Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA0434

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
12-03-2007
Zaaknummer
11/500385-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Dordrecht heeft medeplichtige aan overval op ABN AMRO Bank te Sliedrecht op 9 juni 2006 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Verweer van verdachte dat hij er vanuit ging dat hij twee zakken weed moest ophalen door rechtbank verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500385-06

Zittingsdatum: 22 februari 2007

Uitspraak : 8 maart 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1981,

wonende te [woonplaats, adres]

thans gedetineerd in de P.I. Rijnmond, locatie De IJssel, te Krimpen aan den IJssel.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

A.

hij op of omstreeks 09 juni 2006 te Sliedrecht

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], zijnde medewerkers van de ABN-AMRO bank gelegen aan de Stationsweg te Sliedrecht, heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 108.565 Euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan ABN AMRO NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of/althans

B.

hij op of omstreeks 09 juni 2006 te Sliedrecht

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

geldbedrag (ongeveer 108.565 Euro), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan ABN AMRO NV, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], zijnde medewerkers van de ABN-AMRO bank gelegen aan de Stationsweg te Sliedrecht

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van

het misdrijf, zijnde de ABN-AMRO bank aan de Stationsweg te Sliedrecht

heeft/hebben verschaft en/of voornoemd geldbedrag onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

bestaande hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- met een auto door een ruit van voornoemde bank zijn gereden, althans met

behulp van een auto een ruit van voornoemde bank heeft/hebben geforceerd

en/of

- (vervolgens) door de ontstane opening voornoemde bank hebben betreden

en/of

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- op de deur van de toiletruimte van voornoemde ABN-AMRO bank heeft/hebben

geslagen en/of gebonkt, achter welke deur zich (een) medewerker(s) van de

ABN-AMRO bank bevond/bevonden en/of

- (daarbij) heeft/hebben gezegd tegen de/een medewerker(s) van de ABN-AMRO

bank welke zich in de toiletruimte van voornoemde bank en/of elders in de

bank bevond/bevonden: "Doe open! Geld! Anders ga ik schieten!", althans

woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

A.

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], althans een ander of anderen, op of omstreeks 09 juni 2006 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], zijnde medewerkers van de ABN-AMRO bank gelegen aan de Stationsweg te Sliedrecht, heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 108.565 Euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan ABN AMRO NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die ander(en) en/of aan verdachte

en/of/althans

B.

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], althans een ander of anderen, op of omstreeks 09 juni 2006 te Sliedrecht

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een

geldbedrag (ongeveer 108.565 Euro), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan ABN AMRO NV, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die ander(en) en/of aan verdachte

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], zijnde medewerkers van de ABN-AMRO bank gelegen aan de Stationsweg te Sliedrecht

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan andere

deelnemer(s) aan voornoemd misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren,

waarbij voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], althans voornoemde ander(en) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf, zijnde de ABN-AMRO bank aan de Stationsweg te Sliedrecht heeft/hebben verschaft en/of voornoemd geldbedrag onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

bestaande hierin dat voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], althans een ander of anderen

- met een auto door een ruit van voornoemde bank is/zijn gereden, althans met

behulp van een auto een ruit van voornoemde bank heeft/hebben geforceerd

en/of

- (vervolgens) door de ontstane opening voornoemde bank heeft/hebben betreden

en/of

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], althans een ander of anderen

- op de deur van de toiletruimte van voornoemde ABN-AMRO bank heeft/hebben

geslagen en/of gebonkt, achter welke deur zich (een) medewerker(s) van de

ABN-AMRO bank bevond/bevonden en/of

- (daarbij) heeft/hebben gezegd tegen de/een medewerker(s) van de ABN-AMRO

bank welke zich in de toiletruimte van voornoemde bank en/of elders in de

bank bevond/bevonden: "Doe open! Geld! Anders ga ik schieten!", althans

woorden van soortgelijke aard en/of strekking

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte

op of omstreeks 09 juni 2006 te Sliedrecht en/of elders in Nederland

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemd geldbedrag (ongeveer 108.565

euro) met zijn verdachtes auto vanuit Sliedrecht in de richting van Amsterdam,

in ieder geval naar elders, te vervoeren;

artikel 317 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 09 mei 2006 en/of 10 mei 2006 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto

(Fiat Punto, JP-TL-70), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking,

inklimming en/of een valse sleutel;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 09 mei 2006 tot en met 09 juni 2006 te

Rotterdam en/of Sliedrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een auto (Fiat Punto, JP-TL-70) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op of omstreeks 23 mei 2006 en/of 24 mei 2006 te Amsterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto

(Dodge Ram Van, 67-VD-JN), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2006 tot en met 09 juni 2006 te

Amsterdam en/of Sliedrecht en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een auto (Dodge Ram Van, 67-VD-JN) heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die auto wist(en), althans redelijkerwijs had(den)

moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4.

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 4 april 2006 tot en

met 5 april 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen een motor, merk Aprilia, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 april 2006 tot

en met 09 juni 2006 te Amsterdam en/of Sliedrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een motor,

merk Aprilia heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van voornoemde motor wist(en), althans redelijkerwijs

moest(en) vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen scooter betrof.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder 1. subsidiair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat de verdachte veroordeeld wordt tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vorderingen van de benadeelde partijen

Als benadeelde partij hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd

- [slachtoffer 7],

- [slachtoffer 4],

- [slachtoffer 6].

[slachtoffer 7] vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van EUR 3370,50 ter zake van materiële schadevergoeding.

[slachtoffer 4] vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van EUR 6690,89 ter zake van materiële en immateriële schadevergoeding.

[slachtoffer 6] vordert de verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van EUR 2169,00 ter zake van materiële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van [slachtoffer 7] en toewijzing van de vordering van [slachtoffer 4] tot een bedrag van EUR 700,00. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte onder 1. primair en onder 2., 3. en 4. ten laste is gelegd. Voor wat betreft het onder 1. primair ten laste gelegde feit heeft de rechtbank overwogen dat niet bewezen kan worden dat de verdachte als medepleger aangemerkt kan worden, maar dat zijn handelen als medeplichtigheid moet worden gekwalificeerd.

Met betrekking tot de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten is de rechtbank van oordeel dat vrijspraak dient te volgen, aangezien op geen enkele wijze is gebleken dat de verdachte de Dodge Ram Van, de Fiat Punto en de Aprilia heeft gestolen dan wel voorhanden heeft gehad. De verdachte heeft slechts gebruik gemaakt van de auto die op naam van zijn vrouw stond.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van deze feiten.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1. (subsidiair)

A.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 09 juni 2006 te Sliedrecht

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], zijnde medewerkers van de ABN-AMRO bank gelegen aan de Stationsweg te Sliedrecht,

hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan ABN

AMRO NV

en

B.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op of omstreeks 09 juni 2006 te Sliedrecht

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening hebben weggenomen een

geldbedrag toebehorende aan ABN AMRO NV,

welke diefstal werd voorafgegaan door geweld en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en[slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], zijnde medewerkers van de ABN-AMRO bank gelegen aan de Stationsweg te Sliedrecht

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken ,

waarbij voornoemde [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich de toegang tot de plaats van het misdrijf, zijnde de ABN-AMRO bank aan de Stationsweg te Sliedrecht hebben verschaft en voornoemd geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en verbreking,

bestaande hierin dat voornoemde [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]

- met een auto door een ruit van voornoemde bank zijn gereden,

en

- vervolgens door de ontstane opening voornoemde bank hebben betreden

en

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat voornoemde [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]

- op de deur van de toiletruimte van voornoemde ABN-AMRO bank hebben geslagen en gebonkt, achter welke deur zich medewerkers van de ABN-AMRO bank bevonden

en

- daarbij hebben gezegd tegen de medewerkers van de ABN-AMRO

bank welke zich in de toiletruimte van voornoemde bank bevonden: "Doe open! Geld! Anders ga ik schieten!", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking

bij het plegen van welke misdrijven hij, verdachte

op 09 juni 2006 te Sliedrecht en elders in Nederland

opzettelijk middelen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemd geldbedrag met zijn verdachtes auto vanuit Sliedrecht in de richting van Amsterdam te vervoeren.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman heeft betoogd dat er geen sprake is van medeplichtigheid aangezien de daarvoor noodzakelijke bewuste samenwerking ontbreekt. Ook is er volgens de raadsman geen bewijs dat de verdachte wist dat de medeverdachten van plan waren een bankoverval te gaan plegen.

De rechtbank overweegt in dat verband allereerst dat de verklaring van de verdachte dat hij op verzoek van een vriend meereed naar een plaats die later Sliedrecht bleek te zijn om daar te wachten tot zijn vriend en diens compagnon twee zakken weed in zijn auto zou zetten die verdachte vervolgens naar Amsterdam zou brengen volkomen op zichzelf staat en geen enkele steun vindt in het dossier.

De rechtbank overweegt in dit verband voorts het volgende. Uit het afgeluisterde gesprek van een medeverdachte in de P.I. Nieuwegein kan worden afgeleid dat deze er zich hogelijk over verbaast dat de verdachte het heeft over twee zakken weed die hij op verzoek van de bewuste medeverdachte naar Amsterdam zou moeten vervoeren. Uit de context van dit gesprek blijkt dit voor bedoelde medeverdachte volkomen nieuw te zijn. Dit klemt te meer nu eerder in dit gesprek wordt benadrukt dat het over niets minder dan over een bankoverval gaat.

In bedoeld gesprek wordt op een gegeven moment door bedoelde medeverdachte gezegd dat het zijn eigen schuld is dat alles is misgelopen. De reactie van de gesprekspartner hierop is dat de verdachte en de medeverdachten de afgelopen dagen - de rechtbank begrijpt dat bedoeld wordt de dagen voorafgaand aan de bankoverval - toch vaak met elkaar waren.

De rechtbank leidt hieruit af dat wordt gedoeld op het feit dat de bankoverval toch terdege is voorbereid en dat het derhalve niet daaraan te wijten is dat de verdachten zijn opgepakt.

Dat de verdachte ook goed geïnstrueerd was en exact wist wat er van hem werd verwacht, vindt bevestiging in zijn verklaring ter terechtzitting dat hij de ochtend van hun vertrek naar Sliedrecht door 'zijn vriend' was verteld wat er van hem verwacht en ook dat hij van die vriend een mobiele telefoon ter beschikking kreeg met voorgeprogrammeerd het nummer van die vriend, zodat hij zelf kon bellen en ook gebeld kon worden als er iets aan de hand was.

In die zin is er naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste dat de opzet van de dader gericht moet zijn op het feit van de hulpverlening.

Voor wat betreft de vraag of de opzet van de verdachte ook gericht was op het misdrijf dat hij ondersteunde merkt de rechtbank het volgende op. Zoals hiervoor overwogen blijkt uit niets anders dan de verklaring van de verdachte dat er sprake zou zijn van het vervoer van weed. Er is sprake van een zorgvuldige voorbereiding, een langer durend contact met de mededader(s) en het treffen van voorzieningen om elkaar tijdens de geplande actie telefonisch te kunnen bereiken. Verdachte had naar het oordeel van de rechtbank daaruit ten minste kunnen afleiden dat deze voorbereiding wel erg zwaar aangezet was voor het enkel transporteren van twee zakken weed.

Daarbij gevoegd het feit dat de verklaring van de verdachte over het transport van weed geen enkele ondersteuning vindt in het dossier en in het dossier juist uitdrukkelijk sprake is van het plegen van een bankoverval, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op z'n minst de aanmerkelijke kans heeft genomen dat het zou gaan om een ander delict dan het transport van twee zakken weed. De rechtbank is dan ook op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat het opzet van de verdachte in voorwaardelijke zin gericht op het misdrijf dat hij ondersteunde, zijnde de bankoverval.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. subsidiair)

MEDEPLICHTIGHEID AAN AFPERSING, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN EN MEDEPLICHTIGHEID AAN DIEFSTAL VOORAFGEGAAN DOOR GEWELD EN VERGEZELD VAN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is zijn twee medeverdachten behulpzaam geweest bij het plegen van een bankoverval op de ABN AMRO te Sliedrecht. De drie verdachten hebben gebruik gemaakt van een drietal auto's (waarvan er twee gestolen bleken te zijn) en een gestolen scooter. Met twee auto's zijn de verdachten van Amsterdam naar Sliedrecht gereden, alwaar de medeverdachten met een derde auto tegen de pui van de bank zijn gereden. Vervolgens zijn de twee mededaders de bank binnen gegaan en hebben zij daar geldcassettes weggenomen en medewerkers gedwongen geldcassettes af te staan. De verdachte stond volgens afspraak op enige afstand van de bank in de auto te wachten tot de beide medeverdachten terugkeerden van de bank. De medeverdachten die de bank hadden beroofd, legden een tas met de geroofde geldcassettes in de auto van de verdachte en stapten in een andere auto. Toen beide auto's terugreden richting Amsterdam werden zij al snel opgemerkt door politieagenten. De verdachte werd als eerste aangehouden. De tweede auto werd na een wilde achtervolging in Rotterdam tot stilstand gebracht. De beide medeverdachten zijn daarbij aangehouden.

Een strafbaar feit als verdachte en zijn medeverdachten hebben gepleegd, veroorzaakt in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Het handelen van de verdachte en zijn mededaders is bijzonder traumatisch geweest voor de bankmedewerkers. Het zal de slachtoffers veel tijd en moeite kosten om zich over deze beangstigende ervaring heen te zetten. Een dergelijk ernstig feit is met name uit oogpunt van algemene en speciale preventie, aanleiding voor een aanmerkelijke strafrechtelijk reactie.

De rechtbank heeft acht geslagen op een op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 augustus 2006. Hieruit blijkt dat verdachte diverse malen is veroordeeld tot gevangenisstraffen wegens uiteenlopende feiten. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat deze eerdere veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een rapport van de Reclassering d.d. 2 februari 2007 waaruit blijkt dat de kans op recidive in de toekomst niet valt uit te sluiten. Geadviseerd wordt de verdacht een verplicht reclasseringscontact op te leggen, zodat hij een assertiviteitstraining of soortgelijk programma kan volgen.

De rechtbank neemt dit advies over en houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met het feit dat het delict in vereniging heeft plaatsgevonden en dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

7.2 De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 4] is niet-ontvankelijk in haar vordering nu door de verdachte niet zelf en niet rechtstreeks schade aan haar is toegebracht.

De benadeelde partijen [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] zijn niet-ontvankelijk in hun vordering, nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd ten aanzien van de onder 2. en 3. ten laste gelegde feiten. Derhalve is niet komen vast te staan dat de schade die de benadeelde partijen hebben geleden hen is toegebracht door een handeling van de verdachte.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 48, 49, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1. primair, onder 2, onder 3. en onder 4. ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermeld strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

* een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 30 (dertig) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 6 (zes) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt daarbij als BIJZONDERE VOORWAARDE:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat nodig oordeelt, ook indien dit inhoudt dat de veroordeelde deelneemt aan een assertiviteitstraining of soortgelijk programma;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

* verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 4], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] niet ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat deze benadeelde partijen die vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. F.L.J.M Heijnen en mr. G.J.A.M. van Vugt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. Huizenga, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 maart 2007.