Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA1336

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
11/500717-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overval in een woning te Giessenburg. De rechtbank heeft een 21 jarige verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk voor het medeplegen van een beroving van een persoon in zijn woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer : 11/500717-06

Zittingsdatum: 8 maart 2007

Uitspraak: 22 maart 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren in 1985,

wonende te [adres en woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Rijnmond, locatie Noordsingel, te Rotterdam.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 15 december 2006 te Giessenburg, gemeente Giessenlanden, tezamen en in vereniging met anderen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in en bij een woning aan de Peursumseweg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee bankpassen en een geldbedrag van ongeveer 300 euro en sleutels en een personenauto (merk Chrysler, type PT Cruiser), toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders

-een pistool, hebben getoond aan die [slachtoffer] en gehouden in de richting van die [slachtoffer] en hebben gehouden tegen het hoofd van die [slachtoffer] en

-de handen en de benen van die [slachtoffer] met tape aan elkaar hebben gebonden en

-tegen die [slachtoffer] hebben gezegd: "Wij willen pincodes" en "pincodes en geen geintjes.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

DIEFSTAL, VOORAFGEGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, EN HET FEIT WORDT GEPLEEGD GEDURENDE DE VOOR DE NACHTRUST BESTEMDE TIJD IN EEN WONING DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich -samen met anderen- schuldig gemaakt aan een beroving in een woning.

Verdachte heeft vervoer geregeld door iemand te bellen die over een auto kan beschikken. Onderweg in de auto zijn plannen besproken om in een bepaalde woning te gaan stelen en hebben verdachte en zijn medeverdachten een gasdrukpistool opgehaald.

Verdachte is met drie medeverdachten de tuin van de woning binnengedrongen, maar omdat het iets te onrustig was, besloten ze later terug te keren. Daarbij zijn verdachte en twee medeverdachten de woning binnengegaan op het moment dat het slachtoffer sliep. Ze hebben het slachtoffer in zijn slaap overrompeld en zijn handen en benen vastgebonden met tape. Daarbij is ook een gasdrukpistool op het slachtoffer gericht.

Vervolgens hebben de verdachten de bankpassen van het slachtoffer weggenomen en hem gesommeerd de pincodes van die passen te geven. Verdachte heeft het slachtoffer in de gaten gehouden op het moment dat twee medeverdachten met de weggenomen bankpassen geld zijn gaan pinnen. Na terugkomst hebben ze het slachtoffer geboeid achtergelaten en zijn ze met medeneming van geld en goederen uit de woning vertrokken en zijn ze gevlucht met de auto van het slachtoffer. Niet ver van de woning van het slachtoffer is verdachte met zijn medeverdachten bij andere medeverdachten in de auto gestapt. Samen zijn ze gevlucht.

De rechtbank is van oordeel dat de rol van verdachte in het geheel als verwerpelijk dient te worden beschouwd. Verdachte heeft samen met een medeverdachte het gasdrukpistool in handen gehad, meegeholpen het slachtoffer vast te binden en heeft op het slachtoffer gelet op het moment dat zijn medeverdachten geld gaan pinnen.

Het behoeft geen betoog dat een dergelijk feit grote afkeuring verdient. Het staat buiten twijfel dat de overval voor het slachtoffer zeer beangstigend moet zijn geweest. Niet in de laatste plaats omdat hij 's avonds laat in zijn eigen woning, een plek waar hij wordt geacht zich veilig te kunnen voelen, is overvallen. Daarbij is een pistool op hem gericht geweest. De overvallers hebben het vastgebonden slachtoffer na de beroving aan zijn lot overgelaten. Ook in de samenleving wordt op dergelijke feiten met grote onrust gereageerd.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 december 2006, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor een vermogensdelict is veroordeeld tot een vrijheidsstraf.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland d.d. 24 januari 2007, waarin wordt geadviseerd verdachte naast een onvoorwaardelijke straf een deel voorwaardelijk op te leggen met een verplicht reclasseringscontact, waarin het plan van aanpak uitgevoerd zal worden. Dit plan houdt in het volgen van een training Cognitieve Vaardigheden, toeleiding naar schuldhulpverlening en aanmelding voor een opleiding.

Hoewel de rechtbank bij de strafoplegging heeft laten meewegen dat verdachte weinig inzicht heeft getoond in de ernst van het door hem begane strafbare feit acht de rechtbank het van belang dat verdachte in de toekomst zal worden ondersteund en begeleid door de Reclassering.

Mede om deze reden zal de rechtbank een gedeelte van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen en daaraan verbinden de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact zoals vermeld in het dictum.

Deze voorwaardelijke straf dient ook als waarschuwing aan verdachte zich in de toekomst van het plegen van strafbare feiten te onthouden.

7.2 De overige beslissingen

7.2.1 De inbeslaggenomen voorwerpen

Op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat onder verdachte in beslag is genomen

1 GSM telefoon, merk Siemens, kleur zwart (nummer 1)

1 GSM telefoon, merk Nokia, meerkleurig (nummer 3)

2 schoenen, merk onbekend, kleur zwart (nummer 12)

die aan hem toebehoren.

Met betrekking tot deze inbeslaggenomen voorwerpen zal de rechtbank teruggave gelasten aan verdachte.

Niet is gebleken dat genoemde voorwerpen in enige relatie staan tot het bewezenverklaarde feit.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VEERTIG MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten TIEN MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt daarbij als BIJZONDERE VOORWAARDE, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat nodig oordeelt, ook als dat inhoudt het volgen van een training Cognitieve Vaardigheden;

verstrekt aan voornoemde instelling de opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van de hierboven onder 7.2.1 genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.J.P. Lock, voorzitter,

mr. E.H. van der Steeg en mr. F.G.H. Kristen, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 maart 2007.

mrs. Kristen en Van der Steeg zijn wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.