Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:AZ8942

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
11/701224-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 74-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens ontucht met een 13-jarig meisje, tien jaar geleden gepleegd op de scouting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 11/701224-06

Zittingsdatum: 6 februari 2007

Uitspraak: 20 februari 2007

STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1932,

wonende te [adres en woonplaats].

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat

hij op meerdere, althans één, tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 1997 tot en met 01 september 2000 te Goudswaard, gemeente Korendijk, en/of elders in Nederland,met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf

jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal,

- zijn, verdachtes, penis, in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of

- zich door die [slachtoffer] laten pijpen en/of

- aan de (ontblote) vagina en/of (ontblote) borsten en/of elders aan het (ontblote) lichaam van die [slachtoffer] gelikt en/of

- de (ontblote) vagina en/of (ontblote) borsten en/of elders het (ontblote) lichaam van die [slachtoffer] betast en/of

- die [slachtoffer] op haar mond en/of (ontblote) lichaam gezoend.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De tenlastelegging is toegespitst op artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht. Ten tijde van de tenlastegelegde periode gold er ten aanzien van dit delict een klachtvereiste. In het dossier bevindt zich geen afzonderlijke klacht. Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenwel komen vast te staan dat het slachtoffer uitdrukkelijk vervolging van de verdachte wenste. Niet alleen is dit gebleken uit de ter zitting door het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring, ook in de aangifte is reeds uitdrukkelijk door het slachtoffer verklaard dat zij wenst dat de verdachte wordt gestraft voor hetgeen hij haar heeft aangedaan. Dat betekent dat aan het klachtvereiste is voldaan.

Nu ook overigens bij het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan, is de officier van justitie ontvankelijk.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daarbij de bijzondere voorwaarde dat de verdachte de aanwijzingen van de reclassering opvolgt.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

in de periode van 5 oktober 1997 tot en met 01 september 1999 te Goudswaard, gemeente Korendijk, en elders in Nederland, met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, meermalen,

- zijn, verdachtes, penis, in de vagina van die [slachtoffer]gebracht en

- zich door die [slachtoffer] laten pijpen en

- aan de (ontblote) vagina en (ontblote) borsten en elders aan het(ontblote) lichaam van die [slachtoffer] gelikt en

- de (ontblote) vagina en (ontblote) borsten en elders het(ontblote)lichaam van die [slachtoffer] betast en

- die [slachtoffer] op haar mond en (ontblote) lichaam gezoend.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting bekend de feiten zoals die bewezen zijn verklaard te hebben gepleegd, met dien verstande dat de verdachte heeft aangegeven dat deze feiten in een kortere periode hebben plaatsgevonden. Gelet daarop zal de rechtbank op de voet van artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering voor wat betreft de bewezen verklaarde feitelijke handelingen volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen en voor wat betreft de bewezen verklaarde periode in zoverre ook de inhoud van de bewijsmiddelen weergeven.

1. Het proces-verbaal van aangifte van de politie Zuid-Holland Zuid d.d. 28 februari 2006, mutatienummer PL1852/05-004396 (als bijlage 1.1 gevoegd bij het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid, dossiernummer PL1852/05-500866).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer] -zakelijk weergegeven -:

- in oktober 1997 was [verdachte] nog steeds bezig om mij aan [betrokkene] te koppelen;

- op 5 oktober 1997 heb ik seks gehad met [betrokkene];

- vrij snel na de seks met [betrokkene] begon [verdachte] mijn buik en mijn borsten te strelen, onder de kleding en onder de bh; hij ging mij toen ook likken van mijn knieën tot mijn kruis en begon ook mijn clitoris te likken;

- tijdens het laatste zomerkamp, [verdachte] had toen een beroerte of een tia gehad, werd ik op een ochtend wakker; ik voelde toen dat [verdachte] bovenop mijn kont zat en heen en weer aan het rijden was;

-na dit voorval is er niks meer tussen [verdachte] en mij gebeurd.

2. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting zoals in het proces-verbaal van de terechtzitting weergegeven onder A.

Deze verklaring van de verdachte houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:

- in mei 1999 kreeg ik een herseninfarct.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

MET IEMAND DIE DE LEEFTIJD VAN TWAALF JAREN, MAAR NOG NIET DIE VAN ZESTIEN JAREN HEEFT BEREIKT, BUITEN ECHT, ONTUCHTIGE HANDELINGEN PLEGEN DIE MEDE BESTAAN UIT HET SEKSUEEL BINNENDRINGEN VAN HET LICHAAM, MEERMALEN GEPLEEGD.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, in het begin van de bewezenverklaarde periode 65 jaar oud, heeft zich gedurende een periode van bijna twee jaar meermalen vergrepen aan een meisje dat bij aanvang dertien jaar oud was. De feiten hebben zich voornamelijk voorgedaan op een schip dat in gebruik was bij de scouting waar de verdachte als oud zeeman een zekere status had en waarvan het slachtoffer lid was. De verdachte heeft het slachtoffer in eerste instantie verleid met snoep en geld, waardoor hij haar vertrouwen won. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer seksuele voorlichting gegeven, waarbij hij zijn eigen seksuele normen en waarden overbracht op het slachtoffer en haar ook seksfilms liet zien. Daarnaast heeft de verdachte de eerste seksuele ervaring van het slachtoffer geënsceneerd door zijn buurjongen die hij naar de scouting meenam, aan haar te koppelen. Niet lang daarna is de verdachte het slachtoffer zelf fysiek gaan benaderen. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij gedurende een periode van bijna twee jaar bij herhaling seksuele gemeenschap met het jonge slachtoffer heeft gehad en diverse andere seksuele handelingen bij het meisje heeft gepleegd of door haar heeft laten plegen zoals bewezenverklaard. Daarbij heeft de verdachte zelfs niet geschuwd om sommige handelingen op video door de broer van het slachtoffer te laten vastleggen.

Door de wetgever is de geestelijke en lichamelijke integriteit van jeugdigen jonger dan 16 jaar uitdrukkelijk beschermd, onder meer op de grond dat zij op seksueel gebied nog niet volgroeid zijn en dat zij worden geacht niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen inschatten. Handelingen zoals de verdachte die heeft gepleegd, vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en kunnen, naar de ervaring leert, leiden tot blijvende psychische schade. Dat ook bij het slachtoffer sprake is van psychische schade blijkt uit de door haar ter terechtzitting uit de door het slachtoffer ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. De verdachte heeft op ernstige wijze misbruik gemaakt van de jonge leeftijd en de naïviteit van het slachtoffer. Hij heeft het slachtoffer op manipulatieve wijze in een afhankelijke positie gebracht, waarin zij geen weerstand heeft geboden aan de wil van de verdachte. De verdachte heeft slechts oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Uit niets blijkt dat hij zich ook maar iets gelegen heeft laten liggen aan de mogelijke lichamelijke en psychische gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Aan de handelingen is feitelijk een einde gekomen doordat de verdachte met ruzie de scoutinggroep heeft verlaten. De verdachte heeft bovendien onvoldoende besef getoond van de ongelijkwaardigheid in de relatie tussen een jeugdige en een persoon van zijn leeftijd.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het vertrouwen dat het slachtoffer in hem stelde op grove wijze heeft beschaamd. Daarnaast wordt hem verweten dat hij het meisje het recht heeft ontnomen zich onbedreigd in haar eigen tempo en op zelf gekozen wijze lichamelijk en seksueel te ontwikkelen. Dit soort feiten wordt door de samenleving scherp afgekeurd en rechtvaardigt een forse bestraffing.

Bij de strafmaatbepaling heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de gedragingen zich bijna tien jaar geleden hebben voorgedaan. De rechtbank laat dit gegeven echter slechts in beperkte mate meewegen, aangezien het slachtoffer na al die jaren nog vrijwel dagelijks de gevolgen van het misdrijf ondervindt.

Wat de persoon van de verdachte betreft, heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de reclassering, d.d. 4 december 2006 en het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 januari 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van misdrijven met justitie in aanraking is geweest.

Met name gelet op de duur en de intensiteit van de gepleegde ontuchtige handelingen, het misbruik dat de verdachte heeft gemaakt van zijn positie binnen de scouting en de nog steeds voortdurende gevolgen daarvan voor het slachtoffer acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doen aan de aard en de ernst van de feiten. De rechtbank zal een langere vrijheidsbenemende straf opleggen. Aangezien de rechtbank zich mede ten doel stelt dat de recidivekans zoveel mogelijk wordt beperkt en dat de verdachte wordt begeleid en behandeld zal de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk opleggen en daaraan de bijzondere voorwaarde verbinden dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen hem te geven door of namens de reclassering, ook indien dit inhoudt dat de verdachte deelneemt aan de Therapiegroep Seksuele Delictplegers bij de forensisch psychiatrische poli- en dagkliniek "Het Dok" te Rotterdam, zoals door de reclassering geadviseerd. De verdachte heeft zich bereid verklaard mee te werken aan deze therapie.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 14d, 57 en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 18 MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 12 MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt daarbij als BIJZONDERE VOORWAARDE:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat nodig oordeelt, ook indien dit inhoudt dat de veroordeelde deelneemt aan de Therapiegroep Seksuele Delictplegers bij de forensisch psychiatrische poli- en dagkliniek Het Dok of een soortgelijke instelling;

verstrekt aan de Stichting Reclassering Nederland, voornoemd, de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.J.P. Lock, voorzitter,

mr. R.R. Roukema en mr. M.I. Blagrove, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. Huizenga, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 februari 2007.