VI. Ik benoem mijn genoemde echtgenote tot uitvoerster van mijn uiterste wilsbeschikkingen, beredderaarster van mij boedel en verzorgster van mijn uitvaart en begrafenis of crematie. (...)

2.3. Notaris mr. H.M.J. Molenaar te [Strijen] heeft op 5 april 2004 een schrijven met de volgende inhoud aan [gedaagde] doen toekomen:

Hedenmiddag heb ik bezoek gehad van mevrouw [belanghebbende] (...) die kwam informeren hoe hoog haar erfdeel was wat zij tegoed hield.

Tevens hoe de samenstelling van vaders nalatenschap was.

Inmiddels heeft U een verklaring van erfrecht ontvangen.

De beide kinderen behoren te weten hoe hoog hun erfdeel is en wanneer dat door hen verkregen wordt.

Gaarne zag ik dat we tezamen bekijken hoe we de vragen kunnen beantwoorden en juridisch tot een goed einde kunnen brengen.

2.4. Op 5 december 2005 heeft notaris Molenaar een door [gedaagde] mede-ondertekende brief aan de advocaat van [eiser] gestuurd, waarin het volgende staat vermeld:

(...) Uitgaande van de bedragen c.q. waarden per datum van overlijden zijn de bestanddelen van de nalatenschap als volgt:

Waarde woning € 178.789,42

kapitaalrekening - 9.075,60

girorekening - 2.413,04

rente - 312,23

sub-totaal € 190.592,28

waarop in mindering:

restant hypotheek - 53.092,29-

Totaal huwelijksgoederenvermogen € 137.497,99

waarvan de helft uitmaakt de nalatenschap, ofwel € 68.749,00

waarop in mindering kosten m.b.t. crematie - 498,27-

blijft het zuiver saldo van de nalatenschap € 68.250,73

============

Conform testament is uw cliënt gerechtigd tot een bedrag van € 34.091,24, mits zij geen beroep zal doen op haar wettelijk erfdeel. Mocht zij echter wel een beroep doen op haar wettelijk erfdeel, vervalt de benoeming tot erfgename voor de helft van het 999/1000 aandeel en zal haar aandeel in de nalatenschap worden berekend conform de ten tijde van het overlijden van de heer [erflater] hieromtrent, en derhalve uitkomen op 2/3 x 1/3 = 2/9 deel van de nalatenschap, of wel op € 15.166,83.

2.5. Tot de huwelijksgoederengemeenschap en de nalatenschap behoorde een woning gelegen aan de [adres] te [[woonplaats]] (hierna: de woning). In verband met een hypotheekaanvraag van [gedaagde] is de woning op 17 mei 2004 getaxeerd. In het rapport van H. van der Vinden van Van der Vinden Vastgoed te [Strijen] is de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik getaxeerd op € 315.000,-.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] om:

- mee te werken aan een onderbouwde opstelling waarde bestanddelen van de nalatenschap van erflater, waaronder taxatie van de woning naar de waarde in het economisch verkeer ten tijde van het overlijden van erflater, onder verbeurte van een dwangsom;

- aan [eiser] te betalen een bedrag ter grootte van haar erfdeel subsidiair haar kindsdeel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2001,

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. [eiser] heeft hiertoe het volgende gesteld. [eiser] betwist de in het testament neergelegde wettelijke boedelverdeling. Dit betekent dat zij, ex artikel IV van het testament, recht kan doen gelden op haar wettelijk erfdeel. Het testament is bedoeld om [gedaagde] verzorgd achter te laten. Er is geen sprake van een verzorgingsbehoefte bij [gedaagde] zodat op laatstgenoemde de verplichting rust om het kindsdeel aan [eiser] uit te keren en niet slechts het wettelijk erfdeel.

3.3. [gedaagde] voert hiertegen aan dat de erflater, uit hoofde van zijn verzorgingsverplichting jegens haar, met zijn uiterste wilsbeschikking heeft beoogd dat zijn kinderen eerst na het overlijden van [gedaagde] hun erfdeel kunnen opeisen. Het enige inkomen dat [gedaagde] thans heeft is een weduwe-uitkering. Indien [gedaagde] aan [eiser] haar wettelijk erfdeel dient uit te keren, zal dit tot gevolg hebben dat zij de woning moet verkopen. Dit terwijl het de wil van de erflater was dat [gedaagde] in de woning zou kunnen blijven wonen.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde] heeft niet weersproken gesteld dat zij thans leeft van een weduwe-uitkering van € 1.300,- netto per maand. Voorts blijkt uit de door [gedaagde] overgelegde aangiften inkomstenbelasting genoegzaam dat het inkomen van [gedaagde] thans beduidend minder is dan toen erflater nog leefde, terwijl het aannemelijk is dat haar maandelijkse woonlasten (nu zij een eenpersoonshuishouden voert) relatief hoger zijn geworden. Er bestond dus bij het overlijden van de erflater een plicht naar de mate van het mogelijke te zorgen voor het onderhoud van zijn weduwe. Bovendien staat tussen partijen vast dat [gedaagde] de woning zal moeten verkopen indien zij de legitieme portie aan [eiser] zal moeten uitkeren. Gelet op het vorenstaande is zowel de grondslag van de in het testament bepaalde ouderlijke boedelverdeling als de grondslag van de verzorgingsverplichting van de erflater jegens [gedaagde] deugdelijk aanwezig.

Bedoelde verzorgingsverplichting brengt met zich dat het legitimaire recht van [eiser] wordt doorbroken. Dit is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid jegens [eiser] alleen dan niet aanvaardbaar als van zeer bijzondere omstandigheden sprake zou zijn. [eiser] heeft zich ter zitting beroepen op het feit dat zij "nu leeft", dat zij met een beroep op het wettelijk erfdeel reeds afstand doet van een deel van hetgeen waarop zij recht heeft, dat [gedaagde] kleiner kan gaan wonen alsmede op de hiërarchie van het bloed. Deze omstandigheden vormen echter niet zodanige, zeer bijzondere omstandigheden. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

4.2. Voor zover [eiser] ter comparitie nog heeft aangevoerd dat uit artikel IV van het testament volgt dat zij de boedelverdeling om welke reden dan ook in rechte kan betwisten en dat als gevolg daarvan haar wettelijk erfdeel uitgekeerd dient te worden, overweegt de rechtbank als volgt. Aan de toepassing van artikel IV van het testament wordt niet toegekomen nu [gedaagde] zich met succes heeft beroepen op het in artikel III bepaalde.

De situatie dat het erfdeel van [eiser] als legitimaris opeisbaar was bij het overlijden van de erflater doet zich hier niet voor nu de verzorgingsverplichting van de erflater de opeisbaarheid bij overlijden doorkruist.

4.3. Het eerste onderdeel van de vordering van [eiser] betreft de waardering van de nalatenschap per de datum van overlijden van de erflater. Zoals [gedaagde] ter comparitie heeft bevestigd, heeft een zodanige waardering in het kader van een boedelbeschrijving niet plaatsgevonden. [gedaagde] stelt dat de notaris haar er niet op heeft gewezen, dat naast de successie-aangifte nog een waardering van de nalatenschap diende plaats te vinden in verband met het vaststellen van de erfdelen van de kinderen van de erflater.

[eiser] heeft belang bij dit onderdeel van haar vordering in verband met de vaststelling van haar erfdeel. Een en ander vloeit daarenboven voort uit artikel III van erflaters testament. Daar komt nog bij dat [gedaagde] niet of nauwelijks verweer heeft gevoerd op dit punt. Het vorenstaande brengt met zich dat dit onderdeel van [eiser]s vordering zal worden toegewezen.

4.4. Voor het opleggen van een dwangsom ziet de rechtbank, gelet op het verloop van de procedure en de proceshouding van partijen, geen aanleiding.

4.5. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om mee te werken aan een onderbouwde opstelling van de nalatenschap van [erflater], waaronder taxatie van de woning aan de [adres] te [[woonplaats]] naar de waarde in het economisch verkeer per de overlijdensdatum van erflater;

5.2. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2007.