Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA6060

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
11/51044406
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van verdachte die lijdt aan het syndroom van Asperger voor het telefonisch belagen van een vrouw die in dezelfde straat woont. Belaging vond plaats via haar collega's en haar moeder, derhalve niet rechtstreeks. Verdachte is al eerder veroordeeld voor belaging. Rechtbank benadrukt noodzaak van verdere behandeling en legt een proeftijd van vijf jaar op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer : 11/510444-06

Zittingsdatum : 15 mei 2007

Uitspraak : 29 mei 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1971,

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 21 augustus 2006 tot en met 28 januari 2007 te Oud-Beijerland, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

immers heeft verdachte (ondermeer)

meermalen, althans eenmaal (telkens) telefonisch contact opgenomen met een of meer medewerkster(s) van Verzorgingstehuis De Egmontshof (waar ook die [slachtoffer] werkzaam was), waarbij hij, verdachte

- meermalen) zonder iets te zeggen de verbinding heeft verbroken en/of

- (meermalen) heeft gevraagd of hij, verdachte, die [slachtoffer] kon spreken en/of (daarbij) (meermalen) heeft gezegd

- dat die [slachtoffer] na haar werk zou worden opgewacht en/of

- dat hij, verdachte, die [verdachte] had meegenomen naar huis, alwaar hij, verdachte, haar een injectie met een witte romige vloeistof had gegeven en/of

- dat die [slachtoffer] nu zacht sliep, misschien wel voor altijd en/of

- dat die [slachtoffer] verkracht was en/of

- dat hij, verdachte, met twee vingers in de vagina van die [slachtoffer] zat en/of

- dat hij, verdachte, nu voor de hoofdingang stond en/of

- dat hij, verdachte, een spuit had en die [slachtoffer] een injectie zou geven en/of

- dat hij, verdachte, die [slachtoffer] nu stond te verkrachten en/of

- dat die [slachtoffer] naast hem, verdachte, lag en heerlijk lag te slapen en/of

- dat hij, verdachte, daar een stijve van kreeg en/of

- dat hij, verdachte, die [slachtoffer] iets had gegeven en/of

- dat hij, verdachte, die [slachtoffer] zo nog een spuitje ging geven en/of

meermalen, althans eenmaal (telkens) telefonisch contact heeft opgenomen met de moeder van die [slachtoffer] (in wier woning die [slachtoffer] toen verbleef) en/of (meermalen) heeft gevraagd of hij die [slachtoffer] kon spreken.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/ of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, met het volgen van een therapie.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer].

Zij vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van EUR 1515,28, ter zake van materiële en immateriële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade niet betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 14 oktober 2006 tot en met 28 januari 2007 te Oud-Beijerland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden,

immers heeft verdachte (onder meer)

meermalen telkens telefonisch contact opgenomen met medewerksters van Verzorgingstehuis De Egmontshof (waar ook die [slachtoffer] werkzaam was), waarbij hij, verdachte

- meermalen zonder iets te zeggen de verbinding heeft verbroken en

- meermalen heeft gevraagd of hij, verdachte, die [slachtoffer] kon spreken en (daarbij) heeft gezegd

- dat die [slachtoffer] na haar werk zou worden opgewacht en

- dat hij, verdachte, die [slachtoffer] had meegenomen naar huis, alwaar hij, verdachte, haar een injectie met een witte romige vloeistof had gegeven en

- dat die [slachtoffer] nu zacht sliep, misschien wel voor altijd en

- dat die [slachtoffer] verkracht was en

- dat hij, verdachte, met twee vingers in de vagina van die [slachtoffer] zat en

- dat hij, verdachte, nu voor de hoofdingang stond en

- dat hij, verdachte, een spuit had en die [slachtoffer] een injectie zou geven en

- dat hij, verdachte, die [slachtoffer] nu stond te verkrachten en

- dat die [slachtoffer] naast hem, verdachte, lag en heerlijk lag te slapen en

- dat hij, verdachte, daar een stijve van kreeg en

- dat hij, verdachte, die [slachtoffer] iets had gegeven en

dat hij, verdachte, die [slachtoffer] zo nog een spuitje ging geven en

telefonisch contact heeft opgenomen met de moeder van die [slachtoffer] (in wier woning die [slachtoffer] toen verbleef) en heeft gevraagd of hij die [slachtoffer] kon spreken.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/ of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

BELAGING.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het rapport van de deskundige

Op verzoek van de rechter-commissaris is door dr. B.A. Blansjaar, psychiater en vast beëdigd gerechtelijk deskundige, een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens en de persoonlijkheid van verdachte. Psychiater Blansjaar heeft op 18 maart 2007 in de Pro Justitia-rapportage daarover -zakelijk weergegeven- het volgende gerapporteerd:

Uit het psychiatrisch onderzoek blijken duidelijke aanwijzingen voor een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van onderzochte in de vorm van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, te weten het syndroom van Asperger, met aanzienlijke sociale en communicatieve beperkingen. Ook ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van deze duurzame gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van onderzochte.

De onderzochte moet ten aanzien van het tenlastegelegde feit dan ook verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht te zijn geweest, aangezien dit feit tenminste deels voortkomt uit de genoemde gebrekkige ontwikkeling. De recidivekans wordt als verhoogd aangemerkt.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van voornoemd rapport op grond van de onderbouwing ervan. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende vast is komen te staan dat het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor het door hem gepleegde feit.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van drie en een halve maand stelselmatig een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer gemaakt door herhaaldelijk te proberen telefonisch met haar in contact te komen. Het is slechts aan het feit dat verdachte niet op de hoogte was van het privé-nummer van verdachte te danken dat er geen sprake is geweest van direct contact.

Ondanks het feit dat er geen direct contact is geweest tussen verdachte en het slachtoffer en het een relatief korte periode betreft, is er sprake van een aanmerkelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Door de vele dreigende en seksueel getinte telefonische berichten is de intensiteit van de belaging hoog te noemen. Het leven van het slachtoffer is in die periode ernstig ontwricht en zij zag zich genoodzaakt haar woning, gelegen in de straat waar verdachte woonachtig is, tijdelijk te verlaten.

De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 18 april 2007 al eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld is geweest. Ter zake van één veroordeling liep verdachte zelfs nog in een proeftijd. Dat heeft hem er echter niet van weerhouden wederom een dergelijk feit te plegen.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op de rapportage van de reclassering, alsmede de rapportage van voornoemde deskundige. Zoals gesteld is verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het door hem gepleegde feit. De rapporteurs achten het van belang dat verdachte binnen het kader van verplichte reclasseringsbegeleiding een ambulante psychiatrische behandeling zal ondergaan. De rechtbank kan zich hierin vinden en verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven bereid te zijn hieraan mee te werken. De rechtbank zal dit in de vorm van een bijzondere voorwaarde in het vonnis opnemen. Tegelijkertijd ziet de rechtbank onder ogen dat verdachte mede vanwege zijn stoornis niet volledig beseft welke uitwerking zijn gedrag op anderen kan hebben. De detentie van verdachte lijkt evenwel bij te dragen aan het inzicht dat de ten laste gelegde gedragingen laakbaar zijn.

De rechtbank zal de proeftijd bepalen op een langere termijn dan de gebruikelijke termijn van twee jaren, omdat de deskundigen voorzien dat de behandeling van verdachte geruime tijd in beslag zal gaan nemen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

7.2 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij is ontvankelijk in haar vordering, nu aan verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd en aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezen verklaarde strafbare feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van EUR 755,28 (reiskosten en smartengeld) toewijzen, nu dit gedeelte van de vordering haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

Ten aanzien van het resterende gedeelte van de vordering zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering, omdat de betreffende post (de therapeutische consulten) niet is onderbouwd met reeds betaalde nota's. Voorts zal worden bepaald dat de benadeelde partij het restant van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Naast toewijzing van deze civiele vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregelen zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

Artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

* een GEVANGENISSTRAF voor de duur van NEGEN MAANDEN

bepaalt dat een gedeelte van deze straf te weten DRIE MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op VIJF JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt daarbij als BIJZONDERE VOORWAARDE dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat nodig oordeelt, ook als dat inhoudt :

het ondergaan van een ambulante psychiatrische behandeling bij "Het Dok" te Rotterdam of een andere soortgelijke instelling;

voor wat betreft de duur van de behandeling geldt in het kader van deze bijzondere voorwaarde maximaal de duur van de proeftijd of zoveel korter als door de betreffende instelling noodzakelijk wordt geoordeeld;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van EUR 755,28, met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk is in het resterende deel van de vordering en dat de benadeelde partij dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EUR 755,28 ten behoeve van [slachtoffer];

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen;

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M.A. Hinfelaar, voorzitter

mr. F.G.H. Kristen en mr A.J. Japenga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C-J Booij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 mei 2007.

Mr. F.G.H. Kristen is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.