Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:BA0433

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
12-03-2007
Zaaknummer
11/500384-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 4 jaren en 6 maanden voor aandeel in bankoverval op ABN AMRO bank te Sliedrecht op 9 juni 2006. Rechtbank verwerpt verweer dat in de P.I. opgenomen gesprek als onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal moet worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/500384-06

Zittingsdatum : 22 februari 2007

Uitspraak : 8 maart 2007

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1980,

wonende te [woonplaats, adres]

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

A.

hij op of omstreeks 09 juni 2006 te Sliedrecht

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], zijnde medewerkers van de

ABN-AMRO bank gelegen aan de Stationsweg te Sliedrecht, heeft gedwongen tot

de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 108.565 Euro), in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan ABN AMRO NV, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of/althans

B.

hij op of omstreeks 09 juni 2006 te Sliedrecht

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

geldbedrag (ongeveer 108.565 Euro), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan ABN AMRO NV, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], zijnde medewerkers van de

ABN-AMRO bank gelegen aan de Stationsweg te Sliedrecht

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van

het misdrijf, zijnde de ABN-AMRO bank aan de Stationsweg te Sliedrecht

heeft/hebben verschaft en/of voornoemd geldbedrag onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

bestaande hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- met een auto door een ruit van voornoemde bank zijn gereden, althans met

behulp van een auto een ruit van voornoemde bank heeft/hebben geforceerd

en/of

- (vervolgens) door de ontstane opening voornoemde bank heeft/hebben betreden

en/of

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- op de deur van de toiletruimte van voornoemde ABN-AMRO bank heeft/hebben

geslagen en/of gebonkt, achter welke deur zich (een) medewerker(s) van de

ABN-AMRO bank bevond/bevonden en/of

- (daarbij) heeft/hebben gezegd tegen de/een medewerker(s) van de ABN-AMRO

bank welke zich in de toiletruimte van voornoemde bank en/of elders in de

bank bevond/bevonden: "Doe open! Geld! Anders ga ik schieten!", althans

woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 09 mei 2006 en/of 10 mei 2006 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto

(Fiat Punto, JP-TL-70), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking,

inklimming en/of een valse sleutel;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 09 mei 2006 tot en met 09 juni 2006 te

Rotterdam en/of Sliedrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een auto (Fiat Punto, JP-TL-70) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen auto betrof;

3.

hij op of omstreeks 23 mei 2006 en/of 24 mei 2006 te Amsterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto

(Dodge Ram Van, 67-VD-JN), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking,

inklimming en/of een valse sleutel;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2006 tot en met 09 juni 2006 te

Amsterdam en/of Sliedrecht en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een auto (Dodge Ram Van, 67-VD-JN) heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die auto wist(en), althans redelijkerwijs had(den)

moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen auto betrof;

4.

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 4 april 2006 tot en

met 5 april 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen een motor, merk Aprilia, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 april 2006 tot

en met 09 juni 2006 te Amsterdam en/of Sliedrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een motor,

merk Aprilia heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van voornoemde motor wist(en), althans redelijkerwijs

moest(en) vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen scooter betrof.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging omdat deze - kort gezegd - gebruik heeft gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, bij het verkrijgen van dat bewijsmateriaal in strijd met de toepasselijke voorschriften heeft gehandeld en in strijd met het EVRM en het Zwolsman-criterium de belangen van de verdachte met de voeten heeft getreden door in een situatie waarin daartoe geen enkele aanleiding bestond, gebruik te maken van het middel opnemen van vertrouwelijke communicatie op basis van artikel 126l Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank overweegt het volgende. Op 28 juli 2006 heeft een medeverdachte een tweetal bezoekers ontvangen in de PI Nieuwegein alwaar hij toen verbleef. Het gesprek dat de medeverdachte met zijn bezoekers voerde waarin ook de verdachte ter sprake kwam, is buiten medeweten van hem op last van de officier van justitie opgenomen, daarbij gebruikmakend van zijn bevoegdheden op basis van het bepaalde in artikel 126l Wetboek van Strafvordering. Het gebruikmaken van een dergelijk middel betekent een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van degene(n) die worden afgeluisterd. Om die reden is het verlenen van de bevoegdheid tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie over te gaan door de wetgever met diverse waarborgen omgeven.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier van justitie bevoegd was om het bevel te geven tot het opnemen van bedoeld gesprek over te gaan en dat conform de daarvoor geldende voorschriften is gehandeld. Zo heeft het college van Procureurs-Generaal advies gevraagd over het inzetten van dit middel aan de daarvoor aangewezen Centrale Toetsingscommissie. Na advies van deze commissie heeft het college van PG's toestemming verleend aan de officier van justitie het middel van opnemen van vertrouwelijke informatie in te zetten.

De officier van justitie heeft vervolgens een vordering daartoe bij de rechter-commissaris ingediend. De rechter-commissaris heeft de officier van justitie de door hem gevraagde machtiging verleend.

De rechtbank komt op grond van het hiervoor overwogene tot de conclusie dat de officier van justitie bevoegd was het middel als bedoeld in artikel 126l Wetboek van Strafvordering aan te wenden. De vraag of de Centrale Toetsingcommissie en/of het college van PG's in strijd met het beginsel van proportionaliteit en/of subsidiariteit heeft/hebben gehandeld door een positief advies te geven over en respectievelijk een machtiging te verlenen tot toepassing van het opnemen van vertrouwelijke communicatie, is niet aan de rechtbank om te beantwoorden. De rechtbank heeft (slechts) de bevoegdheid na te gaan of de officier van justitie bevoegd was bedoeld middel in te zetten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarbij laat de rechtbank onbesproken hetgeen van de zijde van de verdediging is opgemerkt ter zake van het verhoor van de officier van justitie als getuige bij de rechter-commissaris, aangezien dit niet afdoet aan de reeds vastgestelde bevoegdheid van de officier van justitie.

Rest thans de vraag na te gaan of de officier van justitie bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid niet zodanig heeft gehandeld dat op enig voorschrift inbreuk is gemaakt, als gevolg waarvan enig bewijs onrechtmatig verkregen zou zijn.

De raadsman heeft in dat verband aangevoerd dat in strijd met de daarvoor geldende voorschriften het gesprek (en de opname daarvan) niet heeft plaatsgehad in de bezoekersruimte van de PI Nieuwegein maar in een spreekkamer.

De rechtbank stelt vast dat de machtiging tot opname van het bedoelde gesprek ziet op het voeren en opnemen van bedoeld gesprek in "(de bezoekersruimte van de) P.I. te Nieuwegein". Afgezien van het feit dat deze formulering ruimte laat voor de opvatting dat het gesprek en de opname daarvan ook buiten de bezoekersruimte zou kunnen plaatsvinden, is komen vast te staan dat het gesprek en de opname plaats vonden in een ruimte die normaliter ook als bezoekersruimte wordt gebruikt. De rechtbank vermag hierin geen schending van enig voorschrift in te zien.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het opnemen van bedoeld gesprek in strijd met de voorschriften heeft plaatsgevonden doordat daarbij een niet opsporingsambtenaar betrokken was.

De rechtbank verwerpt dit verweer nu uit het dossier blijkt dat het gesprek is opgenomen en geverbaliseerd door brigadier van politie Visser. Derhalve een politiefunctionaris met de daartoe vereiste opsporingsbevoegdheid. Dit laat onverlet dat andere functionarissen bij de voorbereiding van een dergelijke opname ondersteunende werkzaamheden kunnen verrichten. Daarop ziet naar het oordeel van de rechtbank de betreffende bepaling niet.

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van inbreuk op enig toepasselijk voorschrift. Daaruit volgt dat niet kan worden gezegd dat de cdrom met het opgenomen vertrouwelijke gesprek als onrechtmatig bewijsmateriaal moet worden aangemerkt.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn de rechtbank ook overigens geen feiten en/of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder 1. primair, 2. subsidiair, 3. subsidiair en 4. subsidiair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vorderingen van de benadeelde partijen

Als benadeelde partij hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd

- [slachtoffer 7],

- [slachtoffer 4],

- [slachtoffer 6].

[slachtoffer 7] vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van

EUR 3370,50 ter zake van materiële schadevergoeding.

[slachtoffer 4] vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van EUR 6690,89 ter zake van materiële en immateriële schadevergoeding.

[slachtoffer 6] vordert de verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van

EUR 2169,00 ter zake van materiële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van [slachtoffer 7 en toewijzing van de vordering van [slachtoffer 4] tot een bedrag van EUR 700,00. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte onder 2. primair, 3. primair en 4. primair ten laste is gelegd. Op grond van de wettige bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat de verdachte de Dodge Ram Van, de Fiat Punto en de Aprilia gestolen heeft. De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte de auto's en de scooter onder zich heeft gehad, maar heeft geen bewijsmiddelen aangetroffen waaruit af te leiden is dat de verdachte de goederen gestolen zou hebben.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de diefstallen.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

A.

op 09 juni 2006 te Sliedrecht

tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], zijnde medewerkers van de ABN-AMRO bank gelegen aan de Stationsweg te Sliedrecht, heeft gedwongen tot

de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan ABN AMRO NV,

en

B.

op 09 juni 2006 te Sliedrecht

tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

geldbedrag, toebehorende aan ABN AMRO NV,

welke diefstal werd voorafgegaan door geweld en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], zijnde medewerkers van de ABN-AMRO bank gelegen aan de Stationsweg te Sliedrecht

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te

maken,

waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van

het misdrijf, zijnde de ABN-AMRO bank aan de Stationsweg te Sliedrecht

hebben verschaft en voornoemd geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en verbreking,

bestaande hierin dat verdachte en zijn mededader

- met een auto door een ruit van voornoemde bank zijn gereden

en

- vervolgens door de ontstane opening voornoemde bank hebben betreden

en

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

tezamen en in vereniging met een ander

- op de deur van de toiletruimte van voornoemde ABN-AMRO bank hebben

geslagen en gebonkt, achter welke deur zich medewerkers van de

ABN-AMRO bank bevonden en

- daarbij hebben gezegd tegen de medewerkers van de ABN-AMRO

bank welke zich in de toiletruimte van voornoemde bevonden: "Doe open! Geld! Anders ga ik schieten!", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

2.

(subsidiair)

in de periode van 09 mei 2006 tot en met 09 juni 2006 te

Sliedrecht tezamen en in vereniging met een ander

een auto (Fiat Punto, JP-TL-70) voorhanden heeft gehad,

terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het

voorhanden krijgen van die auto wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

(subsidiair)

in de periode van 23 mei 2006 tot en met 09 juni 2006 te

Amsterdam en Sliedrecht en Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander

een auto (Dodge Ram Van, 67-VD-JN) voorhanden heeft gehad,

terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wisten, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

(subsidiair)

in de periode van 4 april 2006 tot en met 09 juni 2006 te Sliedrecht,

tezamen en in vereniging met een ander een motor, merk Aprilia voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde motor wisten, dat het een door misdrijf verkregen scooter betrof.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 Nadere bewijsoverwegingen

De verdediging heeft aangevoerd dat de cdrom met daarop het opgenomen gesprek met de medeverdachte niet mag meewerken tot het bewijs en dat derhalve onvoldoende wettig bewijs aanwezig is om te komen tot een veroordeling van de verdachte ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt dat reeds bepaald is dat de cdrom niet zal worden uitgesloten van het bewijs. Mede op basis van het op de cdrom opgenomen gesprek is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend komen vast te staan dat de verdachte en twee medeverdachten op 9 juni 2006 de ABN AMRO bank te Sliedrecht hebben beroofd. Weliswaar wordt de echte naam van de verdachte in voornoemd gesprek niet als zodanig genoemd, maar de rechtbank ziet voldoende aanleiding om vast te stellen dat - mede gezien een obversatie van verbalisanten bij een verhoor van de verdachte - met de in dit gesprek gebruikte aanduiding '[x]' de verdachte wordt bedoeld.

Verdachte heeft verklaard de gehele dag in aanwezigheid van de medeverdachte te zijn geweest. De rechtbank stelt vast dat de verdachte daarmee doelt op de medeverdachte wiens gesprek op de bewuste cdrom is opgenomen.

De rechtbank overweegt in dit verband dat de betrokkenheid van deze medeverdachte bij de bankoverval niet alleen blijkt uit de inhoud van bedoeld gesprek, maar ook uit diverse technische bewijsmiddelen. De rechtbank verwijst daartoe naar de aanwezigheid van de schoensporen van deze medeverdachte in de bank, de uitkomst van de geurproef in de Fiat Punto waarmee tegen de pui van de bank is gereden en waaruit blijkt dat bedoelde medeverdachte in deze auto heeft gezeten en de overeenkomst van stukjes glas in de schoenen van de medeverdachte en het glas van de kapot gereden pui van de bank.

De rechtbank voegt daaraan toe dat verschillende getuigenverklaringen wijzen op het feit dat twee personen in de bank zijn geweest en stelt bovendien vast dat verdachte en de door hem bedoelde medeverdachte kort na de bankoverval samen in de personenauto Dodge Ram Van voor de politie op de vlucht sloegen toen zij merkten dat zij door de politie werden achtervolgd. Na deze achtervolging zijn beiden in elkaars nabijheid door de politie aangehouden.

Op grond van deze feitelijke omstandigheden, gekoppeld aan de verklaring van de verdachte dat deze de gehele dag in gezelschap van de door hem bedoelde medeverdachte is geweest, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat verdachte als medepleger van deze bankoverval moet worden aangemerkt.

Daaruit volgt tevens dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte samen met bedoelde medeverdachte van de Fiat Punto gebruik heeft gemaakt bij het rammen van de pui van de overvallen bank. De ten laste gelegde heling van deze auto acht de rechtbank derhalve ook voor verdachte bewezen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

AFPERSING TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN,

EN DIEFSTAL VOORAFGEGAAN DOOR GEWELD EN VERGEZELD VAN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

2., 3., en 4., telkens

(subsidiair)

MEDEPLEGEN VAN OPZETHELING[I1].

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft tezamen met twee medeverdachten een bankoverval op de ABN AMRO te Sliedrecht gepleegd. Daartoe hebben de verdachten gebruik gemaakt van een drietal auto's (waarvan er twee gestolen bleken te zijn) en een gestolen scooter. Met twee auto's zijn de verdachten van Amsterdam naar Sliedrecht gereden, alwaar de verdachte en één van zijn mededaders met een derde auto tegen de pui van de bank zijn gereden. Vervolgens zijn zij de bank binnen gegaan en hebben zij daar geldcassettes weggenomen en medewerkers gedwongen geldcassettes af te staan. De derde medeverdachte bleef op afstand van de bank in één van de andere auto's wachten tot de verdachte en zijn mededader terugkeerden van de bank. Verdachte en zijn medeverdachte die de bank hadden beroofd legden een tas met de geroofde geldcassettes in de auto van de derde verdachte en stapten in een andere auto. Toen beide auto's terugreden naar Amsterdam werden zij al snel opgemerkt door politieagenten. Verdachtes mededader die de buit in de kofferbak van zijn auto had liggen werd als eerste aangehouden. De tweede auto werd na een wilde achtervolging in Rotterdam tot stilstand gebracht. De verdachte en zijn andere mededader zijn daarbij aangehouden.

Een strafbaar feit als verdachte en zijn medeverdachten hebben gepleegd veroorzaakt in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Het handelen van de verdachte en zijn mededaders is bijzonder traumatisch geweest voor de bankmedewerkers. Het zal de slachtoffers veel tijd en moeite kosten om zich over deze beangstigende ervaring heen te zetten. Een dergelijk ernstig feit is met name uit oogpunt van algemene en speciale preventie, aanleiding voor een strafrechtelijk sanctie.

De rechtbank heeft acht geslagen op een op naam van verdachte staand omvangrijk Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 augustus 2006. Hieruit blijkt dat verdachte diverse keren is veroordeeld tot gevangenisstraffen wegens inbraak, diefstal en openlijke geweldpleging. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat deze eerdere veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden het onderhavige feit te plegen.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met het feit dat het delict in vereniging heeft plaatsgevonden, dat de verdachte berekenend heeft gehandeld en te werk is gegaan met van diefstal afkomstige hulpmiddelen. Daarnaast acht de rechtbank strafverzwarend dat de verdachte en zijn mededader gedreigd hebben met het gebruik van een vuurwapen. Voorts heeft de verdachte geen blijk gegeven van mededogen met het slachtoffer. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

7.2 De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 4] is ontvankelijk in haar vordering nu aan de verdachte een straf wordt opgelegd en aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het onder 1. bewezen verklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezen verklaarde strafbare feit toegebrachte immateriële schade. De vordering wordt toegewezen voor een bedrag ter hoogte van EUR 700,- wegens deze schade. Voor het overige door de benadeelde partij gevorderde bedrag zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren onder bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, omdat dit deel van de vordering niet voldoende eenvoudig van aard is.

Naast toewijzing van deze civiele vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

De benadeelde partijen [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] zijn niet-ontvankelijk in hun vordering, nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd ten aanzien van de onder 2. primair en 3. primair ten laste gelegde feiten.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 36f, 47, 310, 312, 317 en 417 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2., 3., en 4.primair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

* een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 4 (VIER) JAREN EN 6 (ZES) MAANDEN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

* verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] niet ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat deze benadeelde partijen die vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

* veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan [slachtoffer 4], een bedrag van EUR 700,- (zevenhonderd euro), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] met eenzelfde bedrag doet verminderen;

* legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EUR 700,- (zevenhonderd euro) ten behoeve van [slachtoffer 4];

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 14 dagen;

verstaat dat de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van slachtoffer 4] komt te vervallen voor zover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 4].

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter

mr. F.L.J.M Heijnen en mr. G.J.A.M. van Vugt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. Huizenga, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 maart 2007.