Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA1269

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
11/510451-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

21-jarige man doet zich voor als agent en pleegt in die hoedanigheid een reeks diefstallen, waarvan met name ouderen, maar ook eenmaal een kind het slachtoffer zijn. De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte de ISD-maatregel op te leggen. De rechtbank veroordeelt de man echter tot een gevangenisstraf van 3 jaar, wegens zijn gebrek aan motivatie voor de ISD-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer:11/510451-06

Zittingsdatum:6 maart 2007

Uitspraak :20 maart 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

Verdachte],

geboren in 1985,

wonende te [adres en woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Haaglanden, locatie P.C.S. Unit 2, te's-Gravenhage.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen.

1.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 27 november 2006 te Alblasserdam met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, inhoudende een

bankpasje en/of een geldbedrag van ongeveer 400 euro, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 28 november 2006 te Alblasserdam met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas, inhoudende sleutels

en/of een portemonnee met daarin een of meerdere pasje(s) en/of een geldbedrag

van ongeveer 30 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 29 november 2006 te Papendrecht tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, inhoudende een geldbedrag van

ongeveer 90 euro en/of diverse bescheiden, en/of een of meerdere mobiele

telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s);

4.

hij op of omstreeks 02 december 2006 te Alblasserdam met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 60

euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen die [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat hij, verdachte, die [slachtoffer 4] een duw heeft gegeven, waardoor die [slachtoffer 4] op de grond terecht kwam;

5.

hij op of omstreeks 04 december 2006 te Nieuw-Lekkerland tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud

(identiteitsbewijs en een geldbedrag van 10 euro), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

6.

hij op of omstreeks 5 december 2006 te Kinderdijk opzettelijk beledigend

(een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 6], gedurende en/of ter zake van

de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, als in uniform geklede

politieambtenaar in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de

woorden "Kankerhoer en/of je bent toch een hoer", althans woorden van gelijke

beledigende aard en/of strekking;

7.

(parketnummer 500625-06)

hij op of omstreeks 25 oktober 2006 te Alblasserdam opzettelijk mishandelend

een persoon (te weten [slachtoffer 7], politieambtenaar van de politie

Zuid-Holland Zuid), met een (plastic) flesje op/tegen de wang, in elk geval

het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

8.

(parketnummer 500625-06)

hij op of omstreeks 25 oktober 2006 te Alblasserdam opzettelijk, toen aldaar

in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren een zekere [slachtoffer 8]

als verdacht van het gepleegd hebben van één op heterdaad ontdekt strafbaar

feit had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den), teneinde

deze ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een

politiebureau, met geweld die [slachtoffer 8] heeft vastgepakt en (vervolgens)

heeft getracht los te rukken en/of te trekken uit de greep van die

politieambtenaren en/of met een (plastic) flesje op/tegen de wang, in elk

geval het hoofd van politieambtenaar [slachtoffer 7] heeft geslagen (om te

verijdelen, dat genoemd persoon werd opgebracht) en aldus het wegvoeren van

genoemd persoon door eerstgenoemde politieambtenaren heeft belet, belemmerd of

verijdeld.

2.De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en een bewijsverweer gevoerd.

3.3 De vorderingen van de benadeelde partijen

Als benadeelde partij hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

- [slachtoffer 7], [adres en woonplaats],

- [slachtoffer 1], [adres en woonplaats],

- [slachtoffer 2], [adres en woonplaats].

[slachtoffer 7] vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van EUR 935,-, ter zake van immateriële schadevergoeding.

[slachtoffer 1] vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van EUR 425,-, ter zake van materiële schadevergoeding.

[slachtoffer 2] vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van EUR 166,55, ter zake van materiële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [slachtoffer 7] tot een bedrag ter hoogte van EUR 500,-, en integrale toewijzing van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 27 november 2006 te Alblasserdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, inhoudende een bankpasje en een geldbedrag van ongeveer 400 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1];

2.

op 28 november 2006 te Alblasserdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas, inhoudende sleutels en een portemonnee met daarin meerdere pasjes en een geldbedrag van ongeveer 30 euro, toebehorende

aan [slachtoffer 2];

3.

op 29 november 2006 te Papendrecht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, inhoudende een geldbedrag van ongeveer 90 euro en meerdere mobiele telefoons, toebehorende aan [slachtoffer 3];

4.

op 02 december 2006 te Alblasserdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 60 euro, toebehorende aan [slachtoffer 4], welke diefstal werd voorafgegaan door geweld tegen die [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer 4] een duw heeft gegeven, waardoor die [slachtoffer 4] op de grond terecht kwam;

5.

op 04 december 2006 te Nieuw-Lekkerland tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (identiteitsbewijs en een geldbedrag van 10 euro), toebehorende aan [slachtoffer 5];

6.

op 5 december 2006 te Kinderdijk opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 6], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, als in uniform geklede politieambtenaar in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kankerhoer en je bent toch een hoer";

7.

(parketnummer 500625-06)

op 25 oktober 2006 te Alblasserdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 7], politieambtenaar van de politie Zuid-Holland Zuid), met een plastic flesje tegen de wang heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

8.

(parketnummer 500625-06)

op 25 oktober 2006 te Alblasserdam opzettelijk, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren een zekere [slachtoffer 8] als verdacht van het gepleegd hebben van één op heterdaad ontdekt strafbaar feit hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde deze ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, met geweld die [slachtoffer 8] heeft vastgepakt en vervolgens heeft getracht los te rukken uit de greep van die politieambtenaren om te verijdelen, dat genoemd persoon werd opgebracht en aldus het wegvoeren van genoemd persoon door eerstgenoemde politieambtenaren heeft belet;

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. en 2. (telkens)

DIEFSTAL,

3. en 5. (telkens)

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN,

4.

DIEFSTAL VOORAFGEGAAN DOOR GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN,

6.

EENVOUDIGE BELEDIGING, TERWIJL DE BELEDIGING WORDT AANGEDAAN[I1] AAN EEN AMBTENAAR GEDURENDE EN TER ZAKE VAN DE RECHTMATIGE UITOEFENING VAN HAAR BEDIENING;

7. en 8.

DE EENDAADSE SAMENLOOP VAN MISHANDELING, EN OPZETTELIJK ENIGE HANDELING DOOR EEN AMBTENAAR BELAST MET HET OPSPOREN OF ONDERZOEKEN VAN STRAFBARE FEITEN ONDERNOMEN TER UITVOERING VAN ENIG WETTELIJK VOORSCHRIFT, BELETTEN.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in het najaar van 2006 schuldig gemaakt aan het plegen van diefstallen uit woningen waarbij hij zich voordeed als politieambtenaar teneinde de bewoners ertoe te bewegen hem toegang tot de woning te verschaffen. Hij zocht daarbij voornamelijk ouderen uit, als ook één keer een kind. Hij maakte daarbij misbruik van het vertrouwen dat burgers hebben in de politie. Verdachte heeft met zijn handelen zeer veel inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten en het veiligheidsgevoel van anderen, zoals ook blijkt uit wat de slachtoffers daarover hebben verklaard. Verdachte heeft zich hieraan weinig gelegen laten liggen en heeft zijn eigen gewin laten prevaleren. De rechtbank beoordeelt de handelwijze van verdachte als zeer verwerpelijk.

Daarnaast heeft de verdachte een ambtenaar van politie mishandeld toen zij een persoon wilde overbrengen naar het politiebureau. De verdachte wilde de agente hiermee beletten haar functie uit te oefenen.

In het nadeel van verdachte laat de rechtbank de justitiële documentatie van verdachte meewegen. Hieruit volgt dat verdachte in het verleden bij herhaling is veroordeeld voor onder meer diefstallen. Uit het strafdossier volgt bovendien dat verdachte de status van "veelpleger" heeft en bekend is bij justitie en politie. Gebleken is dat de verdachte geen medewerking wilde verlenen aan het opstellen van een RISc-rapportage.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet zinvol die maatregel aan de verdachte op te leggen. De rechtbank overweegt dat het de verdachte aan de benodigde motivatie ontbreekt zijn leven te beteren. Dit blijkt ook uit de weigering van de verdachte mee te werken aan het opstellen van een RISc-rapportage en zijn houding ter terechtzitting. De rechtbank ziet geen reden aan te nemen dat die motivatie zich op korte termijn zal ontwikkelen. Aangezien de ISD-maatregel in dat geval een gevangenisstraf zal inhouden, is de rechtbank van oordeel dat het niet juist is de verdachte in een instelling voor stelselmatige daders te plaatsen, mede gezien de hardnekkigheid waarmee de verdachte na eerdere veroordelingen wederom strafbare feiten heeft gepleegd. De rechtbank zal aan de verdachte derhalve een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen.

7.2 De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partijen zijn ontvankelijk in hun vorderingen, nu aan verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd en aan hen rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezen verklaarde strafbare feit toegebrachte schade.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] is ontvankelijk in zijn vordering. De vordering zal integraal worden toegewezen ter zake van materiële schadevergoeding, nu aan de verdachte ten aanzien van dit feit een straf wordt opgelegd en aan deze benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] is ontvankelijk in zijn vordering voor een bedrag van EUR 106,55 ter zake van materiële schadevergoeding nu aan verdachte ten aanzien van dit feit een straf wordt opgelegd en aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van de vordering, nu zij dit gedeelte niet eenvoudig van aard acht. Weliswaar zijn er onderliggende stukken aanwezig van de gevorderde schade, maar de rechtbank kan niet voldoende vaststellen of deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Dit gedeelte van de vordering kan slechts bij de burgerlijk rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij [slachtoffer 7] is ontvankelijk in zijn vordering voor een bedrag van EUR 250,- ter zake van immateriële schadevergoeding. Aan de verdachte wordt ten aanzien van dit feit een straf opgelegd en aan de benadeelde partij is rechtstreeks schade toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van de vordering, nu zij niet voldoende kan vaststellen of deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Dit deel van de vordering kan de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Naast toewijzing van deze civiele vorderingen zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens telkens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregelen zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 36f, 55, 57, 184, 266, 267, 300, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1. van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. Vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

* een GEVANGENISSTRAF voor de duur van DRIE JAREN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt de verdachte om tegen kwijting te betalen aan [slachtoffer 7] een bedrag van EUR 250 (tweehonderdenvijftig euro), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk is in het resterende deel van de vordering en dat de benadeelde partij dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EUR 250 (tweehonderdenvijftig euro) ten behoeve van [slachtoffer 7];

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

* veroordeelt de verdachte om tegen kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] een bedrag van EUR 425,- (vierhonderdenvijfentwintig euro), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EUR 425,- (vierhonderdenvijfentwintig euro) ten behoeve van [slachtoffer 1];

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 8 dagen;

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

* veroordeelt de verdachte om tegen kwijting te betalen aan [slachtoffer 2] een bedrag van EUR 106,55 (honderdenzes euro en vijfenvijftig eurocenten), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in het resterende deel van de vordering en dat de benadeelde partij dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EUR 106,55 (honderdenzes euro en vijfenvijftig cent) ten behoeve van [slachtoffer 2];

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 dagen;

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M.A. Hinfelaar,voorzitter.

mr. E.H. van der Steeg en mr. dr. M.I. Blagrove, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. Huizenga, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 maart 2007.