Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA6657

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
195865 VV EXPL 07-44
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het enkele feit dat gedaagde een in Frankrijk gevestigde vennootschap is en dat zich op de Nederlandse bankrekening binnenkort mogelijk onvoldoende saldo bevindt om daarmee de aan eisers toe te kennen ontbindingsvergoedingen te voldoen, vormt onvoldoende grond voor een gerede vrees voor gebrek aan verhaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 195865 VV EXPL 07-44

vonnis in kort geding van de kantonrechter te Dordrecht van 6 juni 2007

in de zaak van:

1. [naam],

wonende te [plaats],

2. [naam],

wonende te [plaats],

3. [naam],

wonende te [plaats],

4. [naam],

wonende te [plaats],

5. [naam],

wonende te [plaats],

6. [naam],

wonende te [plaats],

gemachtigde: mr. drs. R.P. Dijkman,

eisers,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht

MLP Europe S.A.,

kantoorhoudende te Sliedrecht,

gemachtigde: mr. M.P. van Broeckhuijsen

gedaagde,

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 4 mei 2007;

2. de pleitnotities van mr. Van Broeckhuijsen;

3. de pleitnotities van mr. Dijkman;

4. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

De feiten

Als gesteld door de ene partij en niet of in onvoldoende mate weersproken door de andere partij, alsmede op grond van overgelegde producties, voor zover niet betwist, wordt uitgegaan van het volgende:

• Gedaagde, een dochteronderneming van het Japanse bedrijf Mitsubishi Heavy Industries Ltd., is gevestigd in Frankrijk en exploiteert sinds 2003 in Nederland een vestiging die zich richt op de verkoop van drukpersen op de Nederlandse en Belgische grafimediamarkt. Voor deze Nederlandse vestiging zijn eisers werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst met gedaagde.

• Eiser sub 1, hierna te noemen: “[eiser sub 1]” treedt als feitelijk leider op van de Nederlandse vestiging.

• Wegens tegenvallende verkoopresultaten heeft de moedermaatschappij van gedaagde besloten de Nederlandse vestiging per 1 mei 2007 te sluiten en de verkoopactiviteiten voor de Nederlandse en Belgische markt in de vorm van een dealerschap over te dragen aan een machinehandel, “Machinehandel Ceelen” genaamd.

• Partijen delen de opvatting dat het overdragen van het dealerschap géén overgang van een onderneming als bedoeld in de artikelen 7:662 e.v. van het Burgerlijk Wetboek vormt.

• Gedaagde heeft in januari 2007 aangekondigd dat vanwege de sluiting van de Nederlandse vestiging alle zes arbeidsplaatsen van eisers komen te vervallen, aangezien er geen andere passende functies voor de betrokken werknemers binnen de organisatie beschikbaar zijn.

• Gedaagde heeft eisers verzocht om aan haar informatie en gegevens te verstrekken die de overdracht aan Ceelen mogelijk maken.

• Gedaagde heeft eisers, en met name [eiser sub 1], verzocht om een substantieel deel van het saldo op de bankrekening ten behoeve van de Nederlandse vestiging (€ 1.700.000,=) over te maken naar een bankrekening die gedaagde in Frankrijk aanhoudt.

De vordering

Eisers vorderen het navolgende van gedaagde:

1. gedaagde te verbieden verder enige uitvoering te geven aan de overdracht van het dealerschap aan Ceelen; in het bijzonder doch niet beperkt daartoe;

2. door gedaagde te verbieden om van eisers te vorderen dat zij de gevraagde commerciële en technische gegevens, zoals verwoord in productie 6 bij de dagvaarding verstrekken; alsook door;

3. gedaagde te verbieden om deze gegevens, als gedaagde daarover op andere wijze beschikt of komt te beschikken, aan Ceelen te verstrekken; danwel;

4. een gebod tot opschorting van deze overdracht, of als deze overdracht reeds een feit is tot het terugdraaien daarvan;

5. alsmede een verbod om ten laste van de door de Nederlandse vestiging van gedaagde aangehouden bankrekening betalingen aan of ten gunste van gedaagde te verrichten of te doen verrichten;

totdat:

o met eisers, ieder, een definitieve regeling is bereikt met betrekking tot de beëindiging van hun dienstbetrekkingen, met zekerstelling voor de voldoening van toe te kennen beëindigingsvergoedingen; en

o aan de heer [eiser sub 1] genoegzame en afdoende zakelijke zekerheid is verstrekt met betrekking tot de door hem gelopen risico’s uit de aansprakelijkheid als feitelijk leider van de vaste inrichting voor mogelijk verschuldigde rijksbelastingen, vermeerderd met boetes en rente voor de duur dat navordering en/of naheffing mogelijk zijn,

zulks op straffe van een dwangsom ten laste van gedaagde en ten gunste van eisers van € 25.000,= per dag, met een maximum van € 1.500.000,= voor iedere dag dat gedaagde na datum van het vonnis handelt in strijd met een gegeven verbod, c.q. gebod of enig onderdeel daarvan.

Tevens vorderen eisers om gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

Eisers zijn van mening dat het handelen van gedaagde jegens hen onzorgvuldig is, en derhalve strijdig is met de eisen van goed werkgeverschap. Eisers vrezen dat door de overdracht van het dealerschap aan Ceelen en het grotendeels overhevelen van het saldo op de bankrekening van de Nederlandse vestiging naar de bankrekening van verzoekster, het filiaal feitelijk volledig ontmanteld wordt. Dit klemt temeer nu eisers nog geen enkele zekerheid is gegeven over de beëindiging van hun arbeidsovereenkomsten en de gevolgen daarvan. Daarnaast vrezen eisers dat er onvoldoende middelen voorhanden zullen zijn om aan de kortlopende financiële verplichtingen, waaronder de betaling van beëindigingsvergoedingen, te voldoen.

[eiser sub 1] stelt recht en belang te hebben bij een door hem meerdere malen aan gedaagde verzochte zakelijke zekerheid, in de vorm van een bankgarantie, omdat hij als feitelijk leider van het Nederlandse filiaal op enig moment door de Nederlandse belastingdienst persoonlijk aansprakelijk gesteld kan worden voor de betaling van belastingschulden voor zover deze betrekking hebben op de periode waarin [eiser sub 1] voor gedaagde werkzaam is geweest. [eiser sub 1] vreest dat op enig moment aanzienlijke navorderings- en naheffingsaanslagen zullen worden opgelegd, omdat gedaagde in de belastingaangifte omzet heeft verzwegen en niet op Nederland drukkende kosten op de omzet in mindering heeft gebracht.

Het verweer

Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat eisers geen belang meer hebben bij de gevorderde voorzieningen, omdat gedaagde inmiddels de ontbinding van de arbeidsovereenkomsten van eisers heeft verzocht. De beslissing om het dealerschap over te dragen aan Machinehandel Ceelen behoort tot de beleidsvrijheid van gedaagde. De beslissing is al genomen en de uitvoering ervan verkeert reeds in een vergevorderd stadium. Het gaat niet aan om deze gang van zaken in een kort gedingprocedure te frustreren.

Verder is gedaagde van mening dat van eisers verwacht mag worden dat zij loyaal meewerken aan de sluiting van de Nederlandse vestiging en de overdracht van het dealerschap aan Machinehandel Ceelen, en dat van hen verwacht mag worden dat zij uitvoering geven aan de instructies van gedaagde. Met betrekking tot de eis van [eiser sub 1] voert gedaagde aan dat, nog afgezien van het feit dat zich geen boekhoudkundige onregelmatigheden hebben voorgedaan zodat er geen redelijke kans is dat enig risico voortvloeiende uit aansprakelijkheid zich zal verwezenlijken, artikel 33 van de Invorderingswet een disculpatiemogelijkheid biedt waarop [eiser sub 1] zich dan kan beroepen.

Beoordeling van het geschil

Nu ten tijde van het uitbrengen van de kort gedingdagvaarding voor eisers nog geen duidelijkheid bestond over de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst, de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomsten zouden eindigen, alsmede de mate van verhaalbaarheid van de aan hen toe te kennen beëindigingsvergoedingen, terwijl gedaagde – ondanks de protesten van eisers - onderwijl verder uitvoering gaf aan de overdracht van het dealerschap, hebben eisers voldoende spoedeisend belang bij de door hen gevraagde voorzieningen.

Tegelijkertijd met de behandeling van onderhavig kort geding heeft de behandeling plaatsgevonden van de namens gedaagde op 3 mei 2007 ingediende verzoekschriften tot ontbinding van de arbeidsovereenkomsten met eisers. De door gedaagde verzochte ontbindingen zijn allen onder toekenning van een ontbindingsvergoeding bij beschikking d.d. heden toegewezen.

Gedaagde heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard om eventueel aan eisers toekomende vergoedingen zonder dat daar rechtsmaatregelen voor nodig zijn, te zullen voldoen. Het enkele feit dat gedaagde een in Frankrijk gevestigde vennootschap is en dat zich op de Nederlandse bankrekening binnenkort mogelijk onvoldoende saldo bevindt om daarmee de aan eisers toe te kennen ontbindingsvergoedingen te voldoen, vormt onvoldoende grond voor een gerede vrees voor gebrek aan verhaal.

Aan de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiser sub 1] heeft de kantonrechter de voorwaarde verbonden dat gedaagde hem volledig vrijwaart voor alle schade die hij op enig moment zal lijden als gevolg van een aansprakelijkstelling ex artikel 33 lid 1 letter b van de Invorderingswet 1990 over de periode van zijn dienstverband met gedaagde.

Omdat de overdracht van het dealerschap aan Machinehandel Ceelen reeds een voldongen feit is, er inmiddels duidelijkheid bestaat over de hoogte van de aan eisers verschuldigde ontbindingsvergoedingen, de vrees voor de onmogelijkheid van verhaal onvoldoende gegrond is en aan de door [eiser sub 1] gewenste zekerheid voor de fiscale aansprakelijkheid in de vorm van een voorwaarde tot vrijwaring bij de verzochte ontbinding tegemoet is gekomen, hebben eisers onvoldoende belang bij de door hen gevorderde voorzieningen. De vorderingen van eisers zullen derhalve worden afgewezen.

Eisers worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van eisers af;

veroordeelt eisers in de kosten van het geding, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot op heden begroot op € 400,= voor salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2007, in aanwezigheid van de griffier.