Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA6268

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
04-06-2007
Zaaknummer
63193 / HA ZA 06-2082
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2009:BI4760, Onduidelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Jarenlange zakenrelatie loopt door miscommunicatie in de soep. Vorderingen over en weer (postjeszaak). Enkele IPR-aspecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 63193 / HA ZA 06-2082

Vonnis van 16 mei 2007

in de zaak van

de vennootschap naar Duits recht

MOTOREN UND ENERGIETECHNIK BETRIEBGESELLSCHAFT MBH,

gevestigd te Meppen/Ems,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. M.L. Veldhuijzen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. J.A. Visser.

Partijen zullen hierna M&E en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 maart 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 8 juni 2006

- de akte na comparitie tevens wijziging (vermeerdering) van eis van [gedaagde]

- de antwoordakte wijziging eis en toepasselijk recht van M&E

- de antwoordakte over toepasselijk recht van [gedaagde].

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Tussen partijen bestond er sinds 1997 een zakenrelatie. In het kader van die relatie liet [gedaagde] motoronderdelen door M&E reconditioneren. Feitelijk kwam het er op neer dat [gedaagde] met een vrachtwagen motoronderdelen bij M&E bezorgde. Deze onderdelen werden bij M&E opgeslagen. M&E bekeek dan in haar eigen tijd, meestal tijdens zogenaamd stopwerk (wanneer er geen andere werkzaamheden voorhanden waren) of de gebruikte onderdelen nog te reconditioneren waren en zo ja, tegen welke prijs. Nadat M&E aan [gedaagde] had bericht dat reconditionering mogelijk was, liet laatstgenoemde aan M&E weten of de prijs akkoord was en de werkzaamheden uitgevoerd konden worden. Indien dit niet het geval was, haalde [gedaagde] bij gelegenheid de betreffende onderdelen terug.

2.2 Daarnaast liet [gedaagde] door M&E complete motoren reconditioneren ook wel "complete overhaul" genoemd (de rechtbank begrijpt dat hiermede wordt bedoeld "reviseren" en zal voor het geschil over de motoren deze term verder gebruiken). Het was daarbij gebruikelijk dat M&E [gedaagde] in de gelegenheid stelde om de onderdelen die vervangen moesten worden aan te leveren. Dit was voor [gedaagde] kostenbesparend.

2.3 M&E houdt thans nog een groot aantal motoronderdelen van [gedaagde] onder zich.

2.4 Op 13 november 2003 heeft [gedaagde] een "purchase order" (orderbevestiging) aan M&E doen toekomen voor de revisie van twee scheepsmotoren van het merk Deutz. Als "supply date" is daarin 27 november 2003 opgegeven. Voorts staat daarin het volgende vermeld:

REVISED order for: Deutz 816 Engines

Ref. telcon [betrokkene]

2 Deutz cyl. 816 engine complete overhauld. 22500,00 45000,00

Engines to be B.V. Certified

Engine's marine F/Propulsion:

- (...)

- Both engines to be identically build

- According original ser.nr. 6640019 +

5969194

- Copies of "Abnahmefund" attached

2 - Test bed ad costing price 2000,00 4000,00

Delivery time max. 2 weeks as discussed

Pls. advise when ready

Total amount of order incl. packing excl. VAT: 49000,00 Valuta: Euro

2.5 Voordat [gedaagde] de opdracht aan M&E heeft gegeven, had zij de (te reviseren) scheepsmotoren reeds verkocht aan Van Oord ACZ (hierna: Van Oord).

2.6 M&E heeft de gereviseerde motoren op 13 december 2003 respectievelijk 21 januari 2004 aan [gedaagde] geleverd.

2.7 M&E heeft een rekening, gedateerd 31 december 2003, aan [gedaagde] doen toekomen, waarin naast de hierboven genoemde € 49.000,-- de volgende posten tot een bedrag van € 12.122,12 in rekening zijn gebracht en voorts het volgende staat vermeld:

ABNAHME BV NACH AUFWAND - WIRD NACHBERECHNET!

TEILELIEFERUNG AUSSERHALB DES AUFTRAGES:

(...) KURBELWELLE NEU 1 Stck 2.000,00 2.000,00

(...) ÖLPUMPE GEBR. INSTANDGESETZT 1 Stck 1.200,00 1.200,00

(...) E-PUMPE GEBRAUCHT 1 Stck 1.000,00 1.000,00

(...) WASSERPUMPE DOPPELT 1 Stck 800,00 800,00

(...) LADELUFTKÜHLER GEBRAUCHT 1 Stck 2.000,00 2.000,00

(...) ÖLKÜHLERGEHÄUSE GEBRAUCHT 1 Stck 1.000,00 1.000,00

(...) SCHWINGUNGSDÄMPFER ÜBERHOLT 1 Stck 1.200,00 1.200,00

(...) DECKEL FÜR KURBELGEHÄUSE UND 1 Stck 100,00 100,00

SCHWINGUNGSDÄMPFERSEITE

(...) SPRITZVERSTELLER 1Stck 2.400,00 2.400,00

(...) ISOLIERMATTE FÜR

AUSPUFFVERKLEIDUNG 4 Stck 105,53 422,12

2.8 Op 27 april 2004 heeft [gedaagde] over één van de twee gereviseerde motoren bij M&E gereclameerd omdat er zich technische problemen voordeden na de inbouw in een schip van Van Oord in Dubai. M&E heeft hierop de firma Nico International ingeschakeld die in opdracht en voor rekening van M&E de technische problemen heeft opgelost.

2.9 Op 27 mei 2004 heeft M&E [gedaagde] vier facturen doen toekomen van € 1.217,70 (2x) en € 662,58 (2x), ofwel in totaal € 3.760,56 in verband met de technische keuring van de twee motoren bij Büro Veritas.

2.10 In de periode van juli 2004 tot en met oktober 2004 heeft M&E motoronderdelen aan [gedaagde] verkocht en geleverd tot een bedrag van € 52.950,-.

3. Het geschil

in conventie

3.1 M&E vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 92.711,32, vermeerderd met rente, incassokosten ad € 2.975,-, de beslagkosten ad € 1.169,02 en de proceskosten.

3.2 [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3 [gedaagde] vordert (na wijziging van eis) - samengevat -

1. een verklaring voor recht dat M&E wanprestatie heeft gepleegd bij het uitvoeren van de overeenkomst tot het overhalen van twee Deutz motoren en dat M&E ter zake schadeplichtig is;

2. veroordeling van M&E tot betaling aan [gedaagde] van € 60.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, in verband met vorenbedoeld schadeplichtig handelen;

3. veroordeling van M&E om aan [gedaagde] af te geven alle zaken van [gedaagde] aanwezig op het terrein van M&E, op straffe van een dwangsom;

4. veroordeling van M&E tot betaling aan [gedaagde] van de waarde van al die zaken die niet binnen dertig dagen zijn afgegeven, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;

5. veroordeling van M&E tot betaling aan [gedaagde] van € 7.759,80 en € 4.657,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente,

met veroordeling van M&E in de proceskosten.

3.4 M&E voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

rechtsmacht van de Nederlandse rechter

4.1 M&E stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bevoegd is op grond van artikel 2 lid 1 respectievelijk artikel 2 lid 1 jo artikel 5 lid 1 sub b van de EEX-verordening (verordening nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000, hierna: EEX-verordening). [gedaagde] heeft op het punt van de bevoegdheid van de rechtbank geen verweer gevoerd.

4.2 De rechtbank stelt voorop dat degene die op het grondgebied van een verdragsluitende staat woonplaats heeft, niet voor de rechter van een andere verdragsluitende staat kan worden opgeroepen dan krachtens de regels van de EEX-verordening (verordening nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000, hierna: EEX-verordening). Volgens artikel 2 van de EEX-verordening en artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geldt als hoofdregel dat de rechter van een lidstaat rechtsmacht heeft indien de gedaagde in die lidstaat zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.

Vast staat dat [gedaagde] is gevestigd in Dordrecht en daarmee in Nederland haar woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Op grond van de hiervoor bedoelde hoofdregel komt de Nederlandse rechter in conventie reeds daarom rechtsmacht toe.

Gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, jo. artikel 6, aanhef en derde lid, van de EEX-verordening komt aan de Nederlandse rechter tevens in reconventie rechtsmacht toe.

4.3 Op de voet van het bepaalde in artikel 99 Rv is deze rechtbank de relatief bevoegde rechter.

toepasselijk recht

4.4 Bij eis heeft M&E gesteld dat er door partijen verschillende overeenkomsten zijn gesloten, te weten een reparatieovereenkomst (de revisie) alsmede koopovereenkomsten. Op grond van artikel 4 leden 1 en 2 van het op 19 juni 1980 te Rome tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Trb. 1980, 156 (hierna: EVO) is op de reparatieovereenkomst Duits recht van toepassing. Op de koopovereenkomsten is gelet op het bepaalde in artikel 1 sub a van dit verdrag, het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken (hierna: Weens Koopverdrag) van toepassing.

[gedaagde] heeft hiertegen bij antwoord aangevoerd dat het geschil de revisie betreft en daarom als levering van diensten dient te worden aangemerkt. De overeenkomsten van verkoop van roerende zaken zijn ondergeschikt aan het dienstverlenende karakter van de revisie. Weliswaar levert M&E de karakteristieke prestatie maar [gedaagde] heeft in haar (van toepassing zijnde) algemene voorwaarden een geldige rechtskeuze voor Nederlands recht gedaan. Daar komt nog bij dat op dit punt de toepassing van Duits of Nederlands recht geen wezenlijk verschil, aldus nog steeds [gedaagde].

Bij de comparitie van partijen heeft M&E voor de revisie een rechtskeuze gedaan voor Nederlands recht. Ten aanzien van de koopovereenkomsten handhaaft zij haar stelling dat het Weens Koopverdrag van toepassing is. [gedaagde] heeft bij die gelegenheid aangegeven dat op de orderbevestiging van de revisie-overeenkomst wordt verwezen naar haar algemene voorwaarden en dat dit mogelijk ook geldt voor de (orderbevestigingen van de) koopovereenkomsten.

[gedaagde] heeft zich vervolgens in haar antwoordakte over toepasselijk recht op het standpunt gesteld dat zij in de procedure niet ondubbelzinnig voor toepassing van Nederlands recht heeft gekozen.

4.5 De rechtbank merkt allereerst op dat uit de stellingen van [gedaagde] zowel bij antwoord als ter gelegenheid van de comparitie van partijen valt op te maken dat zij haar algemene voorwaarden op de relatie met M&E van toepassing acht en dat in artikel XIV van die (bij antwoord overgelegde) algemene voorwaarden staat dat Nederlands recht van toepassing is. Nu M&E vervolgens in de loop van de procedure een rechtskeuze voor Nederlands recht voor de revisieovereenkomst heeft gedaan, is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat partijen het er kennelijk over eens dat op de revisieovereenkomst naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld.

4.6 Ten aanzien van de koopovereenkomsten overweegt de rechtbank allereerst dat er tussen partijen, zoals hierna verder nog zal blijken, ter zake van de koopovereenkomsten niet of nauwelijks geschilpunten bestaan. De vraag welk recht toepasselijk is, zal uitsluitend een rol spelen bij de vraag of de vorderingen van M&E door verrekening met de vordering van [gedaagde] te niet kan gaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Allereerst is van belang dat uit het proces-verbaal van comparitie blijkt dat [gedaagde] het uitgangspunt van M&E deelt dat er naast de revisieovereenkomst koopovereenkomsten (over en weer) bestonden. Nu zowel Nederland als Duitsland Verdragsluitende Staten zijn, is (voor zover thans nog van belang) op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a het Weens Koopverdrag van toepassing op die koopovereenkomsten.

Het Weens Koopverdrag geeft echter geen uitsluitsel over de vraag of verrekening mogelijk is. Of dat het geval is, dient daarom te worden beantwoord aan de hand van het recht, dat ingevolge het EVO van toepassing is op de betreffende koopovereenkomsten (d.w.z. op die aspecten van die overeenkomst, waarin niet door het Weens Koopverdrag wordt voorzien).

Ingevolge artikel 10 lid 1 onder d van het EVO bepaalt het recht, dat van toepassing is op de koopovereenkomst, de verschillende wijzen waarop de verbintenissen van de koper teniet kunnen gaan.

Op de (ver)koopovereenkomsten van [gedaagde] aan M&E is, nu [gedaagde] in Nederland is gevestigd (artikel 4 lid 2 van het EVO), Nederlands recht van toepassing. Of [gedaagde] aanspraak kan maken op verrekening, zal daarom hierna worden vastgesteld aan de hand van het Nederlandse recht.

in conventie

4.7 M&E stelt dat zij ter zake van de revisieovereenkomst een bedrag van € 47.521,12 te vorderen heeft van [gedaagde]. Dit bedrag is als volgt samengesteld:

- factuur 2003-237028 € 61.122,12

- facturen 2004-243935-38 € 3.760,56

€ 64.882,68

minus

- creditnota 2004-243924 € 3.646,52

- betaling [gedaagde] 19-9-2004 € 13.715,04

€ 47.521,12

========

M&E heeft gesteld dat [gedaagde] de twee motoren bij M&E heeft afgeleverd en dat partijen vervolgens mondeling over de prijs hebben onderhandeld en een overeenkomst hebben gesloten. Onderdeel van die overeenkomst was dat [gedaagde] aan M&E de te vervangen onderdelen zou leveren. Omdat [gedaagde] het niet lukte om binnen afzienbare tijd de juiste onderdelen te leveren, hebben de heer [betrokkene] namens M&E en de heer [betrokkene] namens [gedaagde] telefonisch contact gehad. Toen bleek dat [gedaagde] niet tijdig de voor de revisie benodigde onderdelen kon leveren. M&E heeft voorgesteld om de onderdelen van een bevriende firma te betrekken en dat [gedaagde] vervolgens de onderdelen zou naleveren aan die firma. Die firma ging hier niet mee akkoord. M&E heeft vervolgens aan [gedaagde] bericht dat zij de onderdelen zouden kopen en daarvoor wellicht een rekening zouden moeten sturen. Over prijzen van onderdelen is niet meer gesproken, deze zijn echter zonder meer redelijk.

4.8 [gedaagde] heeft tegen de vordering onder meer aangevoerd dat M&E te laat en ondeugdelijk heeft geleverd, [gedaagde] stelt daarom schade te hebben geleden. Nu [gedaagde] ter zake een vordering in reconventie heeft ingesteld, zullen deze stellingen bij de beoordeling van die vordering worden betrokken.

Van het factuurbedrag ad € 61.122,12 heeft [gedaagde] voorts een bedrag van € 49.000,- erkend als zijnde overeengekomen door partijen. [gedaagde] heeft weersproken dat M&E de op die factuur in rekening gebrachte onderdelen ad € 12.122,12 heeft gebruikt voor de revisie. Daartoe stelt [gedaagde] allereerst (conclusie van antwoord tevens eis in reconventie onder 13) dat [gedaagde] niet verplicht was om de onderdelen zelf te leveren aan M&E. Voorts stelt [gedaagde] door M&E over geen enkel onderdeel in kennis te zijn gesteld, terwijl dit wel gebruikelijk was in hun jarenlange relatie (conclusie van antwoord tevens eis in reconventie onder 23). Indien M&E [gedaagde] wel op de hoogte had gesteld, dan had [gedaagde] zelf die onderdelen kunnen leveren of hadden partijen prijsafspraken kunnen maken over de niet door [gedaagde] te leveren onderdelen. Volgens [gedaagde] heeft M&E het werk afgemaakt zonder enige indicatie te geven dat zij andere onderdelen moest vervangen dan de gebruikelijke draaiende onderdelen (conclusie van antwoord tevens eis in reconventie onder 12). [gedaagde] geeft verder nog aan dat M&E over een ladeluchtkoeler en een krukas contact heeft gezocht (conclusie van antwoord tevens eis in reconventie onder 13). Ter gelegenheid van de comparitie heeft [gedaagde] een bedrag van € 2.000,- erkend voor de krukas ([gedaagde] heeft aangegeven met dat bedrag op zich wel te kunnen leven).

4.9 De rechtbank constateert allereerst dat de onderhavige revisie-overeenkomst in die zin afwijkt van de tussen partijen gangbare werkwijze dat [gedaagde] de te reviseren motoren reeds had verkocht aan een derde. Dit betekende dat [gedaagde] verplichtingen had ten aanzien van de koper, Van Oord, zoals ten aanzien van de leveringsdatum. Gelet daarop diende [gedaagde] erop bedacht te zijn dat M&E per omgaande zou moeten kunnen beschikken over de te vervangen onderdelen.

Voorts heeft [gedaagde] niet weersproken gesteld dat een gereviseerde motor in de praktijk als nieuw wordt beschouwd. Dit brengt reeds met zich dat het op de weg van M&E lag om de (meest slijtage gevoelige) onderdelen van de motoren te vervangen en dat [gedaagde] er ook van uit mocht gaan dat M&E de revisie aldus zou uitvoeren.

In dat licht kunnen de hiervoor onder 4.8. aangehaalde, tegenstrijdige, stellingen van [gedaagde] geen stand houden. Immers, waar zij eerst stelt dat [gedaagde] niet verplicht was om onderdelen te leveren, stelt zij vervolgens dat M&E haar nooit over de benodigde onderdelen op de hoogte heeft gesteld terwijl dit wel gebruikelijk was. Daarna erkent [gedaagde] dat M&E (toch) contact heeft gezocht over de vervanging van een krukas en een luchtladekoeler. Terwijl [gedaagde] ten slotte (conclusie van antwoord tevens eis in reconventie onder 50) nog aanvoert dat zij de onderdelen zeer waarschijnlijk (cursivering van de rechtbank) had kunnen leveren en in de volgende zin betoogt dat zij de onderdelen zonder meer en zonder reële vertraging (cursivering van de rechtbank) had kunnen aanleveren.

Nu [gedaagde] voorts niet gemotiveerd heeft weersproken dat bedoelde onderdelen daadwerkelijk zijn gebruikt doch slechts heeft aangevoerd dat zij niet (voldoende) is geïnformeerd, faalt haar verweer tegen de door M&E in rekening gebrachte onderdelen.

Daarbij komt nog dat indien [gedaagde] zelf bedoelde onderdelen had geleverd, dit haar weliswaar een besparing had opgeleverd (r.o. 2.2), echter de hoogte daarvan heeft zij gesteld noch onderbouwd. Voorts heeft [gedaagde] ter comparitie de vordering voor de krukas voor een bedrag van € 2.000,- erkend. Dat [gedaagde] voor de motoronderdelen geen 'purchase orders' heeft opgesteld, welke handelwijze volgens haar gebruikelijk was binnen haar organisatie, doet aan het vorenstaande niet af.

4.10 Ter zake van de facturen van technische keuring heeft M&E gesteld dat zij heeft aangegeven (r.o. 2.7.) dat deze kosten achter af in rekening zouden worden gebracht. Dit is gebruikelijk en door partijen overeengekomen omdat deze kosten niet op voorhand door M&E kunnen worden vastgesteld.

[gedaagde] heeft hiertegen primair aangevoerd dat uit de orderbevestiging (r.o. 2.4) blijkt dat de motoren voorzien moesten worden van een klasse-keuring en dat de overeengekomen prijs inclusief was. Voorts heeft M&E in een bespreking aangegeven dat zij de vordering niet zou handhaven. Ten slotte acht [gedaagde] de kosten te hoog. Uit de opgave van M&E volgt dat het keuringsbureau meerdere malen M&E heeft moeten bezoeken. Indien M&E haar werk in één keer goed had gedaan, waren er kosten bespaard.

Het verweer van [gedaagde] tegen dit onderdeel van M&E's vordering slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overgelegde orderbevestiging van 13 november 2003 genoegzaam dat de door partijen overeengekomen prijs inclusief de technische keuring ("Abnahme") was. Immers, in de order van [gedaagde] (r.o. 2.4.) was aangegeven 'Copies of "Abnahmefund" attached'. Hieruit volgt genoegzaam dat de motoren met technische keuring afgeleverd dienden te worden. Dat zulks niet de afspraak was, heeft M&E onvoldoende (onderbouwd) weersproken.

Bovendien had het op de weg van M&E gelegen om - indien zij van oordeel was dat de order niet (correct) de afspraken van partijen weergaf - op dat moment hiertegen te ageren. Dit is echter gesteld noch gebleken. Eerst bij de rekening van 31 december 2003 heeft M&E - in afwijking van de orderbevestiging - aangegeven dat de kosten van de technische keuring nog zullen worden naberekend.

4.11 Het door M&E gevorderde bedrag van € 52.950,- ter zake van de koopovereenkomsten heeft [gedaagde] erkend. [gedaagde] heeft zich op verrekening met haar vordering in reconventie beroepen. Gelet hierop komt dit verweer, alsmede de beoordeling van de gevorderde rente na de beoordeling van de vordering in reconventie aan de orde.

4.12 Tegen de door M&E gevorderde buitengerechtelijke incassokosten heeft [gedaagde] aangevoerd dat er sprake is van gebruikelijke sommaties en één korte onderhandelingsronde, zodat de grond voor dit onderdeel van M&E's vordering ontbreekt. Nu M&E haar stellingen op dit punt vervolgens niet nader heeft onderbouwd, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht op dit punt en zal dit onderdeel van haar vordering worden afgewezen.

4.13 M&E vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.169,02 voor verschotten en € 894,- voor salaris procureur (1 rekest x € 894,-).

4.14 [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van M&E op:

- dagvaarding € 71,32

- vast recht € 2.130,00

- salaris procureur € 2.235,00 (2,5 punten × EUR 894,00)

Totaal € 4.436,32

in reconventie

4.15 De vorderingen onder 1 en 2 betreffen een verklaring voor recht dat M&E wanprestatie heeft gepleegd en daarom schadeplichtig is.

[gedaagde] voert hiertoe aan dat er een fatale leveringstermijn was afgesproken, dat M&E te laat heeft geleverd, dat de revisie ondeugdelijk was, dat Van Oord haar relatie met [gedaagde] daarom heeft beëindigd en dat die schade nog nader dient te worden begroot.

M&E heeft hiertegen aangevoerd dat de reparatiewerkzaamheden door het toedoen van [gedaagde] (het niet kunnen leveren van de onderdelen) zijn vertraagd. Voorts weerspreekt M&E dat [gedaagde] hierdoor Van Oord als klant is kwijtgeraakt, omdat Van Oord geen opdrachtgever van [gedaagde] was.

De rechtbank overweegt dat uit hetgeen zij in conventie reeds heeft overwogen, volgt dat [gedaagde] in deze procedure tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van het door haar leveren van de onderdelen aan M&E. Teneinde te kunnen reviseren heeft M&E de onderdelen van een derde moeten betrekken. Aan M&E kan in dit licht dan ook niet worden tegengeworpen dat de revisie niet binnen 14 dagen was afgerond. Daarbij komt nog - voor zover er al sprake was van een fatale termijn - dat Van Oord de gereviseerde motoren wel heeft afgenomen. [gedaagde]s stelling dat zij door de te late levering schade heeft geleden, heeft zij niet onderbouwd.

Nu M&E voorts de kosten heeft gedragen van de reparatie in Dubai, kan de ondeugdelijkheid van de revisie haar evenmin worden tegengeworpen. Tot slot volgt uit de stellingen van [gedaagde] zelf dat Van Oord een nieuwe opdrachtgever was (conclusie van antwoord tevens eis in reconventie onder 51). Van het beëindigen van een bestaande handelsrelatie door Van Oord was dan ook in de visie van [gedaagde] zelf geen sprake. M&E is daarom ter zake niet schadeplichtig. Een en ander nog daargelaten dat [gedaagde] het door hem gevorderde bedrag ad € 60.000,- op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Dit betekent dat de onderdelen 1 en 2 van [gedaagde]s vordering zullen worden afgewezen.

4.16 De vordering onder 3 betreft de afgifte van de op het terrein van M&E nog aanwezige zaken van [gedaagde].

In de loop van de procedure hebben partijen een uitgebreide discussie gevoerd over de vraag welke zaken van [gedaagde] zich nog onder M&E zouden bevinden. In dit kader heeft M&E in haar antwoordakte wijziging eis betoogd dat zij ter voorbereiding op de comparitie en na ontvangst van de leverbewijzen van [gedaagde] haar opslag heeft gecontroleerd en heeft vastgesteld dat alle motoronderdelen van [gedaagde] (met uitzondering van items 5a, 5b en 12 van de lijst van [gedaagde], productie 1 cva) daar aanwezig zijn.

In dat licht ligt de toewijzing van [gedaagde]s vordering tot afgifte van deze zaken gereed. Voor het opleggen van een dwangsom ziet de rechtbank, gelet op het verloop van de procedure en de proceshouding van partijen, geen aanleiding.

4.16.1 Ten aanzien van de items 5a en 5b heeft M&E in de procedure van meet af aan gemotiveerd aangevoerd dat deze onderdelen zijn gebruikt bij de revisie van de twee scheepsmotoren. Daar [gedaagde] dit verweer niet (onderbouwd) heeft weersproken, heeft zij op dit punt niet voldaan aan haar stelplicht. Aan bewijslevering op dit punt wordt daarom niet toegekomen. De vordering tot afgifte van de items 5a en 5b zal daarom worden afgewezen. Dat M&E zulks niet heeft verantwoord op haar factuur van de revisie, doet aan het vorenstaande niet af. Het enkele feit dat een ander niet (correct) administratief verwerkt is, wil niet zeggen dat die items niet zijn gebruikt.

4.16.2 Met betrekking tot item 12 heeft M&E aangevoerd dat item 12 niet aan haar is geleverd en dat dit ook niet volgt uit de door [gedaagde] overgelegde afleveringsbonnen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat item 12 een DPD afleverbon betreft. De rechtbank constateert echter dat [gedaagde] geen DPD afleverbon of enige andere onderbouwing voor haar stelling op dit punt heeft gegeven. Dit betekent dat [gedaagde] ook op dit punt niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht.

4.17 De vordering onder 4 ziet op vervangende schadevergoeding voor de niet door M&E af te geven zaken.

Daar hiervoor is overwogen dat M&E zal worden veroordeeld tot afgifte van zaken van [gedaagde] die zij nog onder zich houdt, zal dit onderdeel van [gedaagde]s vordering bij gebrek aan belang worden afgewezen.

4.18 De vordering onder 5 betreft door [gedaagde] aan M&E geleverde zaken voor een koopsom van in totaal € 12.416,80. Nu M&E dit onderdeel van de vordering niet heeft weersproken, ligt deze voor toewijzing gereed.

4.19 Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

in conventie (vervolg)

4.20 Het beroep van [gedaagde] op verrekening zal worden toegewezen tot het bedrag ad in totaal € 12.416,80. Aan de door [gedaagde] gevorderde rente zal niet worden toegekomen gelet op het bepaalde in artikel 6:129, eerste lid, BW (zie ook conclusie van antwoord tevens eis in reconventie onder 43, laatste zin).

4.21 Gelet op het hiervoor in conventie overwogene wordt de vordering van M&E toegewezen voor het volgende bedrag:

revisie € 61.122,12

verkoop onderdelen € 52.950,--

€ 114.072,12

te verminderen met

creditnota € 3.646,52

betaling [gedaagde] € 17.475,60

facturen [gedaagde] € 7.759,90

factuur [gedaagde] € 4.657,--

€ 33.538,92

resteert € 80.533,20

=========

4.22 Gelet op M&E's berekening onder punt 19 in de dagvaarding en het feit dat zij de daar opgevoerde p.m.-post vervolgens op geen enkele wijze heeft onderbouwd, zal de wettelijke handelsrente worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding.

in conventie en in reconventie

4.23 De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1 veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan M&E van € 80.533,20 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten (inclusief de kosten van het beslag), aan de zijde van M&E tot op heden begroot op € 4.436,32,

in reconventie

5.3 veroordeelt M&E om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis alle zaken van [gedaagde] aanwezig op het terrein van M&E af te geven, zoals deze zijn gedefinieerd op de lijst overgelegd als productie 1 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met uitzondering van de daarop genoemde items 5a, 5b en 12,

5.4 compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in conventie en in reconventie

5.5 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2007.