Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA6062

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
11/500100-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld ter zake van belaging van zijn ex-vrouw en haar nieuwe vriend, zijn voormalig beste vriend. Belaging bestaat uit het herhaaldelijk telefonisch dreigen, waarschuwen, verwijten en schelden op beide personen. Verdachte was al eerder veroordeeld voor het stalken van zijn ex-vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer : 11/500100-07

Zittingsdatum : 15 mei 2007

Uitspraak : 29 mei 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1963,

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in de periode van 28 maart 2005 tot en met 10 december 2006 te Zwijndrecht, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, ondermeer, -zakelijk weergegeven-

meermalen, althans eenmaal,

in bovengenoemde periode (telkens en/of meermalen per dag) voornoemde [slachtoffer 1] opgebeld en/of (telkens) een of meer bericht(en) ingesproken op de voicemail van die [slachtoffer 1] en/of (telkens en/of meermalen per dag) die [slachtoffer 1] een sms-bericht gestuurd;

2.

hij in de periode van 1 september 2005 tot en met 16 januari 2007 te Zwijndrecht, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, ondermeer, -zakelijk weergegeven- meermalen, althans eenmaal,

in bovengenoemde periode (telkens en/of meermalen per dag) voornoemde [slachtoffer 2] opgebeld en/of (telkens) een of meer bericht(en) ingesproken op de voicemail van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 2] (telkens en/of meermalen per dag) een sms-bericht gestuurd;

3.

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 januari 2005 te Zwijndrecht [slachtoffer 2] (bijna dagelijks) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend met zijn vinger een snijbeweging langs zijn keel gemaakt in de richting van die [slachtoffer 2] en/of (daarbij) deze (telkens) dreigend de woorden toegevoegd, dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] nog wel af zou maken en/of diens kop eraf zou knallen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/ of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. De officier van justitie acht het onder 3. ten laste gelegde feit niet bewezen en heeft te dien aanzien vrijspraak gevorderd.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Voorts heeft de verdediging een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd, omdat het wettig bewijs ontbreekt dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode heeft schuldig gemaakt aan de in de tenlastelegging omschreven handelingen.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat feit

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 15 december 2005 tot en met 10 december 2006 te Zwijndrecht, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, onder meer, -zakelijk weergegeven- meermalen,

in bovengenoemde periode telkens en/of meermalen per dag voornoemde [slachtoffer 1] opgebeld en/of telkens een of meer bericht(en) ingesproken op de voicemail van die [slachtoffer 1] en/of telkens en/of meermalen per dag die [slachtoffer 1] een sms-bericht gestuurd;

2.

in de periode van 10 oktober 2006 tot en met 16 januari 2007 te Zwijndrecht, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], met het oogmerk die [slachtoffer 2] te dwingen iets te doen, niet te doen en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, onder meer, -zakelijk weergegeven- meermalen, althans eenmaal,

in bovengenoemde periode telkens en/of meermalen per dag voornoemde [slachtoffer 2] opgebeld en/of telkens een of meer bericht(en) ingesproken op de voicemail van die [slachtoffer 2] en/of die Deen telkens en/of meermalen per dag een sms-bericht gestuurd.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/ of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. + 2. telkens: BELAGING;

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het rapport van de deskundige

Door dr. A.H. Meek, psychiater en vast beëdigd gerechtelijk deskundige, is een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens en de persoonlijkheid van verdachte. Psychiater Meek heeft op 13 april 2007 in de Pro Justitia-rapportage daarover -zakelijk weergegeven- het volgende gerapporteerd:

Bij betrokkene zijn minder sterke persoonlijkheidskenmerken aanwezig en er is sprake van een zich onder invloed van ingrijpende gebeurtenissen ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis. Het gaat hierbij om wantrouwende, narcistische en afhankelijke trekken. Ten tijde van de tenlastegelegde periode vonden ingrijpende gebeurtenissen (de scheiding etc.) plaats, zodat onderzochte moeite had een aangepastere reactie te ontwikkelen. Er kan van een lichtverminderde toerekeningsvatbaarheid worden gesproken.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van voornoemde deskundige op grond van de onderbouwing ervan. Op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en de rapporten van voornoemde deskundige is voldoende vast komen te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een lange periode stelselmatig inbreuk gemaakt op zowel de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-vrouw, als die van haar nieuwe vriend door herhaaldelijk te bellen, voicemailberichten in te spreken en SMS-berichten te versturen.

Hoewel de frequentie waarmee de berichten werden ingesproken bij en/of verzonden naar de slachtoffers binnen de bewezenverklaarde periode fluctueerde, is de rechtbank van mening dat in bepaalde tijdvakken door verdachte hoogfrequent berichten zijn ingesproken en/of verzonden. Daar komt bij dat de intensiteit van de verwensingen van verdachte aan het adres van vooral slachtoffer van de onder 2 ten laste gelegde belaging aanmerkelijk is. Dit slachtoffer wordt door verdachte op uiteenlopende wijzen de dood toegewenst en bedreigd. Het slachtoffer van de onder 1 ten laste gelegde belaging wordt uitgescholden, bedreigd, aangesproken op haar omgang met de gezamenlijke kinderen en ingelicht over hetgeen verdachte haar nieuwe vriend toewenst of wil aandoen. Met deze handelwijze heeft verdachte aanmerkelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van beide slachtoffers. De impact van diens gedrag op het leven van de slachtoffers is aanzienlijk. Verdachte heeft zich hier geen rekenschap van gegeven en zich laten leiden door eigen gevoelens van boosheid en frustratie.

De rechtbank rekent het verdachte daarbij in het bijzonder aan dat hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, temeer daar hij nog in een proeftijd liep, opgelegd naar aanleiding van een eerdere veroordeling van verdachte voor dezelfde feiten in een ander periode. Daarbij heeft verdachte blijk gegeven van een zekere onverschilligheid ten aanzien van zijn eerdere veroordeling en weinig blijk gegeven van het besef ten aanzien van de mate van impact die deze handelingen hebben gehad. Verdachte heeft eerst ter terechtzitting aangegeven dat hij inziet dat zijn gedrag ontoelaatbaar is.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op de rapportage van de reclassering, alsmede de rapportage van voornoemde deskundige. Zoals gesteld is verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor de door hem gepleegde feiten. De deskundigen achten het van belang dat verdachte binnen het kader van verplichte reclasseringsbegeleiding een behandeling zal ondergaan. De rechtbank kan zich hierin vinden en verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven bereid te zijn hieraan mee te werken. De rechtbank zal dit in de vorm van een bijzondere voorwaarde in het vonnis opnemen door een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank zal de proeftijd vaststellen op drie jaar, een langere termijn dan de gebruikelijke termijn van twee jaren, omdat de deskundigen voorzien dat de behandeling van verdachte geruime tijd in beslag zal gaan nemen gezien de feiten en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft aangevoerd dat hij de drie ten laste gelegde feiten als één feitencomplex ziet. Voor zover hiermee een strafmaatverweer wordt bedoeld, is de rechtbank van mening dat dit verweer niet opgaat. Er is immers sprake van twee verschillende slachtoffers, terwijl voorts ook de aard, de mate en frequentie van de inbreuk verschilt.

De straf op te leggen straf komt overeen met de eis van de officier van justitie, doch is in feite een overstijging daarvan, omdat de rechtbank een kortere periode bewezen acht dan de periode die de officier van justitie ten laste heeft gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank doet de eis van de officier van justitie geen recht aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte, gezien de hierboven genoemde hoge frequentie van de berichten, de aard en de intensiteit die de ten laste gelegde feiten hebben en hebben gehad.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

7.2 De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

Verdachte is bij onherroepelijk geworden vonnis van 31 januari 2006 van de politierechter te Dordrecht veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich in de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Verdachte heeft derhalve de algemene voorwaarde niet nageleefd. De strafbare feiten waarvoor de voorwaardelijke veroordelingen zijn uitgesproken, zijn vergelijkbaar met de feiten die thans aan de orde zijn.

De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf gelasten.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 57, en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

* een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf te weten ACHT (8) MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op DRIE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt daarbij als BIJZONDERE VOORWAARDE dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat nodig oordeelt, ook als dat inhoudt: het ondergaan van een ambulante psychiatrische behandeling bij "Het Dok" te Rotterdam of een andere soortgelijke instelling;

verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

voor wat betreft de duur van de behandeling, geldt in het kader van deze bijzondere voorwaarde maximaal de duur van de proeftijd of zoveel korter als door de betreffende instelling noodzakelijk wordt geoordeeld;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beveelt de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf;

* gelast de tenuitvoerlegging van de bij onherroepelijk geworden vonnis van 31 januari 2006 van de politierechter te Dordrecht (parketnummer 11/711425-05) voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf van vier maanden gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M.A. Hinfelaar, voorzitter,

mr. F.G.H. Kristen en mr. B. van Velzen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C-J Booij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 mei 2007.

Door afwezigheid is mr. Kristen voornoemd buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.