Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA1871

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
11/510455-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voetballer veroordeeld wegens poging doodslag op een medespeler tijdens een amateurwedstrijd in Oud-Beijerland. De verdachte heeft zijn medespeler zwaar letsel toegebracht door hem met kracht vol in het gezicht te trappen. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummers: 11/510455-06 en 10/690106-06 (tul)

Zittingsdatum: 15 maart 2007

Uitspraak: 29 maart 2007

STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren in 1979,

wonende te [adres en woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd

hij op of omstreeks 02 december 2006 te Oud-Beijerland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] een kopstoot in het gezicht heeft gegeven en/of (vervolgens), terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, met geschoeide voet, met kracht tegen het gezicht, in elk geval tegen het hoofd, van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 december 2006 te Oud-Beijerland aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken neus, breuken op het jukbeen, breuken rond de oogkassen en een verbrijzelde en versplinterde voorzijde van de schedel (voorhoofd)), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een kopstoot in het gezicht te geven en/of (vervolgens) terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag, met geschoeide voet en met kracht tegen het gezicht, in elk geval tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen;

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het primair ten laste gelegde bewezen geacht en gevorderd dat de verdachte veroordeeld zal worden tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer], [adres en woonplaats].

Hij vordert de verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van EUR 7543,02, bestaande uit een bedrag van EUR 1543,02 ter zake van materiële schadevergoeding en een bedrag van EUR 6000,- ter zake van immateriële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade niet betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

(primair)

op 02 december 2006 te Oud-Beijerland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] een kopstoot in het gezicht heeft gegeven en vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, met geschoeide voet, met kracht tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De inhoud van het geschrift wordt slechts als bewijsmiddel gebezigd in samenhang met de overige bewijsmiddelen.

1. Het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid d.d. 5 december 2006, mutatienummer PL 1830/06-133679 (p. 21 gevoegd bij het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid d.d. 21 januari 2007, dossiernummer PL1830/06-507898).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer] -zakelijk weergegeven -:

- Op 2 december 2006 te Oud-Beijerland speelde ik een voetbalwedstrijd tussen Zinkwegse Boys 1 en Bolnes 1. Ik zag een tegenstander op mij af komen lopen. De tegenstander droeg het shirt met nummer 3. Op het moment dat hij bij mij kwam en recht voor mij stond, kreeg ik van hem een harde kopstoot recht in mijn gezicht waardoor ik op de grond kwam. Ik lag op de grond met mijn gezicht in de richting van de tegenstander. Enkele seconden later voelde ik ongelofelijk veel pijn in mijn gezicht. Ik heb het volgende letsel:

- schedel op vijf plaatsen gescheurd/gebroken;

- beide oogkassen gebroken;

- neus gebroken.

2. Het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid d.d. 3 december 2006, mutatienummer PL1830/06-133679 (p. 64 gevoegd bij het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid d.d. 21 januari 2007, dossiernummer PL1830/06-507898).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 1] -zakelijk weergegeven -:

- Op 2 december 2006 was ik scheidsrechter bij de voetbalwedstrijd in Oud-Beijerland tussen het eerste elftal van Zinkwegse Boys en het eerste elftal van Bolnes. Ik zag heel duidelijk dat de nummer 3 van Bolnes met zijn hoofd een kopstoot gaf tegen het hoofd van de speler nummer 6 van de Zinkwegse Boys. Ik zag dat die speler vol in zijn gezicht werd geraakt en dat die speler daardoor groggy op de grond viel. Ik zag dat die speler nummer 3 op korte afstand van die nummer 6 bleef staan. Ik zag dat hij heel nadrukkelijk naar die nummer 6 keek en ik zag dat hij vervolgens heel hard met zijn voet uithaalde en met zijn voet keihard in het gezicht van de nummer 6 schopte. Deze speler nummer 6 lag op dat moment nog steeds op de grond. Ik heb speler nummer 3 zien kijken hoe hij bewust en gemikt vol op het gezicht van die speler op de grond kon schoppen.

3. Een geschrift, namelijk de KNVB-rapportage van [getuige 1] (p. 68 gevoegd bij het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid, dossiernummer PL1830/06-507898).

Deze rapportage houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

- Deze rapportage gaat over de wedstrijd en de 2 gewelddadige acties van de speler met rugnummer 3 van Bolnes [verdachte] ten opzichte van de nummer 6 [slachtoffer] van de Zinkwegse Boys;

4. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting zoals in het proces-verbaal van de terechtzitting weergegeven voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -

- Ik had tijdens de voetbalwedstrijd tegen de Zinkwegse Boys op 2 december 2006 te Oud-Beijerland op een gegeven moment geen zelfbeheersing meer. Ik heb [slachtoffer] getrapt toen hij op de grond lag. Ik heb hem midden in zijn gezicht getrapt. Ik was heel erg kwaad.

4.3 Nadere overwegingen

De raadsman van de verdachte heeft de rechtbank verzocht bij de beraadslaging in overweging te nemen of nog nadere getuigenverhoren dienen plaats te vinden.

De raadsman heeft daartoe onder meer betoogd dat onvoldoende getuigen van het voetbalteam waar de verdachte deel van uitmaakt, zijn gehoord. De rechtbank overweegt daarover dat in het dossier verklaringen zijn opgenomen van personen die deel uitmaken van het team van het slachtoffer, de Zinkwegse Boys ([getuige 2] op p. 49 en [getuige 3] op p. 51), van een persoon die deel uitmaakt van het team van de verdachte, Bolnes ([getuige 4] op p. 59), van personen die een neutrale positie hadden in het spel (clubgrensrechter [getuige 5] op p. 53 en scheidsrechter [getuige1] op p. 64), van een persoon die supporter was ([getuige 6] op p. 55) en van twee andere personen ([getuige 7], broer van de verdachte, op p. 57 en [getuige 8], vriend van de verdachte, op p. 61) en dat aldus niet gezegd kan worden dat sprake is van het horen van "eenzijdige" getuigen. De verklaringen van de al deze getuigen komen bovendien op essentiële punten overeen.

De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat het letsel in ernstiger mate is uitgepakt ten gevolge van mogelijk cocaïnegebruik door het slachtoffer; dit zou zijn botstructuur hebben aangetast. Aangevoerd is dat het slachtoffer hierover nader gehoord zou moeten worden. Voor zover cocaïnegebruik van een slachtoffer in een zaak als de onderhavige al relevant zou kunnen zijn voor beantwoording van een van de vragen van de artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, overweegt de rechtbank dat de raadsman zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd zodat reeds om die reden geen aanleiding bestaat om het slachtoffer op dit punt nader te horen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat geen sprake is van een onvolledig onderzoek en de rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.

4.4 Nadere bewijsoverweging

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende.

De verdachte heeft het slachtoffer een kopstoot gegeven waardoor het slachtoffer op de grond is terechtgekomen. Volgens de verschillende getuigenverklaringen heeft de verdachte, terwijl het slachtoffer in die houding op de grond lag, een geschikte positie gezocht, waarna hij met een aanloop het slachtoffer vol in het gezicht getrapt heeft. Zo heeft getuige [getuige 2] (p. 49 gevoegd bij het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid d.d. 21 januari 2007, dossiernummer PL1830/06-507898) verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte na de kopstoot een paar stappen naar achteren deed en het slachtoffer gericht een harde trap in het gezicht gaf en dat de verdachte zo ging staan dat hij het slachtoffer goed in zijn gezicht kon trappen. Ook getuige [getuige 3] (p. 51 gevoegd bij het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid d.d. 21 januari 2007, dossiernummer PL1830/06-507898) heeft verklaard dat de verdachte een paar stappen opzij deed en direct daarop het slachtoffer vol tegen het hoofd schopte. Dit wordt bevestigd door grensrechter [getuige 5] (p. 53 e.v. gevoegd bij het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid d.d. 21 januari 2007, dossiernummer PL1830/06-507898) en getuige [getuige 6] (p. 55 gevoegd bij het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid d.d. 21 januari 2007, dossiernummer PL1830/06-507898). Uit dit feitencomplex en de handelwijze van de verdachte valt af te leiden dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk in het gezicht getrapt heeft.

De rechtbank acht aannemelijk dat het slachtoffer zodanig ernstig letsel had kunnen worden toegebracht dat hij daaraan had kunnen komen te overlijden. Het letsel bestond nu uit een op vijf plaatsen gebroken, dan wel gescheurde schedel, twee gebroken oogkassen en een gebroken neus. Op basis van de medische informatie en de overige relevante informatie in het dossier, is de rechtbank van oordeel dat het slachtoffer had kunnen komen te overlijden aan de gevolgen van zijn letsel. Wanneer een trap in het gezicht wordt gegeven op de wijze zoals de verdachte dat heeft gedaan, dient ernstig rekening te worden gehouden met letsel dat resulteert in de dood van het slachtoffer. De verdachte heeft zich willens en wetens blootgesteld aan het risico dat hij het slachtoffer zou doden, met dien verstande dat hij de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

(primair)

POGING TOT DOODSLAG.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Rapportage van de deskundige

Omtrent de persoon en de persoonlijkheid van verdachte is d.d. 14 februari 2007 een rapport uitgebracht door A.H. Meek, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige. Uit dit rapport komt onder meer het volgende naar voren - zakelijk weergegeven -:

De verdachte is een 27-jarige man die de afgelopen jaren regelmatig met Justitie in aanraking is gekomen. Op het vlak van werk en opleiding is er weinig stabiliteit en perspectief. De verdachte is voor zijn dagelijkse onderhoud vooral afhankelijk van anderen. Zijn verbale intelligentie is gemiddeld tot laag gemiddeld. Voor de verdachte is voetbal enorm belangrijk. Veel van zijn zelfgevoel wordt ontleend aan zijn activiteiten op dit vlak. In het verleden heeft de verdachte met diverse psychische problemen te maken gehad. Hem is hiervoor hulp aangeboden, maar die werd steeds door hem geweigerd dan wel vroegtijdig afgebroken. De verdachte heeft geen reëel beeld van zijn eigen persoonlijkheid. Kwetsbare kanten worden ontkend en zeker niet geuit, agressieve impulsen worden te laat onderkend. Concluderend is er sprake van een man met een persoonlijkheidsstoornis, waarbij vooral antisociale trekken, en ook afhankelijke en narcistische trekken voorkomen. De indruk is dat dit ook het geval was ten tijde van het ten laste gelegde. De verdachte voelde zich fors gekleineerd in iets waarin hij meende bijzonder te kunnen presteren. Hij was niet in staat opkomende boosheid ook maar enigszins te reguleren en ging volledig over alle grenzen.

Bij de verdachte kan gesproken worden van een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid. De beschreven persoonlijkheidsstoornis impliceert een verminderde agressieregulatie. In kritieke situaties, namelijk als de verdachte zich in zijn zelfbeeld bedreigd voelt en/of onderuit gehaald voelt, grijpt de verdachte naar het middel dat voor hem het dichtst bij ligt, te weten fysieke en/of verbale grensoverschrijding. Verdachtes zelfbeeld is erg broos, aangezien hij beroepsmatig en op het gebied van opleiding en op het gebied van zelfstandigheid weinig heeft waar hij trots op kan zijn. Zijn identiteit is in dat opzicht nog weinig ontwikkeld en de verdachte slaagt er niet in daar werkelijk op het niveau van zijn leeftijd een begin mee te maken.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennis genomen van de conclusie van voornoemde deskundige met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en kan zich daarmee verenigen, zodat de rechtbank deze conclusie overneemt. Zij is derhalve van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige het bewezen verklaarde feit in licht verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.

Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De verdachte heeft tijdens een voetbalwedstrijd een speler van de andere partij een kopstoot gegeven waardoor deze op de grond viel. Vervolgens heeft de verdachte een aanloop genomen en met zijn geschoeide voet het slachtoffer, die in een kwetsbare positie op de grond lag, vol in het gezicht getrapt. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot een van de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Hij heeft het slachtoffer dusdanig ernstig letsel toegebracht dat deze daardoor had kunnen overlijden. Dat het slachtoffer het toch heeft overleefd mag een wonder genoemd worden en is zeker niet aan de verdachte te danken.

De rechtbank rekent de verdachte een en ander zeer zwaar aan. Juist in een situatie van vrijetijdsbesteding door middel van sport en spel mag worden verwacht dat men zich op vriendschappelijke en sportieve wijze tegenover elkaar gedraagt. De verdachte daarentegen heeft, uit louter frustratie en kwaadheid, zijn zelfbeheersing verloren en zich met toepassing van excessief geweld op vreselijke wijze misdragen. Het voorval heeft een enorme impact gehad op het leven van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft een zeer ingrijpende operatie moeten ondergaan en zal van het opgelopen letsel mogelijk de rest van zijn leven de gevolgen ondervinden. Het laat zich raden dat een dergelijke traumatische gebeurtenis ook langdurige psychische gevolgen voor het slachtoffer zal kunnen hebben.

De verdachte heeft evenwel niet alleen het slachtoffer, maar ook de andere deelnemers aan de voetbalwedstrijd alsmede de scheidsrechters en de toeschouwers - die voor hun ontspanning bij de voetbalwedstrijd aanwezig waren - met ernstig geweld en de gevolgen daarvan geconfronteerd. In de samenleving is met afgrijzen en verontrusting op het feit gereageerd. Het toepassen van buitensporig geweld op het voetbalveld zoals de verdachte dat heeft gedaan brengt gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving in zijn algemeenheid en in de sportwereld in het bijzonder teweeg. De verdachte heeft daarmee evenwel geen rekening gehouden en zich slechts laten leiden door zijn eigen agressieve emoties.

Tegen een dergelijk ernstig feit dient, mede gelet op de omstandigheden waaronder dit is begaan, met een zware strafrechtelijke sanctie te worden opgetreden.

Ter bepaling van de straf heeft de rechtbank ook in haar oordeel betrokken de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij heeft de rechtbank meer in het bijzonder acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 december 2006, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder veroordeeld is wegens misdrijven en overtredingen en nog in een proeftijd liep terzake een (deels) voorwaardelijk opgelegde straf.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de gespreksaantekening van Bouman GGZ d.d. 8 december 2006, het voorlichtingsrapport van het Leger des Heils d.d. 23 februari 2007 en op voormeld rapport van psycholoog Meek. In het rapport van de psycholoog wordt geadviseerd om, teneinde de kans op herhaling te verminderen, te gaan werken aan het leren reguleren van agressie als aan het ontwikkelen van een stevigere en reëlere identiteit. Gezien de ernst van de ontwikkelde persoonlijkheidsproblematiek wordt een behandeling bestaande uit twee dagen per week over een nader te specificeren periode in Het Dok geadviseerd. Centraal hierbij staat training in agressieregulatie en identiteitsontwikkeling. Arbeidsproblematiek kan daarbij ook begeleid worden. Verplicht reclasseringscontact wordt als bijzondere voorwaarde geadviseerd. De rechtbank kan zich vinden in dit advies van de psycholoog en is overtuigd van de noodzaak van een behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte. De verdachte heeft zich bereid verklaard aan de geadviseerde behandeling mee te werken.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een groot deel van de op te leggen vrijheidsbenemende straf voorwaardelijk dient te worden opgelegd, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich laat begeleiden door de reclassering. Dit voorwaardelijk deel van de straf dient niet alleen als waarschuwing aan de verdachte om zich in de toekomst van het plegen van strafbare feiten te onthouden maar heeft ook als doel om de verdachte onder begeleiding van de reclassering de gelegenheid te bieden zich te laten behandelen zoals door de psycholoog geadviseerd, zodat ook op die wijze kan worden geprobeerd de kans op herhaling zo klein mogelijk te maken.

7.2 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij is ontvankelijk in zijn vordering, nu aan de verdachte een straf wordt opgelegd en aan hem rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezen verklaarde strafbare feit toegebrachte schade. De vordering zal integraal worden toegewezen nu de vordering door de verdachte niet is betwist.

Naast toewijzing van deze civiele vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de betalingen van de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

7.3 Vordering tenuitvoerlegging

De verdachte is door de Politierechter te Rotterdam bij onherroepelijk geworden vonnis van 12 september 2006 in de zaak onder parketnummer 10/690106-06 veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf met bevel dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. De veroordeelde heeft derhalve de algemene voorwaarde niet nageleefd.

De rechtbank ziet daarin voldoende aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 36 (ZESENDERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 12 (TWAALF) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt daarbij als BIJZONDERE VOORWAARDE:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, haar te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat nodig oordeelt, welke begeleiding mede zal dienen in te houden dat de veroordeelde een behandeling volgt bij de forensisch psychiatrische poli- en dagkliniek Het Dok of een soortgelijke instelling;

verstrekt aan de Stichting Reclassering Nederland, voornoemd, de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht

veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van EUR 7.543,02, met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EUR 7.543,02 ten behoeve van [slachtoffer];

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 67 dagen;

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

gelast de TENUITVOERLEGGING van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de Politierechter te Rotterdam van 12 september 2006 in de zaak onder parketnummer 10/690106-06, te weten een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 2 (TWEE) WEKEN.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.J.P. Lock, voorzitter,

mr. P.L. van Dijke en mr. M.I. Blagrove, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. Huizenga, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 maart 2007.

Mr. Blagrove is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.