Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2007:AZ8178

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
02-02-2007
Datum publicatie
12-02-2007
Zaaknummer
Awb 07/61
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

In de voor een cofffeeshop verleende exploitatievergunning is de volgende zinsnede opgenomen: "Verder wijs ik u erop dat de vergunning vervalt als er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunnig is aangevraagd." Onduidelijkheid over de juridische status van deze zinsnede. Onduidelijkheid over de uitleg ervan in relatie tot andere bepalingen over de exploitatievergunning en verweerders beleid bij wijziging van de exploitant van een bestaand horecabedrijf. Verweerder dient nader te motiveren dat de zinsnede niet leidt tot rechtsonzekerheid en voorts dat handhavend optreden gelet zijn beleid in dit geval niet disproportioneel is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/61

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[XXX], h.o.d.n. Coffeeshop "Cats",

gevestigd te Leerdam, verzoeker,

gemachtigde: mr.drs. B.F.J. Bollen, advocaat te Eindhoven,

tegen

de burgemeester van de gemeente Leerdam,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 16 januari 2007, uitgereikt om 13.00 uur, heeft verweerder besloten dat verzoeker na 16 januari 2007, 14.30 uur, een dwangsom van € 5000,- verbeurt, met een maximum van € 30.000,-, voor iedere dag dat wordt geconstateerd dat het horecabedrijf aan de Hoogstraat 15-17 te Leerdam (hierna: de coffeeshop) wordt geëxploiteerd als coffeeshop met softdrugs.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 18 januari 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van eveneens 18 januari 2007 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 26 januari 2007 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door een tolk, [XXX], en zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [XXX] en [XXX].

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 2.3.1.1, eerste lid, van de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente Leerdam 2004 (hierna: de APV) wordt onder horecabedrijf verstaan:

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.

Ingevolge artikel 2.3.1.1, vierde lid, van de APV wordt onder exploitant verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2.3.1.2.

Ingevolge artikel 2.3.1.2, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, te exploiteren (exploitatievergunning).

Artikel 2.3.1.2, negende lid, van de APV bepaalt dat de vergunning wordt gesteld op naam van de exploitant en dat deze niet overdraagbaar is.

Ingevolge artikel 2.3.1.2, vijfde lid, van de APV kan de burgemeester aan de vergunning, als bedoeld in het eerste lid, nadere voorschriften verbinden.

Ingevolge artikel 2.3.1.3B, vierde lid, van de APV trekt de burgemeester de vergunning in:

a. indien de exploitatie van het horecabedrijf voor een periode van langer dan drie maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;

b. de vergunninghouder de inrichting niet langer exploiteert.

Voorschrift 2 van de aan verzoeker verleende exploitatievergunning van 6 oktober 2006 voor de exploitatie van de coffeeshop bepaalt, dat deze vergunning slechts van kracht blijft indien en zolang de exploitatie als coffeeshop niet wordt gewijzigd. Verder wijst de burgemeester in de exploitatievergunning erop, voor zover van belang, dat de vergunning vervalt als er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.

Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt die bevoegdheid uitgeoefend door de burgemeester indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.2. Bestreden besluit

Verweerder heeft zijn bevoegdheid tot handhavend optreden gegrond op artikel 2.3.1.2, eerste lid, van de APV. Verweerder stelt daartoe dat verzoeker niet langer over een exploitatievergunning voor het exploiteren van een coffeeshop beschikt. Verweerder verwijst hiertoe naar zijn brief van 2 januari 2007. Hierin wijst verweerder erop dat in de exploitatievergunning staat vermeld dat de vergunning komt te vervallen wanneer er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd en/of de vergunninghouder de inrichting niet langer exploiteert. Volgens verweerder blijkt uit diverse feiten dat [XXX] de exploitatie heeft overgenomen en verzoeker niet langer de exploitant is van de coffeeshop, waarmee de verleende exploitatievergunning van rechtswege is komen te vervallen.

2.3. Gronden

Verzoeker stelt dat geen exploitatiewijziging heeft plaatsgevonden. De coffeeshop als zodanig is ongewijzigd gebleven. De overdracht van de onderneming door verzoeker aan [XXX] heeft onder de opschortende voorwaarde plaatsgevonden van het verkrijgen van de benodigde vergunningen door [XXX]. Verzoeker heeft dit ook zo in zijn brief van 27 september 2005 aan verweerder bericht. Vooruitlopend op het verlenen van de benodigde vergunningen heeft [XXX] al enige werkzaamheden en administratieve aangelegenheden van verzoeker overgenomen. Dit heeft verzoeker, nadat verweerder de vergunningen aan [XXX] had geweigerd, geheel teruggedraaid. Er bestaat dan ook volgens verzoeker geen aanleiding te veronderstellen dat de aan hem verleende exploitatievergunning van rechtswege is komen te vervallen. Verzoeker betwijfelt of de bepaling waar verweerder op wijst, een voorschrift is in de zin van de APV, nu deze bepaling niet als voorschrift in de vergunning is aangemerkt. Voorts betwijfelt verzoeker of een dergelijk voorschrift aan de vergunning had kunnen worden verbonden, nu de APV een exploitatiewijziging expliciet aanmerkt als een van de gronden voor intrekking van de exploitatievergunning.

2.4. Beoordeling

2.4.1. Bij de beoordeling van het geschil gaat de voorzieningenrechter van de volgende feiten uit.

Verzoeker is thans ongeveer 15 jaar betrokken bij de exploitatie van de coffeeshop, aanvankelijk als bedrijfsleider, later als exploitant. Verzoeker heeft de aanvraag voor de onderhavige exploitatievergunning ingediend in verband met het vervallen van de voorafgaande vergunning wegens een sluiting van de coffeeshop gedurende een periode langer dan drie maanden. In zijn brief van 27 september 2005 aan verweerder heeft verzoeker meegedeeld in onderhandeling te zijn met [XXX] over een overname van de coffeeshop. In het kader van de beoogde overname had [XXX] eerder, al op 8 september 2005, de benodigde vergunningen bij verweerder aangevraagd. Bij besluit van 5 december 2006, verzonden 21 december 2006, heeft verweerder [XXX] de benodigde vergunningen geweigerd.

2.4.2. In de aan verzoeker verleende vergunning van 6 oktober 2005 heeft verweerder het onder 2.1. genoemde voorschrift 2. opgenomen. Daarnaast heeft verweerder in de verleende vergunning verzoeker er onder meer op gewezen dat de vergunning vervalt indien, voor zover hier relevant, er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd (hierna te noemen: de aanwijzing). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet op voorhand duidelijk of verweerders standpunt dat deze aanwijzing een voorschrift is in de zin van artikel 2.3.1.2, vijfde lid, van de APV, juist is. Enerzijds gaat het volgens de bewoordingen van de aanwijzing om een voorwaarde waaronder de vergunning van rechtswege vervalt. Anderzijds luidt de inleidende zinsnede voor onder meer voornoemde aanwijzing "Verder wijs ik u erop dat:". Deze inleidende zinsnede duidt erop dat de aanwijzing is bedoeld ter voorlichting van de vergunninghouder over verweerders uitleg van de geldende voorschriften of zijn beleid dienaangaande.

Is aldus de juridische status van de aanwijzing niet zonder meer duidelijk, datzelfde geldt voor de uitleg ervan. De aanwijzing laat zich lezen als een uitzondering op de regel dat bij een gewijzigde exploitatie de exploitatievergunning vervalt, namelijk indien de beoogde nieuwe exploitant daarvoor een vergunning heeft aangevraagd. Volgens verweerder vervalt echter op het moment van wijziging van de exploitatie de verleende vergunning van rechtswege, ongeacht of een vergunningaanvraag door de nieuwe exploitant is ingediend. Gedurende de behandeling van de vergunningaanvraag van de nieuwe exploitant bestaat volgens verweerder een illegale situatie, waarbij verweerder gedoogt door middel van een gedoogverklaring dat de nieuwe exploitant het horecabedrijf zonder vergunning exploiteert. De voorwaarden daartoe zijn recentelijk vastgelegd in interne richtlijnen. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij er in dit geval van op de hoogte was dat [XXX] diverse activiteiten ten behoeve van de exploitatie van de coffeeshop ontplooide en dit in afwachting van de beslissing op de aanvraag heeft gedoogd, zij het dat in dit geval geen gedoogverklaring is afgegeven.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beantwoording van de vragen naar het rechtskarakter van de aanwijzing en naar de uitleg daarvan niet past binnen het kader van een voorlopige voorzieningsprocedure. Verweerder zal in de bezwaarprocedure onder meer moeten bezien of het met een zo vergaand gevolg als verval van rechtswege van een vergunning verenigbaar is dat een situatie van rechtsonzekerheid kan ontstaan voor de vergunninghouder en derden-belanghebbenden doordat, zoals in casu, in redelijkheid verschil van interpretatie mogelijk is van de voorwaarde die leidt tot verval van rechtswege. Ditzelfde geldt mutatis mutandis indien de aanwijzing geacht moeten worden geldend beleid van verweerder te behelzen.

2.4.3. Onverminderd het vorenstaande kleeft er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit, indien moet worden uitgegaan van verweerders uitleg van de toepasselijke bepalingen. In dat geval valt niet zonder nadere motivering in te zien dat verweerders beleid, op grond waarvan hij de gewijzigde exploitatie door [XXX] heeft gedoogd tot aan de afwijzende beslissing op haar aanvraag maar niet de exploitatie gedoogt volgens de oorspronkelijke vergunning van verzoeker totdat op zijn nieuwe aanvraag is beslist, niet disproportioneel is, althans in het onderhavige geval niet tot disproportionele gevolgen leidt.

2.4.4. Alles overziende bestaat er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gerede twijfel over of het standpunt van verweerder dat de exploitatievergunning van verzoeker voor de coffeeshop van rechtswege is komen te vervallen, althans dat verzoekers exploitatie tot aan de beslissing op zijn vergunningsaanvraag niet wordt gedoogd, in rechte stand zal kunnen houden. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter, de belangen afwegende, aanleiding in afwachting van de te nemen beslissing op bezwaar het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot 6 weken na de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar.

Verweerder wordt in de door verzoeker gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een verzoekschrift, het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 16 januari 2006 wordt geschorst tot 6 weken na de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat de gemeente Leerdam aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht, te weten € 141,-, vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-, welk bedrag de gemeente Leerdam aan verzoeker moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzieningenrechter, en door deze en mr.drs. M. Lammerse, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 29 januari 2007

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.