Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:AZ8281

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
08-02-2007
Datum publicatie
13-02-2007
Zaaknummer
187191 CV EXPL 06-5717
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht: Onderbreking tussen derde en vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bedraagt drie maanden en één dag, zodat geen conversie plaatsvindt in een contract voor onbepaalde tijd. Ook is geen sprake van misbruik van recht, nu in de branche waarin werkgever opereert flexibiliteit is vereist en werkgever slechts één maal gebruik heeft gemaakt van een onderbreking van meer dan drie maanden. Voorts is geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen dat werkgever werkneemster een contract voor onbepaalde tijd zou aanbieden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 668a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 70
Prg. 2007, 41
JIN 2007/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 187191 CV EXPL 06-5717

vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 8 februari 2007

in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. D.A. Schalker

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IHC Holland Employment B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 2961 AW Kinderdijk, Smitweg 6,

gedaagde,

gemachtigde mr. G. Bloem.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 16 oktober 2006;

2. de conclusie van antwoord;

3. het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 23 januari 2007;

4. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

Als gesteld door de ene partij en niet, althans in onvoldoende mate, weersproken door de andere partij, wordt van het volgende uitgegaan.

Eiseres, geboren op 19 november 1965, is op 1 april 2002, in dienst van Uitzendbureau Randstad, voor 32 uur per week werkzaamheden gaan verrichten voor gedaagde in de functie van (laatstelijk) afdelingssecretaresse. Een volledige dienstbetrekking bedraagt 40 uur. Het laatstelijk verdiende salaris bedraagt € 1.723,92 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. De arbeidsovereenkomst tussen eiseres en Uitzendbureau Randstad is op 31 januari 2003 geëindigd.

Eiseres is vervolgens op 1 februari 2003 rechtstreeks in dienst getreden bij gedaagde voor de bepaalde tijd van één jaar, derhalve tot 1 februari 2004. Per 1 februari 2004 is het dienstverband verlengd met de duur van één jaar, derhalve tot 1 februari 2005. Hierna heeft eiseres gedurende drie maanden niet gewerkt bij gedaagde. Een uitzendkracht heeft de werkzaamheden van eiseres in deze periode verricht. Op 18 januari 2005 heeft gedaagde eiseres een nieuw contract aangeboden op grond waarvan eiseres per 2 mei 2005 wederom voor de bepaalde tijd van één jaar bij gedaagde in dienst is getreden, derhalve tot 2 mei 2006.

Tot zover de vaststaande feiten.

Eiseres vordert in deze procedure onmiddellijke toelating tot de werkplek tot het verrichten van de werkzaamheden in de functie van afdelingssecretaresse onder de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag. Tevens vordert eiseres betaling van het salaris over de periode 1 mei 2006 tot en met 13 september 2006, bedragende € 7.611,77 bruto, te vermeerderen met de overige emolumenten, alsmede het salaris vanaf 14 september 2006 tot de dag waarop het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd. Voorts vordert eiseres € 3.805,89 netto aan wettelijke verhoging, de wettelijke rente en € 300,- exclusief BTW ter zake van buitengerechtelijke kosten.

Eiseres grondt haar vordering op de aanwezigheid van een keten van arbeidsovereenkomsten ex artikel 7:668a BW, zodat de laatste arbeidsovereenkomst moet worden gezien als aangegaan voor onbepaalde tijd. Bovendien voert eiseres aan dat de handelwijze van gedaagde kan worden gezien als een handeling teneinde de toepassing van artikel 7:668a BW te ontduiken, hetgeen niet is toegestaan.

Gedaagde voert als verweer aan dat tussen het derde en vierde contract een periode zit van drie maanden en twee dagen en dat dientengevolge krachtens artikel 7:668a lid 1 sub b BW de laatste arbeidsovereenkomst niet geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.

Voorts voert gedaagde aan dat het eiseres bekend is dat de door haar uitgeoefende functie niet tot de kernbemanning behoorde, en dat het vast beleid van gedaagde is in dat geval geen contract voor onbepaalde tijd aan te bieden.

Beoordeling van het geschil

Op grond van artikel 7:668a lid 2 jo. lid 1 sub b BW geldt, vanaf de dag dat meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.

Eiseres heeft van 1 april 2002 tot 1 februari 2005 onder drie opeenvolgende arbeids-overeenkomsten bij gedaagde werkzaamheden verricht. Het vierde contract is ingegaan op 2 mei 2005. Tussen 1 februari 2005 en 2 mei 2005 zit een periode van drie maanden en één dag. Het enkele feit dat 1 mei 2005 op een zondag viel, brengt niet mee dat deze dag niet dient te worden meegeteld bij de onderbreking van drie maanden. De onderbreking tussen het derde en het vierde contract overschrijdt derhalve de in artikel 7:668a lid 1 sub b genoemde periode van drie maanden, zodat het laatste contract tussen partijen niet op grond van dit artikel is geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de handelswijze van gedaagde niet is toegestaan, aangezien deze enkel tot doel heeft de toepassing van artikel 7:668a BW te ontduiken.

Het is bekend dat in de branche waarin gedaagde opereert de nodige flexibiliteit dient te worden betracht om schommelingen op te vangen. Dit mag echter niet gaan ten koste van de ontslagbescherming van de werknemers. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Flexibiliteit en Zekerheid heeft de minister opgemerkt dat als jaar in, jaar uit contracten voor bepaalde tijd worden afgesloten met steeds een onderbreking van drie maanden, op enig moment sprake kan zijn van misbruik van het recht om ontslagbescherming van de werknemer tegen te gaan. Dit is in het onderhavige geval echter niet aan de orde. Er heeft immers slechts één keer een onderbreking van meer dan drie maanden plaatsgevonden. Gedaagde heeft desgevraagd ook aangegeven dat zij in beginsel slechts één maal gebruik maakt van deze mogelijkheid bij haar werknemers.

Gedaagde kan zich er voorts ook niet op beroepen dat bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat haar contract na 2 mei 2006 wederom verlengd zou worden. Gedaagde heeft eiseres in 2005 immers wederom een contract voor bepaalde tijd aangeboden, ondanks de door eiseres gestelde toezegging in 2004 dat haar de volgende keer een contract voor onbepaalde tijd zou worden aangeboden.

Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van misbruik van recht en wordt de handelswijze van gedaagde niet ontoelaatbaar geacht.

De vordering wordt dan ook afgewezen en eiseres wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van eiseres af;

veroordeelt eiseres in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van gedaagde bepaald op:

aan salaris gemachtigde € 600,00

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 februari 2007, in aanwezigheid van de griffier.