Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA5710

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
AWB 07/388
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Ambtenarenzaak. Schorsing in het belang van de dienst en ontzegging toegang dienstgebouwen wegens vermeende ongewenste omgangsvormen.

Verzoeker is werkzaam bij de Douane, momenteel in de functie van groepsfunctionaris C in de surveillance bij de Belastingdienst/Douane Rotterdam. Zijn taak is als mentor (ervaren surveillant) de collega-surveillant in opleiding te begeleiden. Tijdens een receptie, ter gelegenheid van de afronding van de opleiding van de surveillanten alwaar verzoeker, andere mentoren, surveillanten in opleiding en leidinggevenden aanwezig waren, heeft verzoeker één van de surveillanten in opleiding op een stoel gezet en haar armen (stevig) vastgehouden. Een collega van verzoeker, eveneens mentor, heeft vervolgens een schaar gehaald en een lok van het haar van de betrokken surveillant afgeknipt. Verweerder stelt een nader onderzoek in naar de gedragingen van verzoeker. Verzoeker wordt geschorst met ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen. De voorzieningenrechter constateert een aantal gebreken aan het bestreden besluit. Hetgeen verweerder aan de beslissing om tot ordemaatregelen over te gaan ten grondslag heeft gelegd heeft verweerder ter zitting toegelicht maar niet als zodanig in het bestreden besluit vermeldt. Verweerder heeft niet voldaan aan de hoorplicht ex artikel 4:8 van de Awb. In het bestreden besluit is de duur van de schorsing niet geëxpliciteerd, hetgeen door verweerder ter zitting is erkend en hersteld. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven een belangenafweging te hebben gemaakt alvorens tot de ordemaatregelen over te gaan. Deze belangenafweging heeft verweerder evenmin in het bestreden besluit vermeld. De voorzieningenrechter ziet in deze gebreken evenwel geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening aangezien deze bij de te nemen beslissing op bezwaar kunnen worden hersteld. Belang wordt gehecht aan het feit dat is gebleken dat geenszins gezegd kan worden dat voldoende duidelijkheid bestaat over de feiten en omstandigheden die zich tijdens de receptie hebben voorgedaan en een onderzoek hiernaar derhalve nodig is. Ter zitting is gebleken dat nog niet alle aanwezigen bij het incident een verklaring hebben afgelegd. Het komt de voorzieningenrechter dan ook niet onredelijk voor dat verweerder verzoeker gedurende dit onderzoek wenst te schorsen met ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat, zoals ter zitting door verweerder naar voren is gebracht, verzoeker en de betrokken surveillant in één team werkzaam zijn. Hij heeft hierbij tevens in acht genomen dat geen inhouding van de bezoldiging heeft plaatsgevonden. Afwijzing verzoek. Veroordeling in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/388

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[XXX],

wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. J.L.A. Helmer, juridisch medewerker te 's-Gravenhage,

tegen

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J.V.J. van der Smissen, werkzaam bij het Ministerie van Financiën.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 19 april 2007 heeft verweerder verzoeker in het belang van de dienst geschorst met ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij faxbericht van 23 april 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij faxbericht van eveneens 23 april 2007 heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 27 april 2007 ter zitting behandeld.

Verzoeker is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van P. Verhoeven.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter toetst in dat kader of het bestreden besluit kennelijk rechtmatig is dan wel kennelijk onrechtmatig. Is van zodanige kennelijke (on)rechtmatigheid geen sprake, dan gaat de voorzieningenrechter over tot een belangenafweging.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) kan aan de ambtenaar door het bevoegd gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.

Ingevolge artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, onder k, van het ARAR kan de disciplinaire straf zijn: schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging.

Ingevolge artikel 91, eerste lid, onder c, van het ARAR kan de ambtenaar, onverminderd het bepaalde in artikel 81, eerste lid onder k, in zijn ambt worden geschorst wanneer, naar het oordeel van het bevoegde gezag, het belang van de dienst zulks vordert.

Ingevolge artikel 4:8 van de Awb stelt het bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen en die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

Ingevolge paragraaf 15, onderdeel 1.8.1, onder 4, van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (hierna: RPVB) is de plicht tot horen, voordat tot schorsing wordt overgegaan, gebaseerd op het bepaalde bij artikel 4:8 van de Awb. Het horen heeft verschillende functies:

- de gehoorde ontvangt informatie die voor de voorbereiding van zijn verdediging van belang kan zijn;

- de gehoorde krijgt de gelegenheid informatie te verschaffen voor zijn verdediging;

- de horende instantie krijgt de gelegenheid informatie te verzamelen ter onderbouwing van de te nemen beslissing.

Ingevolge paragraaf 15, onderdeel 1.8.3 van het RPVB dienen bij elk besluit tot schorsing (anders dan van rechtswege) steeds de belangen van de Belastingdienst te worden afgewogen tegen de belangen van de desbetreffende ambtenaar. De overwegingen die leiden tot het schorsingsbesluit, dienen in het besluit te worden opgenomen.

Ingevolge paragraaf 15, onderdeel 1.8.5.4 van het RPVB dienen voor de schorsing in het belang van de dienst de belangen van de dienst om betrokkene te schorsen zwaarder te wegen dan de belangen van de desbetreffende ambtenaar. Met name indien onvoldoende duidelijkheid bestaat over de omstandigheden die zich hebben voorgedaan en het dienstbelang vordert dat betrokkene niet op zijn werk verschijnt, kan deze schorsingsmogelijkheid worden toegepast.

2.2. De voorzieningenrechter gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker is sinds 1965 bij [werkgever] in dienst, momenteel in de functie van groepsfunctionaris C in de surveillance bij [afdeling]. Zijn taak is als mentor (ervaren surveillant) de collega-surveillant in opleiding te begeleiden. Op 16 april 2007 heeft een receptie plaatsgevonden ter gelegenheid van de afronding van de opleiding van de surveillanten alwaar verzoeker, andere mentoren, surveillanten in opleiding en leidinggevenden aanwezig waren. Tijdens deze receptie heeft verzoeker één van de surveillanten in opleiding, mevrouw [YYY], op een stoel gezet en haar armen (stevig) vastgehouden. Een collega van verzoeker, eveneens mentor, heeft vervolgens een schaar gehaald en een lok van het haar van mevrouw [YYY] afgeknipt. De dag na het incident heeft mevrouw [YYY] verlof opgenomen en heeft zich vervolgens volledig ziek gemeld. Op 19 april 2007 heeft (onder andere) met verzoeker een gesprek plaatsgevonden over de ontstane situatie. Met ingang van diezelfde datum is verzoeker door verweerder geschorst, terwijl hem tevens de toegang tot de dienstgebouwen is ontzegd.

2.3. Verweerder heeft verzoeker bij besluit van 19 april 2007 in het belang van de dienst tot nader order geschorst nu sprake is geweest van ongewenste omgangsvormen. Op grond hiervan zal er nader onderzoek worden ingesteld naar de gedragingen van verzoeker. Verweerder acht het niet wenselijk dat verzoeker zijn werkzaamheden hervat. Ook heeft verweerder verzoeker de toegang tot alle dienstgebouwen ontzegd.

2.4. Verzoeker is van mening dat verweerder ten onrechte heeft besloten tot schorsing alsmede tot ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen. Volgens verzoeker heeft hij een spoedeisend belang bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening aangezien hij met het oog op de met ingang van 23 mei 2007 op Curaçao te verrichten werkzaamheden een opleidingsprogramma dient te volgen dat begint op 1 mei 2007. De schorsing van verzoeker heeft tot gevolg dat hij aan dit programma niet mee kan doen.

Volgens verzoeker berust het bestreden besluit op een onjuiste dan wel onvoldoende feitelijke grondslag nu geen sprake is geweest van ongewenste omgangsvormen. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan het opleggen van de ordemaatregelen. Verzoeker wijst er op dat hij op 19 april 2007 met het bevoegde gezag heeft gesproken maar dat toen reeds het besluit om verzoeker te schorsen en de toegang tot alle dienstgebouwen te ontzeggen vaststond. Volgens verzoeker blijkt uit het bestreden besluit niet of er een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Hierdoor ontbeert het besluit een kenbare motivering. Voor zover een belangenafweging heeft plaats gevonden is verzoeker van mening dat de hem verweten gedraging niet noopt tot het opleggen van de ingrijpende maatregelen van schorsing en ontzegging van toegang. Verzoeker stelt zich voorts op het standpunt dat de maatregel ontzegging van toegang tot alle dienstgebouwen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel nu in het bestreden besluit niet is bepaald wanneer deze maatregel eindigt.

2.5. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

2.5.1. In het kader van het verzoek om voorlopige voorziening zal de voorzieningenrechter moeten beoordelen of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om verzoeker te schorsen en de toegang te ontzeggen.

Uit ter zake relevante jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt onder meer dat een ordemaatregel als een schorsing in het belang van de dienst in principe mogelijk is, als het ongestoord functioneren van de dienst of het dienstonderdeel waar de te schorsen ambtenaar werkzaam is, door het handhaven van die ambtenaar niet langer verzekerd zou zijn.

2.5.2. Zoals door verweerder ter zitting nader is toegelicht heeft verweerder aan de beslissing om tot ordemaatregelen over te gaan ten grondslag gelegd het belang van het onderzoek alsmede de ernst van verzoekers gedragingen en het herstellen van de rust in de organisatie dan wel het creëren van een veilige omgeving voor mevrouw [YYY]. Gelet hierop is de voorzieningenrechter, anders dan verzoeker, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de ordemaatregelen niet berusten op een afdoende feitelijke grondslag. De voorzieningenrechter is wel van oordeel dat niet al deze aspecten in de motivering van het bestreden besluit zijn vermeld en er derhalve een gebrek kleeft aan het besluit.

2.5.3. Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat niet is voldaan aan de hoorplicht ingevolge artikel 4:8 van de Awb overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Blijkens het dossier heeft op 19 april 2007, de datum van het bestreden besluit, een gesprek plaats gevonden tussen verzoeker en het bevoegd gezag. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker tijdens dit gesprek in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op de voorgenomen schorsing kenbaar te maken. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. Gelet op de inhoud van het zich in het dossier bevindende verslag van dit gesprek komt het de voorzieningenrechter voor dit het gesprek niet zozeer bedoeld lijkt te zijn om betrokkene(n) te horen en zijn zienswijze kenbaar te laten maken als wel om mede te delen dat en, voorzien van een korte toelichting, waarom wordt overgegaan tot schorsing en ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook niet aan de hoorplicht voldaan.

2.5.4. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat in het bestreden besluit de duur van verzoekers schorsing ten onrechte niet is geëxpliciteerd. Verweerder heeft dit ter zitting erkend en aangegeven dat de schorsing uiterlijk op 25 mei 2007 zal worden heroverwogen.

2.5.5. Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat het bestreden besluit geen blijk geeft van een zorgvuldige afweging van belangen overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat hij een belangenafweging heeft gemaakt alvorens tot de ordemaatregelen over te gaan, in die zin dat hij heeft overwogen of met een minder ingrijpende maatregel kon worden volstaan. Volgens verweerder zou de ontstane onrust in de organisatie de thans opgelegde ordemaatregelen rechtvaardigen. Hoewel verweerder aldus ter zitting heeft aangegeven dat hij een belangenafweging heeft gemaakt is deze niet in het bestreden besluit vermeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder er dan ook niet in geslaagd in het bestreden besluit afdoende inzichtelijk te maken op welke wijze hij de belangen van verzoeker bij voortzetting van zijn werkzaamheden of het blijven uitoefenen van zijn functie heeft afgewogen tegen het (gestelde) belang van verweerder bij een onmiddellijke schorsing van verzoeker.

2.5.6. Nu bij het voorlopig rechtmatigheidsoordeel weliswaar een aantal gebreken aan het bestreden besluit is geconstateerd, ziet de voorzieningenrechter hierin evenwel geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Hij neemt hierbij in aanmerking dat vorengenoemde gebreken in de nog te nemen beslissing op bezwaar kunnen worden hersteld.

De voorzieningenrechter hecht voorts belang aan het feit dat met name uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat geenszins gezegd kan worden dat voldoende duidelijkheid bestaat over de feiten en omstandigheden die zich op 16 april 2007 tijdens de receptie hebben voorgedaan en een onderzoek hiernaar derhalve nodig is. Ter zitting is gebleken dat nog niet alle aanwezigen bij het incident een verklaring hebben afgelegd. Het komt de voorzieningenrechter dan ook niet onredelijk voor dat verweerder verzoeker gedurende dit onderzoek wenst te schorsen met ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat, zoals ter zitting door verweerder naar voren is gebracht, verzoeker en mevrouw [YYY] in één team werkzaam zijn. Hij heeft hierbij tevens in acht genomen dat geen inhouding van de bezoldiging heeft plaatsgevonden en verzoeker in die zin niet is benadeeld. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

2.5.7. De voorzieningenrechter ziet, nu aan het bestreden besluit een aantal gebreken kleeft, evenwel aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 644,- ( 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoeker nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- vergoedt.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht,

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die voormelde proceskosten aan verzoeker moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, en door deze en mr. C. Willemsen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2007

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.