Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA7496

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
AWB 07/155
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BB2922
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de MvT bij art. 3,2,a, Wet BIBOB acht de rechtbank het standpunt van het Bureau BIBOB dat het om te kunnen concluderen tot ernstig gevaar, niet noodzakelijk of relevant is dat ten aanzien van de in de registraties vermelde feiten opsporingsonderzoek of strafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden, onjuist. De enkele door het Bureau BIBOB als betrouwbaar gekwalificeerde registratie in het register zware criminaliteit overtuigt niet van een ernstig vermoeden van ernstig gevaar als bedoeld in art. 3, 1, a, Wet BIBOB. Een dergelijke registratie kan een belangrijke onderbouwing vormen voor het oordeel over de ernst van een vermoeden van ernstig gevaar, maar niet dan in relatie tot veroordelingen of transacties dan wel opsporings- en vervolgingsacties die in hetzelfde vlak liggen als de feiten volgens de registratie.

Gelet op de MvT bij art. 3,4, c Wet BIBOb ziet deze bepaling op een samenwerkingsverband tussen de aanvrager van de vergunning met een persoon met justitiële of politiële antecedenten, waarbij het samenwerkingsverband als zodanig voordeel kan ontlenen aan de toekenning van de vergunning. Naar het oordeel van de rechtbank achten verweerders, afgaande op de door het Bureau BIBOB aangedragen en gewaardeerde gegevens, ten onrechte een samenwerkingsverband tussen eisers en hun vader X voldoende aannemelijk. Ook hier geldt dat die samenwerking in hoofdzaak steunt op een door het Bureau BIBOB als betrouwbaar gekwalificeerde registratie in het register zware criminaliteit, waarbij geen inzage bestaat in de onderliggende broninformatie en de op basis van deze informatie gegeven kwalificatie niet kan worden geverifieerd, terwijl de overigens genoemde feiten het bestaan van een samenwerking ten tijde van de vergunningaanvragen onvoldoende aannemelijk maken.

Beide feiten die verweerders als hoofdzakelijk redengevend ten grondslag hebben gelegd aan hun conclusie dat er sprake is van ernstig gevaar kunnen, anders dan verweerders betogen, zelfstandig noch in samenhang bezien overtuigen van een ernstig vermoeden van ernstig gevaar. De overige bevindingen die verweerders aan hun conclusie van ernstig gevaar ten grondslag hebben gelegd kunnen volgens verweerders zelf niet zelfstandig overtuigen van een ernstig vermoeden van ernstig gevaar. Onder die omstandigheden kan het in samenhang bezien van alle aangevoerde feiten en omstandigheden evenmin voldoende overtuigen van ernstig gevaar. Gelet daarop kunnen die overige bevindingen verder buiten de beoordeling blijven en komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 3
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 7
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 8
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/155

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser 1] en [eiser 2], h.o.d.n. V.o.f. Café [X],

wonende te Dordrecht, eisers,

gemachtigde: mr. A. Ester, advocaat te Zwijndrecht,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht,

verweerder 1,

de burgemeester van de gemeente Dordrecht,

verweerder 2,

gemachtigde: mr. R.C.M. van Meer-Dijksman, werkzaam bij de gemeente Dordrecht.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 16 augustus 2006 heeft verweerder 1 geweigerd eisers een vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW) te verlenen ten behoeve van het horecabedrij[adres] te Dordrecht.

Bij besluit van 16 augustus 2006 heeft verweerder 2 geweigerd eisers een exploitatievergunning ingevolge de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Dordrecht (hierna: de APV Dordrecht) te verlenen ten behoeve van dat horecabedrijf.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij brieven van 19 september 2006 bezwaar gemaakt bij verweerders. Bij brief van eveneens 19 september 2006 hebben eisers de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht verzocht om ten aanzien van deze besluiten voorlopige voorzieningen te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij uitspraak van 25 oktober 2006, verzonden 12 december 2006, heeft de voorzieningenrechter de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen.

Bij brief van 5 februari 2007 hebben eisers opnieuw de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht verzocht om ten aanzien van deze besluiten voorlopige voorzieningen te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Verweerders hebben het advies dat het Bureau Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau BIBOB) over eisers heeft uitgebracht, en voorts de antwoorden die het Bureau BIBOB op nadere vragen van verweerders over dat advies heeft gegeven bij wijze van een antwoordenlijst d.d. 6 december 2006 en een afdruk van een e-mail d.d. 23 januari 2007, overgelegd. Verweerders hebben daarbij medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van het advies, de antwoordenlijst en de e-mail.

Bij beslissing van 14 februari 2007 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb bepaald dat beperkte kennisneming van het advies, de antwoordenlijst en de e-mail van het Bureau BIBOB gerechtvaardigd is. Eisers hebben de voorzieningenrechter toestemming verleend om mede op grondslag van deze stukken uitspraak te doen.

Bij besluit van 16 februari 2007 heeft verweerder 2, mede namens verweerder 1, de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 16 februari 2007, ingekomen op 16 februari 2007, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De verzoeken om voorlopige voorzieningen zijn op 16 februari 2007 ter zitting door de voorzieningenrechter aan de orde gesteld. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter meegedeeld nader onderzoek in het beroep noodzakelijk te achten en de gevraagde voorlopige voorzieningen derhalve niet als hangende het ingestelde beroep ter zitting te zullen behandelen.

Bij beslissing van 19 februari 2007 heeft de rechtbank bepaald dat het beroep versneld zal worden behandeld.

De zaak is op 19 maart 2007 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, vergezeld van S. van Dongen, eveneens werkzaam bij de gemeente Dordrecht, en N.J. van Geldrop, werkzaam bij het Bureau BIBOB.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Als beschikking in de zin van de Wet Bevordering integriteits-beoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet BIBOB) wordt op grond van artikel 1, onder c, van die wet in samenhang met artikel 7 van die wet, voor zover hier relevant, aangemerkt een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de DHW en een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld.

Artikel 3 van de Wet BIBOB luidt (voor zover hier relevant) als volgt:

1. Voor zover bestuursorganen bij of krachtens wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten,

b. (...).

2. Voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan;

c. de aard van de relatie; en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

3. (...)

4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede lid en derde lid indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan;

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of het vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen

verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar (...).

6. (...)

7. (...)

In artikel 7, eerste lid, van de Wet BIBOB is bepaald dat een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders, respectievelijk de burgemeester, voor zover het een

krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, kan worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

In artikel 7, tweede lid, van de Wet BIBOB in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel a, van het Besluit BIBOB is bepaald dat als inrichting worden aangewezen inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt.

In artikel 8 van de Wet BIBOB is bepaald dat er een Bureau Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is (het Bureau BIBOB).

In artikel 9, eerste lid, van de Wet BIBOB is bepaald dat het Bureau BIBOB tot taak heeft aan bestuursorganen desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

Op grond van artikel 3 van de DHW en artikel 2.3.2 van de APV Dordrecht is het verboden zonder een daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

In artikel 27, derde lid, van de DHW is bepaald dat een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat, voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, het Bureau BIBOB, bedoeld in artikel 8 van de Wet BIBOB, om een advies als bedoeld in artikel 8 van die wet kan worden gevraagd.

2.2. Het bestreden besluit

2.2.1 Verweerders hebben bij het bestreden besluit de bezwaren van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard en hun respectieve besluiten tot weigering van de DHW-vergunning en de exploitatievergunning gehandhaafd.

2.2.2 Volgens verweerders is terecht een BIBOB-advies aangevraagd. Verweerders hebben daarbij gehandeld overeenkomstig de Beleidslijn inzake de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voor drank- en horecawetvergunningen (inclusief vergunningen voor de coffeeshops), vergunningen voor de seksinrichtingen, de escortvergunningen en de vergunningen voor speelautomatenhallen (hierna: Beleidslijn BIBOB), als vastgesteld door verweerders, ieder voor zover het de eigen bevoegdheid betreft.

2.2.3 Verweerders signaleren in het BIBOB-advies van 17 mei 2006 in de passages ten aanzien van de mate van gevaar de volgende feiten en omstandigheden:

a. Als feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, noemt het Bureau BIBOB twee veroordelingen van eiser [eiser 1] wegens wapenbezit.

Als feiten en omstandigheden die dit doen vermoeden signaleren verweerders in het BIBOB-advies van 17 mei 2006, kort weergegeven:

b. de inschrijving van eisers in het register zware criminaliteit (hierna ook: de registratie). Zij houden zich bezig met handel in verdovende middelen, te weten harddrugs. [naam] is in het register opgenomen als contact van eisers;

c. eisers zijn in de periode 2002 tot 2005 vele malen gezien op een kruising in Dordrecht. Op deze kruising was het verboden aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen gezien het openlijk gebruik van en/of handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet;[adres] te Dordrecht staat bekend als een drugspand. Er zou een wietplantage zijn ingericht in het pand;[adres] is aan de achterzijde geheel afgeplakt met zwart plastic. Er is sprake van potentiële aanwezigheid van een hennepkwekerij;

f. uit een proces-verbaal van de politie blijkt dat de heer [naam] in een auto is aangehouden. Bij deze controle werden in de achterbak drie vuilniszakken met (delen van) hennepplanten aangetroffen;

g. uit informatie van de belastingdienst blijkt dat eisers geen aangifte doen van inkomsten uit verhuur noch dat er sprake is van bezittingen;

h. eiser [eiser 2] kwam in de periode voor mei 1999 wekelijks of twee keer per week een bedrag omwisselen van 10.000 gulden van kleine coupures naar grote coupures;

i. eiser [eiser 2] heeft in 2004 een personenauto gekocht, terwijl hij in die periode werkloos was;

j. Tenslotte signaleren verweerders dat volgens het BIBOB-advies in dit kader is aangegeven dat eisers onvoldoende/onvolledige informatie hebben verschaft voor het onderzoek ten behoeve van het advies.

2.2.4 Naar aanleiding van het nader advies van het Bureau BIBOB van 6 december 2006 constateren verweerders dat de feiten en omstandigheden als hierboven genoemd onder d (gedeeltelijk), e, g, h (gedeeltelijk), i en j niet meer relevant zijn en niet meer als onderbouwing voor het bestreden besluit van belang zijn.

2.2.5 De nog resterende redengevende feiten en omstandigheden leiden naar de opvatting van verweerders aanvullend aan elkaar tot de conclusie dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet BIBOB (hierna ook: ernstig gevaar). Zij wijzen daartoe, samengevat, op het volgende:

1. (ad b) Eisers zijn opgenomen in het register zware criminaliteit, waarin staat vermeld dat zij zich bezig houden met handel in verdovende middelen, namelijk harddrugs. Deze vermelding zou blijkens een politieverklaring van 8 augustus 2006 zijn gebaseerd op informatie van betrouwbare informanten. Verweerders blijven van mening dat de inschrijving in het register een relevant feit is dat redelijkerwijs doet vermoeden dat eisers in relatie staan tot strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de wet BIBOB. Verweerders zien geen reden om te betwijfelen dat Bureau BIBOB terecht tot de conclusie is gekomen dat hier sprake is van een ernstig vermoeden (artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de wet BIBOB).

Voorts zijn verweerders van opvatting dat zij ten onrechte niet in de motivering van hun respectieve primaire besluiten hebben opgenomen als opleverend een ernstig vermoeden in vorenbedoelde zin en leggen zij daartoe alsnog mede ten grondslag aan het bestreden besluit:

2. Eisers hebben een (zakelijk) samenwerkingsverband met [naam], vader van eisers. [naam] staat in relatie tot strafbare feiten, want in april 2005 zijn in zijn auto drie vuilniszakken met hennepplanten aangetroffen en in twee afgetimmerde ruimten bij het aan hem toebehorende Café [Y] zijn drie kweektonnen voor het kweken van hennep gevonden.

Aan de algehele beeldvorming draagt volgens verweerders nog een aantal in onderlinge samenhang te waarderen feiten en omstandigheden bij. Deze feiten en omstandigheden leveren als zodanig naar de opvatting van verweerders geen ernstig vermoeden op in vorenbedoelde zin. Volgens verweerder vormen deze feiten een onderbouwing overeenkomstig het nadere BIBOB-advies van de mate van gevaar dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten:

3. (ad a) [eiser 1] is tweemaal veroordeeld wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen in 1997 en 2000 (overtreden van de Wet wapens en munitie);

4. (ad c) Blijkens een mutatie van 6 december 2005 heeft een opsporingsambtenaar eisers in de periode 2002-2005 vele malen waargenomen op een bekende drugsverhandelplaats in Dordrecht. Deze mutatie versterkt het vermoeden dat de Opiumwet wordt overtreden;

5. (ad d, gedeeltelijk) Het pand [adres] staat bekend als een drugspand volgens een melding van Stichting M van 14 maart 2006, echter niet volgens de mutaties van de politie over dit pand (de in deze mutaties vermoedelijk aanwezige hennepkwekerij werd niet aangetroffen);

6. (ad h, gedeeltelijk) De mutatie aangaande het witwassen van gelden is als redengevend feit komen te vervallen. Dat neemt niet weg dat uit een melding op grond van de Wet Ongebruikelijke Transacties (aangeduid als MOT-melding) blijkt dat [eiser 2] in de periode vóór mei 1999 wekelijks of tweemaal per week een bedrag heeft omgewisseld van fl. 10.000,- van kleine coupures naar grote coupures; in de periode van 1 december 1998 tot 1 mei 1999 exploiteerden [eiser 2] en [naam] als v.o.f. Café [X]. Het gegeven dat deze bedragen destijds niet zijn gestort op een zakelijke rekening of bekend waren bij de Belastingdienst, bevestigt het vermoeden dat het hier gelden betrof die afkomstig waren uit drugshandel;

7. [eiser 1] heeft 26 vermeldingen in het bedrijfsprocessensysteem (BPS) van de politie, waaronder de melding van 6 september 2005 van contacten met dealers.

2.2.5 Concluderend merken verweerders op dat het Bureau BIBOB niet de conclusie handhaaft met betrekking tot het vermoeden van witwassen en het niet volledig verstrekken van informatie. Wel is er volgens het nader advies van het Bureau BIBOB van 6 december 2006 nog steeds sprake is van een ernstige mate van gevaar dat de aangevraagde (dan wel verleende) vergunningen gebruikt zullen worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Verweerders delen die conclusie op basis van de feiten en omstandigheden die Bureau BIBOB daaraan thans nog ten grondslag legt en die aanvullend aan elkaar moeten worden bezien. Zij achten dit gevaar zo zwaarwegend, dat de gevraagde vergunningen niet kunnen worden verleend.

2.3. Gronden van beroep

Eisers menen dat het beleid van verweerders over het vragen van een advies bij het Bureau BIBOB onrechtmatig is omdat de indicatoren niet worden gepreciseerd die dienen te leiden tot nader onderzoek. Eisers menen voorts dat verweerders in strijd met dat beleid een advies hebben aangevraagd. Volgens eisers resteerden er na het voortraject geen vragen over de financiering en was de waarneming van eisers op een bekende drugsverhandelplaats in de buurt van hun woning daarvoor onvoldoende.

Eisers menen dat de bevindingen van het Bureau BIBOB de conclusie dat er sprake is van ernstige vermoedens van het overtreden van de Opiumwet, in redelijkheid niet kunnen dragen. Verweerders hadden die conclusie zelfstandig moeten beoordelen en moeten onderkennen dat de bevindingen van het Bureau BIBOB niet kunnen leiden tot de getrokken conclusie.

Eisers betwisten dat zij betrokken zijn bij drugshandel en menen dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat zij daarbij betrokken zijn. Zij wijzen erop dat over de aanleiding van hun registratie in het register zware criminaliteit niets bekend is. Zij sluiten niet uit dat deze berust op de vermoedens van een wietplantage in het pand [adres], die zijn komen te vervallen, dan wel op de omstandigheid dat zij zijn waargenomen op een bekende drugsverhandelplaats in de nabijheid van hun woning. Eisers betwisten verder dat er sprake is van (zakelijke) samenwerking met hun vader, [naam]. Voor zover deze samenwerking er al zou zijn, hebben eisers erop gewezen dat voor het bezit van de hennepplanten en kweektonnen uiteindelijk een ander als verdachte is aangemerkt.

Over de overige feiten en omstandigheden die verweerders noemen, merken eisers het volgende op. De waarnemingen en contacten moeten worden verklaard uit de buurt waarin zij woonachtig zijn. De MOT-melding dateert van ruim zeven jaar terug, terwijl eisers tevens bestrijden dat fl. 10.000,- per week is gewisseld. Als al eens een groot bedrag zou zijn gewisseld, betrof dat opbrengsten in verband met de exploitatie van Café [X] voor rekening van [naam]. Uit de overige (vermeende) overtredingen kan naar de opvatting van eisers niet worden opgemaakt dat sprake is van handelen in strijd met de Opiumwet.

2.4. Beoordeling

2.4.1. De bevoegdheid van verweerder tot het vragen van advies aan het Bureau BIBOB naar aanleiding van een vergunningsaanvraag draagt een discretionair karakter. De rechter kan het gebruik van die bevoegdheid slechts terughoudend toetsen.

Voor de toepassing van vorenbedoelde bevoegdheid hebben verweerders de Beleidslijn BIBOB vastgesteld. Het daarin vastgelegde beleid voorziet ten aanzien van de inzet door verweerders van het BIBOB-instrumentarium, voorzover hier van belang, in de volgende drie stappen:

1. een aanvraag wordt beoordeeld binnen de formele kaders van de vergunning;

2. indien er geen weigeringsgronden zijn binnen de formele kaders van de vergunning maar er wel indicaties zijn die mogelijk wijzen op gevaar van crimineel gebruik, wordt eigen onderzoek verricht;

3. indien na dat eigen onderzoek die indicaties nog steeds bestaan, wordt een BIBOB-advies aangevraagd.

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat dit beleid op voorhand in strijd zou zijn met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Zij acht het beleid niet kennelijk onredelijk. Daaraan doet niet af dat de indicaties die leiden tot de stappen 2 en 3 niet nader zijn gespecificeerd.

In het kader van het reguliere onderzoek als bedoeld in stap 1 heeft verweerder een rapport ontvangen van de politie Zuid-Holland-Zuid van 6 december 2005. Volgens dit rapport zijn eisers veelvuldig waargenomen op een bekende drugsverhandelplaats en wordt verweerders aanbevolen om nader advies bij Bureau BIBOB over eisers in te winnen. Voorts bleek er sprake te zijn van een bij verweerders niet als gangbaar bekend staande wijze van financieren [adres] en van de verbouwing en de inventaris ten behoeve van de beoogde horeca-onderneming. Deze indicaties konden nader onderzoek als bedoeld in stap 2 rechtvaardigen.

In het kader van het nader onderzoek als bedoeld in stap 2 hebben eisers verklaard dat de waarnemingen in voormeld politierapport moeten worden verklaard uit de omstandigheid dat zij in de buurt van die drugsverhandelplaats hun woning hebben en dat er geen concrete strafbare feiten zijn waargenomen. Deze kanttekeningen bij het politierapport ontnemen daaraan niet hun waarde als indicatie voor stap 3 van het beleid. Dat geldt gelijkelijk voor de informatie van eisers over de financiering van het pand aan [adres] uit inkomsten uit verhuur van een niet onaanzienlijk aantal aan hen toebehorende andere panden, die zelf eveneens uit deze verhuurinkomsten worden gefinancierd. Ook de informatie daarover van de Rabobank is niet zodanig dat verweerders daaraan doorslaggevende betekenis hadden behoren toe te kennen, nu het een feit van algemene bekendheid is dat met drugshandel grote sommen geld kunnen worden verkregen. Verweerders konden daarom de vermoedens van de politie dat mogelijk uit nader onderzoek strafbare feiten in relatie tot drugshandel zouden blijken in combinatie met, mede in verhouding tot de inkomstenbronnen waarover eisers hebben verklaard te beschikken, de niet onaanzienlijke hoeveelheid middelen en bezittingen van eisers, in dit geval als indicaties aanmerken dat niet was uitgesloten dat gelden uit drugshandel werden verkregen die zouden worden ingezet bij de exploitatie van de op te zetten horeca-onderneming.

Gelet op het voorgaande hebben verweerders naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in overeenstemming met de Beleidslijn BIBOB. Bijzondere omstandigheden die noopten tot afwijking van dit beleid, zijn gesteld noch gebleken. Verweerders hebben derhalve in redelijkheid kunnen overgaan tot het vragen van een advies bij het Bureau BIBOB.

2.4.2. Het Bureau BIBOB verricht onderzoek naar politiële/justitiële en overige relevante gegevens en verbindt aan zijn bevindingen een standpunt over de mate van gevaar dat de gevraagde vergunning zal worden gebruikt ten behoeve van criminele activiteiten. Daarbij gaat het om een redelijkerwijs vast te stellen vermoeden van betrokkenheid bij strafbare feiten waarbij een dergelijk gebruik mag worden verondersteld; de analyse is er niet op gericht de schuld van de betrokkene aan een strafbaar feit vast te stellen. Het bestuursorgaan vormt vervolgens een eigen inhoudelijk oordeel of sprake is van ernstig gevaar, waarbij de bevindingen en het standpunt van het Bureau BIBOB ondersteunend zijn.

De rechter toetst of het oordeel van het bestuursorgaan, mede in relatie tot de bevindingen en het standpunt van het Bureau BIBOB, over de mate waarin gevaar bestaat van misbruik van de gevraagde vergunning, innerlijk consistent is en overtuigend is onderbouwd. De uiteindelijke belangenafweging door het bestuursorgaan bij de vraag of de vastgestelde mate van gevaar in het concrete geval, gelet op de betrokken belangen, evenredig is met een weigering van de gevraagde vergunning, wordt door de rechter terughoudend getoetst.

2.4.3. Om te kunnen komen tot de vaststelling van ernstig gevaar moet er ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet BIBOB sprake zijn van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten. Blijkens de Memorie van Toelichting op het artikellid (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 883, p. 61-62) wordt met de zinsnede "feiten en omstandigheden" aangegeven dat er concrete indicaties dienen te zijn gevonden voor de betrokkenheid bij strafbare feiten. Niet alle feiten en omstandigheden zijn even zwaarwegend voor de vaststelling of er een relatie is met strafbare feiten. Dit is tot uitdrukking gebracht in de zinsnede "die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden", waarbij "erop wijzen" doelt op veroordelingen en "redelijkerwijs doen vermoeden" op transacties en opsporings- en vervolgingsacties, aldus de Memorie van Toelichting.

Gelet daarop zijn verweerders, afgaande op de waardering van de registratie van eisers in het register zware criminaliteit door het Bureau BIBOB, ten onrechte van opvatting dat de enkele registratie van eisers in het register zware criminaliteit dat eisers handelen in harddrugs een voldoende overtuigende onderbouwing vormt voor een ernstig vermoeden van ernstig gevaar. Het Bureau BIBOB heeft er voor zijn waardering op gewezen dat (op grond van de Wet politieregisters) de opneming in het register zware criminaliteit plaatsvindt indien de betrokkene verdachte is van misdrijven waarvoor het register is aangelegd dan wel een persoon is ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat hij betrokken is bij het beramen of plegen van zo'n misdrijf dan wel een persoon die in een bepaalde relatie staat tot zo'n verdachte of zo'n persoon. Weliswaar zijn de gegevens die in deze registers zijn opgenomen niet altijd betrouwbaar, maar in dit geval is de betrouwbaarheid volgens het Bureau BIBOB gegarandeerd door een politieverklaring van augustus 2006, waarin staat dat de registraties daadwerkelijk verdenkingen/vermoedens van handel in harddrugs door eisers zelf betreffen en op betrouwbare bronnen zijn terug te voeren. Het Bureau BIBOB meent dat om te kunnen concluderen tot ernstig gevaar, niet noodzakelijk of relevant is dat ten aanzien van de in de registraties vermelde feiten opsporingsonderzoek of strafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden.

De rechtbank acht dit standpunt van het Bureau BIBOB onjuist. Het is een gegeven dat het Bureau BIBOB kan putten uit bronnen en gegevens die onder meer ook, bijvoorbeeld met het oog op de goede uitvoering van de politietaak of gewichtige belangen van derden, niet mogen worden bekendgemaakt aan de persoon waarop zij betrekking hebben en dat bij het Bureau BIBOB het verzamelen en waarderen van deze gegevens is neergelegd. Uit dit gegeven vloeit niet voort dat reeds de enkele door het Bureau BIBOB als betrouwbaar gekwalificeerde registratie in het register zware criminaliteit voldoende overtuigt van een ernstig vermoeden van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet BIBOB. Een dergelijke registratie kan een belangrijke onderbouwing vormen voor het oordeel over de ernst van een vermoeden van ernstig gevaar, maar niet dan in relatie tot veroordelingen of transacties dan wel opsporings- en vervolgingsacties die in hetzelfde vlak liggen als de feiten volgens de registratie. Nu er in de aanleiding(en) van de opneming van eisers als subjecten in het register geen inzicht bestaat en niet is gebleken van daarmee samenhangende transacties, opsporings- of vervolgingsacties, vormt de registratie van eisers in het register zware criminaliteit een onvoldoende concreet en overtuigend feit voor een ernstig vermoeden van ernstig gevaar. Daaraan kan voormelde politieverklaring van 6 augustus 2006 niet afdoen.

2.4.4 De relatie van een betrokkene tot strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet BIBOB bestaat ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van die wet, voor zover hier van belang, indien een ander de strafbare feiten waaruit het ernstig gevaar ontstaat, heeft gepleegd en die ander in een zakelijk samenwerkingsverband tot de betrokkene staat. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 883, p. 63) op dit artikellid gaat het hierbij om een samenwerkingsverband tussen de aanvrager van de vergunning met een persoon met justitiële of politiële antecedenten, waarbij het samenwerkingsverband als zodanig voordeel kan ontlenen aan de toekenning van de vergunning (hierna ook: samenwerkingsverband).

Naar het oordeel van de rechtbank achten verweerders, afgaande op de door het Bureau BIBOB aangedragen en gewaardeerde gegevens, ten onrechte een samenwerkingsverband tussen eisers en hun vader, [naam] voldoende aannemelijk. Volgens het Bureau BIBOB staat [naam] in het register zware criminaliteit vermeld als contactpersoon voor eisers bij handel in harddrugs. Die vermelding heeft het Bureau BIBOB als zwaarwegend aangemerkt, mede op grond van een politieverklaring van 29 maart 2006. Daarnaast ziet het Bureau BIBOB ondersteuning voor het vermelde in die registratie in de omstandigheden dat [naam] het pand [adres] onder de marktwaarde aan eisers heeft verkocht en dat hij van 1 december 1998 tot 1 mei 1999 met [eiser 2] een vennootschap heeft gevormd, die in die periode onder de naam Café [X] in dat pand een horecabedrijf heeft geëxploiteerd.

Daarmee acht de rechtbank een zakelijk samenwerkingsverband tussen eisers en [naam] onvoldoende overtuigend onderbouwd. Ook hier geldt dat die samenwerking in hoofdzaak steunt op een door Bureau BIBOB als betrouwbaar gekwalificeerde registratie in het register zware criminaliteit, waarbij geen inzage bestaat in de onderliggende broninformatie en de op basis van deze informatie gegeven kwalificatie niet kan worden geverifieerd, terwijl de overigens genoemde feiten het bestaan van een samenwerking ten tijde van de vergunningaanvragen onvoldoende aannemelijk maken. In hoeverre de feiten en omstandigheden die volgens het bestreden besluit aannemelijk maken dat [naam] in relatie staat tot te dezen relevante strafbare feiten, in weerwil van de gemotiveerde betwisting daarvan door eisers, kan dan ook verder in het midden blijven.

2.4.5 Beide feiten die verweerders als hoofdzakelijk redengevend ten grondslag hebben gelegd aan hun conclusie dat er sprake is van ernstig gevaar kunnen, anders dan verweerders betogen, zelfstandig noch in samenhang bezien overtuigen van een ernstig vermoeden van ernstig gevaar. De overige bevindingen die verweerders aan hun conclusie van ernstig gevaar ten grondslag hebben gelegd kunnen volgens verweerders zelf niet zelfstandig overtuigen van een ernstig vermoeden van ernstig gevaar. Onder die omstandigheden kan het in samenhang bezien van alle aangevoerde feiten en omstandigheden evenmin voldoende overtuigen van ernstig gevaar. Gelet daarop kunnen die overige bevindingen verder buiten de beoordeling blijven en komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat zij gelet op het vorenoverwogene niet toekomt aan beantwoording van de vraag of verweerder bevoegdelijk door het stellen van voorwaarden de belangenafweging ten gunste van eisers had kunnen en moeten laten uitvallen.

2.4.6 Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, dat bepaalt dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Gelet op deze uitspraak zijn de onder 1 vermelde verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening bij uitspraak van de voorzieningenrechter van heden niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet aanleiding krachtens haar bevoegdheid ingevolge artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verweerders eisers dienen te behandelen als waren zij in het bezit van de gevraagde vergunningen, met ingang van 6 weken na verzending van deze uitspraak. Gelet op verweerders verklaring dat aan alle overige eisen voor het verlenen van de gevraagde vergunningen is voldaan alsmede gelet op de briefwisselingen met het Bureau BIBOB, bestaat er thans geen aanleiding te veronderstellen dat verdergaand onderzoek zal leiden tot nadere gegevens die alsnog kunnen leiden tot voldoende overtuiging van ernstig gevaar.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding verweerders in de door eisers gemaakte proceskosten te veroordelen. Hierbij wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak bepaald op 1 (gemiddeld) en worden voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten toegekend, met een waarde van € 322,- per punt.

Aangezien het beroep gegrond is verklaard, dienen verweerders het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- treft de voorlopige voorziening dat verweerder eisers dient te behandelen als beschikten zij over de door hen gevraagde DHW-vergunning en exploitatievergunning met ingang van 6 weken na verzending van deze uitspraak;

- bepaalt dat de gemeente Dordrecht aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,- vergoedt;

- veroordeelt verweerders in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, welk bedrag de gemeente Dordrecht aan eisers moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. M.A.C. Prins en J.A.M. van den Berk, leden, en door de voorzitter en mr. A.J. van Spengen, griffier, ondertekend.

De griffier is buiten staat De voorzitter,

te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op: 11 mei 2007

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.