Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA2862

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
11/500713-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 51-jarige veelpleger wegens winkeldiefstal veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie tot het opleggen van een ISD-maatregel afgewezen, bij gebreke van een ander advies of rapport als bedoeld in artikel 38m, lid 5, derde volzin van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer : 11/500713-06

Zittingsdatum : 22 maart 2007

Uitspraak bij vervroeging: 27 maart 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 14 december 2006 te Dordrecht met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere scheermesje(s)

en/of een of meerdere fles(sen) douche-gel, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 december 2006 te Dordrecht opzettelijk een of meerdere

scheermesje(s) en/of een of meerdere fles(sen) douche-gel, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en welk(e) goed(eren) verdachte uit de

winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende(n) had genomen onder gehoudenheid

om, alvorens die winkel te verlaten voornoemd(e) goed(eren) te betalen, in elk

geval ter betaling aan te bieden, en aldus dat/die goed(eren) anders dan door

misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke ei-sen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde ken-nis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het primair tenlastegelegde bewezen achtend- gevorderd dat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 14 december 2006 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen scheermesjes en flessen douche-gel toebehorende aan [slachtoffer].

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aange-nomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijs-middelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen, waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardi-gingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

DIEFSTAL.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter te-rechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, teneinde de weggenomen goe-deren te verkopen. Deze diefstal is er één in een lange reeks winkeldiefstallen, waarvan blijkt uit het op naam van verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 december 2006. Een dergelijk feit getuigt van onvoldoende respect voor andermans ei-gendommen en berokkent de benadeelden ergernis, overlast en schade.

Verdachte heeft blijkens het overzicht van Bureau Veelplegers van de politie Zuid-Holland-Zuid d.d. 15 december 2006 de status van zeer actieve veelpleger in de regio Zuid-Holland-Zuid.

In het dossier van verdachte bevindt zich naast vorenbedoeld strafblad en overzicht een brief van 29 januari 2007 van BoumanGGZ betreffende ‘retourzending rapportagever-zoek’. Hierin staat vermeld: “Op 29 januari hebben wij betrokkene in de P.I. De Dordtse Poorten gesproken en hij deelde ons mee dat hij niet mee wenste te werken aan RISc rap-portage en ISD-maatregel. Betrokkene wil wel meewerken aan voortzetting of verlenging van het toezicht in het kader waarvan hij wordt begeleid door de reclassering van Bou-manGGZ. Betrokkene erkent dat justitiecontacten ontstaan door het ontbreken van huis-vesting, inkomen en werk en alternatieve bezigheid. Hij tracht die problemen nu al op te gaan lossen door zich te laten inschrijven als woningzoekende en om tijdig een uitkering aan te vragen”.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw een brief van BoumanGGZ d.d. 19 maart 2007 overgelegd, waarin de reclasseringswerker aangeeft -kort weergegeven- dat, nu verdachte niet aan een ISD-traject wil meewerken, hij bereid is om in het kader van een verplicht reclasseringscontact met verdachte contact te onderhouden.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opge-legd.

Artikel 38m, lid 5 van het Wetboek van Strafrecht luidt: “Het vierde lid blijft buiten toe-passing indien de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk wordt over de reden van de weigering rapport opgemaakt. De rechter doet zich zo veel mogelijk een ander ad-vies of rapport dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de verdachte wel bereid is om medewer-king te verlenen, overleggen”.

In de eerdergenoemde brief van BoumanGGZ van 29 januari 2007 ziet de rechtbank grond voor het oordeel dat verdachte weigert medewerking te verlenen in de zin van arti-kel 38m, lid 5, eerste volzin van het Wetboek van Strafrecht. Ter zitting heeft verdachte niet anders verklaard en bevestigd dat hij niets voelt voor een zogenaamde ISD-maatregel.

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier naast de evengenoemde twee brieven van BoumanGGZ geen aanvullende informatie bevindt over de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Hoewel verdachte blijkens de brief van BoumanGGZ van 29 januari 2007 kennelijk wel bereid was mee te werken aan reclasseringsbegeleiding is daarin kennelijk geen aanlei-ding gezien om een nader rapport uit te brengen over de persoon en de persoonlijke om-standigheden van verdachte en eventueel wenselijke interventies.

Gelet op artikel 38m, lid 5, derde volzin van het Wetboek van Strafrecht dient de recht-bank zoveel mogelijk acht te slaan op een (ander) advies of rapport met mogelijke infor-matie over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een ISD-maatregel. Een dergelijk ander advies of rapport bevindt zich evenwel niet in het dossier. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve niet aan het vereiste van artikel 38m, lid 5, derde volzin van het Wetboek van Strafrecht voldaan. Mede gelet op de aard en ernst van het bewezenver-klaarde feit en de stand van de procedure heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen ten behoeve van nadere rapportage.

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie mitsdien af. Op grond van het vorenoverwogene met betrekking tot het feit en de persoon van de verdachte is de recht-bank van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke gevangenis-straf van na te melden duur dient te worden opgelegd. Omdat de rechtbank het met Bou-manGGZ van belang acht dat verdachte wordt begeleid, zal zij aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen hem te geven door of namens BoumanGGZ.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier-boven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

? een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 4 (vier) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 2 (twee) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroor-deelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt daarbij als BIJZONDERE VOORWAARDE, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens Bouman GGZ, zolang deze instelling dat nodig oordeelt;

verstrekt aan voornoemde instelling de opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de nale-ving van deze bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuit-voerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenis-straf geheel in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. Bedee, voorzitter,

mr. F.L.J.M. Heijnen en mr. M.I. Blagrove, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Vugt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 maart 2007.